Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:839
2026-09-04
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
25/02716
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Vervolg op HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1805. Vordering tot uitbetaling van een in depot gesteld deel verkoopopbrengst onroerende zaak. Miskenning tweeconclusieregel (art. 347 Rv en art. 424 Rv (procedure na verwijzing); beroep op analoge toepassing art. 6:145 BW. Samenhang met HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1147 en ECLI:NL:HR:2026:1148).
Citeert (18)
- ECLI:NL:HR:2023:1805 Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:HR:2025:561 Hoge Raad 11-04-2025
- ECLI:NL:HR:2026:1147 Hoge Raad 03-07-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1148 Hoge Raad 03-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2025:2758 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 06-05-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2190 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-07-2022
- ECLI:NL:HR:2023:1805 Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:HR:2025:561 Hoge Raad 11-04-2025
- ECLI:NL:HR:1996:ZC2161 Hoge Raad 04-10-1996
- ECLI:NL:HR:2007:BA3032 Hoge Raad 22-06-2007
- ECLI:NL:HR:2022:1758 Hoge Raad 25-11-2022
- ECLI:NL:HR:2012:BV1301 Hoge Raad 27-04-2012
- ECLI:NL:HR:2017:281 Hoge Raad 17-02-2017
- ECLI:NL:HR:2023:1334 Hoge Raad 29-09-2023
- ECLI:NL:HR:2025:561 Hoge Raad 11-04-2025
- ECLI:NL:HR:2014:3593 Hoge Raad 12-12-2014
- ECLI:NL:HR:2017:2360 Hoge Raad 15-09-2017
- ECLI:NL:HR:2014:3593 Hoge Raad 12-12-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (92.783 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02716
Zitting 4 september 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1
[eiser 1],
2. [eiseres 2],
eisers tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt
tegen
1Stack NewCo B.V.,
2. Cumberland Investments Designated Activity Company,
verweersters in cassatie,
advocaat: mr. B.F.L.M. Schim.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser 1] en [eiseres 2] (gezamenlijk: [eisers]) respectievelijk Stack en Cumberland (gezamenlijk: Stack c.s.).
1Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft een procedure na verwijzing die gaat over de vraag wie gerechtigd is tot een in depot gestort bedrag van € 416.981,71, het restant van de verkoopopbrengst van het woonhuis van [eiser 1].
1.2
Op grond van het verwijzingsarrest van de Hoge Raad (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1805) diende in dat kader nog te worden beoordeeld of Stack c.s. een vorderingsrecht en een geldig hypotheekrecht hebben. Het hof heeft geoordeeld dat dit het geval is en het depotbedrag toekomt aan Stack. Het heeft het bestreden vonnis met verbetering van gronden bekrachtigd.
1.3
In cassatie komen [eisers] met rechts- en (voornamelijk) motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof. Ik meen dat de klachten niet slagen.
1.4
Deze zaak vertoont (enige) samenhang met de renvooiprocedures met zaaknummers 25/01509 en 25/01510. In deze zaken, beide tussen [eiseres 2] als eiseres tot cassatie en Cumberland als verweerster in cassatie, betwistten partijen over en weer elkaars vordering in het faillissement van Triskalion B.V. De Hoge Raad heeft in beide zaken arrest gewezen op 3 juli 2026 en de cassatieberoepen verworpen, met als uitkomst dat [eiseres 2] geen schuldeiser is in het faillissement van Triskalion B.V., zodat zij ook geen belang heeft bij betwisting van de vordering van Cumberland.
2Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
2.2
[eiser 1] en [eiseres 2] zijn echtgenoten.
2.3
[eiser 1] was bestuurder en (middellijk) enig aandeelhouder van Triskalion B.V. (hierna: Triskalion).
2.4
In 1983 heeft (een rechtsvoorganger van) Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: NN) een lening van NLG 450.000,- verstrekt aan onder meer [eiser 1]. De lening diende ertoe dat [eiser 1] een registergoed (hierna: het pand) kon verwerven. Tot zekerheid voor de terugbetaling van de lening verkreeg NN een eerste recht van hypotheek op het pand tot een bedrag van NLG 630.000,-.
2.5
In 1994 heeft [eiser 1] de economische eigendom van het pand overgedragen aan Triskalion. Eveneens in 1994 heeft NN aan [eiser 1] en Triskalion een lening van NLG 400.000,- verstrekt. Tot zekerheid voor de terugbetaling van de lening verkreeg NN een tweede recht van hypotheek op het pand tot een bedrag van NLG 560.000,-.
2.6
In 1999 heeft NN aan [eiser 1], [eiseres 2], Triskalion en [A] B.V. een lening van NLG 1.500.000,- verstrekt. Tot zekerheid voor de terugbetaling van deze lening verkreeg NN een derde recht van hypotheek op het pand tot een bedrag van NLG 2.100.000,-.
2.7
In verband met de hiervoor onder 2.4-2.7 genoemde geldleningen heeft [eiser 1] aanspraken uit met NN gesloten verzekeringen aan NN verpand.
2.8
In 2011 heeft ABN AMRO kredieten verstrekt aan Triskalion en aan haar gelieerde vennootschappen (Molenbel B.V., Molenvast B.V., Invere B.V. en Cubo Vastgoed Holding B.V., hierna: Molenbel, Molenvast, Invere en Cubo).
2.9
Tot zekerheid voor al hetgeen Fortis Bank - een rechtsvoorganger van ABN AMRO - van Triskalion en de aan haar gelieerde vennootschappen te vorderen zou hebben, verkreeg Fortis Bank in 2008 een vierde recht van hypotheek op het pand tot een bedrag van € 1.000.000,-, te vermeerderen met een opslag van € 500.000,- voor rente en kosten.
2.10
In 2017 is een gedeelte van het vermogen van ABN AMRO onder algemene titel overgegaan op Stack.
2.11
Triskalion en [eiser 1] zijn in 2014 respectievelijk 2015 in staat van faillissement verklaard.
2.12
De curatoren in de faillissementen van [eiser 1] en Triskalion hebben het pand voor € 1.500.000,- verkocht en op 6 juli 2017 aan de koper geleverd.
2.13
Na voldoening van de door de eerste, tweede en derde rechten van hypotheek gedekte vorderingen, resteerde een opbrengst van € 546.720,83. Van dat bedrag is € 129.739,12 aan Stack uitgekeerd. De restantopbrengst (€ 416.981,71; hierna ook: het depotbedrag) is in depot geplaatst bij een notaris.
2.14
Een depotovereenkomst van 4 juli 2017 (hierna: de depotovereenkomst) bepaalt onder meer:
“Depotovereenkomst
De ondergetekenden van deze verklaring zijn:
1. [...] Nationale-Nederlanden [...]
2. [...] STACK NEWCO B.V. [...], als rechtsopvolger onder algemene titel van: [...] ABN AMRO Bank N.V., als rechtsopvolger onder algemene titel van [...] Fortis Bank Nederland N.V. [...]
3. a. [...] [eiser 1] [...] en
b. [...] [eiseres 2]
[...] de notaris [...]
Aanleiding:
[…]
Partij 2 heeft een recht van hypotheek ten laste van partij 3 op gemeld registergoed, te weten het recht van 4e hypotheek ingeschreven [...] op 3 juni 2008 [...] tot een bedrag groot € 1.000.000,00; Bij het verzoek van de notaris aan partij 1 tot het opstellen van de aflosnota in verband met de algehele aflossing van de hypotheek en het royeren van de inschrijving in verband met overd[r]acht van het registergoed, is er een onduidelijkheid ontstaan [...]:
op de lening van partij 1 zijn in het verleden aflossingen gedaan vanuit verpande verzekeringen. De verzekeringnemers stellen dat er sprake is van subrogatie, als gevolg waarvan door de hypothe[e]k gedekte vordering van partij 1 maximaal € 416.981,71 hoger zou uitvallen. Over het feit van subrogatie, aan welke schuldenaar iets en zo ja hoeveel toekomt, bestaat op dit moment nog onduidelijkheid.
Partijen willen toch een akte van levering ondertekenen. Derhalve zijn partijen aanvullend overeengekomen dat de notaris een gedeelte van de koopprijs ad € 416.981,71 in depot houdt. Partijen komen het volgende overeen:
1. De notaris houdt een bedrag van € 416.981,71 in depot, hierna te noemen: ‘het depotbedrag’
2. Partij 1 en partij 2 verkrijgen hierdoor een voorwaardelijke vordering op de notaris.
3. Deze vordering wordt op een van de hierna vermelde wijzen onvoorwaardelijk:
- na ondubbelzinnige gelijkluidende schriftelijke opdracht van partijen tot uitbetaling van het depotbedrag, dan wel
- na een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis of een arbitraal vonnis met betrekking tot de verdeling van het depotbedrag.
[...] Het depotbedrag wordt door de notaris uitgekeerd overeenkomstig die opdracht of dat vonnis. [...]”.
2.15
Stack heeft in juli 2017 haar vorderingen uit hoofde van de kredietrelatie met (onder andere) Triskalion overgedragen aan Cumberland.
2.16
Op 7 augustus 2017 heeft de curator in het faillissement van [eiser 1] enige gepretendeerde vorderingen van (de boedel van) [eiser 1] aan [eiseres 2] gecedeerd.
3Procesverloop
Voor verwijzing door de Hoge Raad
3.1
Stack c.s. hebben in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat Stack recht heeft op het depotbedrag en een gebod dat [eisers] en NN het depotbedrag overmaken aan Stack. [eiseres 2] heeft in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat zij recht heeft op het depotbedrag en een gebod dat Stack c.s. en NN het depotbedrag naar de derdengeldrekening van haar advocaat overmaken.
3.2
De rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) heeft, na een tussenvonnis van 28 augustus 2019, bij vonnis van 26 februari 2020 in conventie voor recht verklaard dat Stack recht heeft op het depotbedrag. De rechtbank heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de depotovereenkomst een vaststellingsovereenkomst is, dat [eisers] met de ondertekening ervan zich committeerden aan een uitkomst waarbij het depotbedrag hetzij aan NN hetzij aan Stack zou worden uitgekeerd en dat nu NN te kennen heeft gegeven geen aanspraak te maken op het depotbedrag dit dus aan Stack toekomt. In reconventie heeft de rechtbank [eisers] niet-ontvankelijk verklaard voor zover hun vorderingen zijn ingesteld tegen NN, en de vorderingen tegen Stack c.s. afgewezen.
3.3
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 juli 2022 [eisers] niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen NN en het eindvonnis van de rechtbank ten aanzien van [eisers] bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen. Kern van het geschil is of [eiser 1] al dan niet is getreden in de rechten van NN en daardoor aanspraak heeft gekregen op het depotbedrag, welke aanspraak vervolgens bij de akte van cessie aan [eiseres 2] is overgedragen. Daarin ligt de onzekerheid die partijen ertoe heeft gebracht de depotovereenkomst te sluiten. [eisers] zijn niet gesubrogeerd in de rechten van NN. Het gaat in dit hoger beroep om de uitvoering van de depotovereenkomst en de daaraan ten grondslag liggende discussie over de gestelde subrogatie in de rechten van NN. Die discussie is beslecht in het nadeel van [eisers] Vanuit dit gezichtspunt dient de depotovereenkomst te worden afgewikkeld. Op grond van de depotovereenkomst zijn er twee mogelijkheden voor het uitkeren van het depot: aan Stack of aan NN. In plaats van aan NN zou dat op grond van de gestelde subrogatie aan [eiser 1] of [eiseres 2] geweest kunnen zijn, maar nu de daartoe strekkende stellingen zijn verworpen, blijft het bij Stack of NN. NN maakt geen aanspraak op het depotbedrag, zodat Stack resteert. Deze consequentie volgt zonder meer uit de aard, inhoud en bedoeling van de depotovereenkomst. De door Stack c.s. in conventie gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar en de in reconventie door [eiseres 2] gevorderde verklaring voor recht niet.
3.4
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 december 2023 (hierna: het verwijzingsarrest) geoordeeld dat in het licht van het partijdebat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat het gaat om de discussie over de gestelde subrogatie in de rechten van NN en dat niet relevant is het betoog van [eisers] dat erop neerkomt dat Stack geen geldig vorderings- en hypotheekrecht heeft (rov. 3.3). Ook is volgens de Hoge Raad zonder nadere motivering niet begrijpelijk het oordeel van het gerechtshof dat niet meer aan de orde zou zijn of Stack c.s. een vorderingsrecht hebben en dat uit de aard, inhoud en bedoeling van de depotovereenkomst zonder meer volgt dat Stack aanspraak heeft op het depotbedrag omdat NN daarop geen aanspraak maakt (rov. 3.3). [eisers] hebben immers gemotiveerd aangevoerd – met een beroep op de omstandigheden rondom het sluiten van de depotovereenkomst en de bedoelingen van de bij de depotovereenkomst betrokken partijen – dat de depotovereenkomst erop was gericht om vast te stellen wie rechthebbende is op de restantverkoopopbrengst en dat daarvoor niet alleen van belang is of [eisers] al dan niet zijn gesubrogeerd in de rechten van NN, maar ook of Stack c.s. een vorderingsrecht en geldig hypotheekrecht hebben. De klachten tegen de desbetreffende oordelen slaagden dus. De overige klachten heeft de Hoge Raad verworpen.
Na verwijzing door de Hoge Raad
3.5
Na verwijzing hebben [eisers] een memorie na verwijzing genomen en Stack c.s. een memorie van antwoord na verwijzing.
3.6
Op 16 december 2024 is een mondelinge behandeling gehouden waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.
3.7
Het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) heeft vervolgens bij arrest van 6 mei 2025 (hierna: het arrest) het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari 2020 bekrachtigd voor zover gewezen tussen [eisers] en Stack c.s., en [eisers] veroordeeld in de proceskosten. Het heeft daartoe, zakelijk weergegeven en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
(i) Na verwijzing moet nog worden beoordeeld of Stack c.s. een vorderingsrecht en geldig hypotheekrecht hebben (rov. 5.2);
(ii) [eisers] wijzen op een bankafschrift waaruit blijkt dat per 30 november 2016 sprake was van een positief banksaldo van Triskalion bij ABN AMRO van € 990.372,76, terwijl ABN AMRO na de faillissementen van Triskalion c.s. nog maar één rekeningnummer aanhield op naam van Triskalion; zij betogen dat er dus geen sprake meer was van een vordering van ABN AMRO en dat het hypotheekrecht daarmee (als afhankelijk recht) van rechtswege is vervallen; daarnaast stellen zij dat de vordering van ABN AMRO jarenlang ten onrechte is ‘vervuild’: als het geschil over het rentederivaat conform gemaakte afspraken al in 2012 was afgewikkeld, was de vordering ruim € 704.085 (en op basis van de werkelijke vordering zonder rente ruim € 1.200.000) lager geweest (rov. 5.11);
(iii) bij kredietovereenkomst van 19 mei 2011 heeft ABN AMRO kredieten verstrekt aan Triskalion c.s., onder hoofdelijke verbondenheid van ieder van hen; ten tijde van het faillissement van Triskalion op 14 november 2014 bedroeg de (totale) vordering volgens Stack c.s. € 5.174.810,68; Stack c.s. hebben verder een overzicht overgelegd van het verloop van de vordering sindsdien; het overzicht eindigt op de totale vordering van € 4.837.436,39 per 21 april 2021; blijkens het overzicht heeft ABN AMRO respectievelijk Stack c.s. tijdens de hele periode een aanzienlijke vordering op Triskalion gehad; de juistheid van deze berekening hebben [eisers] op zichzelf niet (gemotiveerd) betwist; (rov. 5.12);
(iv) het positieve saldo op het bankafschrift van Triskalion van 30 november 2016 wordt verklaard door bijschrijvingen van € 1.000.000 en € 2.000.000 op 1 december 2014 respectievelijk 9 november 2016; deze bedragen zijn volgens Stack c.s. administratief buiten incasso gesteld; [eisers] hebben geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze bedragen zijn betaald of dat de bank afstand van haar vordering tot deze bedragen heeft gedaan; het moet er dan ook voor worden gehouden dat de bank nog wel degelijk een vordering op Triskalion had; de schulden (debetsaldi) van de andere vennootschappen waarvoor Triskalion hoofdelijk aansprakelijk was, kwamen daar nog bij; vóór de overgang van de vordering naar Stack heeft ABN AMRO de debetsaldi op de rekeningen van Molenvast en Molenbel ten laste van de rekening van Triskalion gebracht wat resulteerde in een debetstand van € 1.638.921,79; dit saldo is nog exclusief het buiten incasso gestelde bedrag van € 3.000.000 dat Triskalion nog steeds verschuldigd was; dat bevestigt dat er wel degelijk op het moment van aangaan van de depotovereenkomst (4 juli 2017) nog een vordering van de bank, respectievelijk vanaf 27 juni van Stack c.s., op Triskalion bestond die het in het depot gestorte bedrag van € 416.981,71 ruim oversteeg (rov. 5.13);
(v) uit de stellingen van [eisers] over de rentederivatenkwestie volgt niet dat de bank geen vordering op Triskalion meer had; nog daargelaten dat geen verrekening heeft plaatsgevonden, valt niet aan te nemen dat de bank in het geval van verrekening geen vordering op Triskalion c.s. meer had die het depotbedrag ruim oversteeg (rov. 5.14);
(vi) het standpunt van [eisers] dat het hypotheekrecht is vervallen omdat geen sprake meer was van een vordering gaat dus niet op (rov. 5.15);
(vii) het verweer van [eisers] dat de vordering op Triskalion c.s. naar Stack is overgegaan omdat de beoogde afsplitsing tussen ABN AMRO en Stack niet voldoet aan de eis van art. 2:334f lid 2 BW (nauwkeurige beschrijving van de af te splitsen vermogensbestanddelen), is pas voor het eerst in de memorie na verwijzing aangevoerd; dit verweer is tardief en blijft daarom buiten beschouwing; van een nadere onderbouwing of precisering van eerder ingenomen stellingen is geen sprake; er is ook geen sprake van een beroep op na de vernietigde uitspraak gewijzigde feitelijke omstandigheden of feiten die zich nadien hebben voorgedaan (rov. 5.18-5.19);
(viii) uit hetgeen in rov. 5.12 en 5.13 is overwogen volgt dat de vordering van ABN AMRO aanzienlijk hoger was dan die van Triskalion op grond van het Uniform Herstelkader Rentederivaten; dat Stack c.s. bij memorie van antwoord een lager bedrag hebben genoemd, doet hier niet aan af; dat was geen gerechtelijke erkentenis; het was Stack c.s. dan ook toegestaan hierop terug te komen, wat zij bij schriftelijk pleidooi in hoger beroep hebben gedaan (rov. 5.23);
(ix) gelet daarop kan niet worden aangenomen dat Stack wist dat ABN AMRO een hogere uitkering zou moeten doen aan Triskalion ter vergoeding van de schade in verband met rentederivaten dan het bedrag van de vordering die zij op Triskalion c.s. had; dat er ook nog andere zekerheden waren die konden uitgewonnen, betekent ook niet dat Stack haar rechten niet had mogen uitoefenen op grond van de door [eiser 1] verstrekte derdenhypotheek; gelet daarop kan ook niet worden gezegd dat Stack enige zorgplicht jegens [eisers] heeft geschonden door aanspraak te maken op het depotbedrag (rov. 5.24);
(x) [eisers] kunnen ook niet worden gevolgd in hun betoog dat ABN AMRO en Stack met de afsplitsing kennelijk bewust hebben beoogd om de rechtspositie van kredietnemers en van derden die namens deze partijen zekerheden hebben gesteld te verslechteren, omdat Stack het vorderingsrecht van ABN AMRO overnam en de verplichtingen voortvloeiende uit de renteswaps achter bleven bij ABN AMRO waardoor geen sprake meer was van wederkerig schuldenaarschap; als de afsplitsing niet had plaatsgevonden, had ABN AMRO haar bevoegdheden op grond van het hypotheekrecht kunnen uitoefenen, ook als de verrekening was toegepast die volgens [eisers] had moeten plaatsvinden (zie rov. 5.14); Triskalion c.s. en [eiser 1] waren dan niet beter af geweest; er is daarom geen grond om aan te nemen dat ABN AMRO en Stack met de afsplitsing hebben beoogd de positie van Triskalion c.s. en [eiser 1] te verslechteren; ook in dat opzicht kan niet worden gezegd dat ABN AMRO/Stack haar zorgplicht niet heeft nageleefd (rov. 5.25);
(xi) Gelet op het voorgaande bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Stack aanspraak maakt op het depotbedrag (rov. 5.26);
(xii) [eisers] hebben gesteld dat ABN AMRO is gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot de hoogte van de vorderingen op de dochtervennootschappen en op welke wijze de door die vennootschappen gestelde zekerheden zijn uitgewonnen; die verplichting ligt volgens hen ook op Stack omdat de vordering op haar is overgegaan; naar aanleiding daarvan hebben Stack c.s. bij schriftelijk pleidooi de e-mail van mr. Meuleman van 16 mei 2021 overgelegd waarin is weergegeven hoe de vordering is opgebouwd en de opbrengst van de zekerheden is toegelicht; [eisers] zijn daar niet meer op ingegaan in hun reactie op het schriftelijk pleidooi; in de memorie na verwijzing hebben zij dit punt ook niet meer vermeld; het hof gaat er daarom vanuit dat dit niet meer speelt (rov. 5.30).
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding gevolgd door vier onderdelen met klachten.
Onderdeel I bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten het oordeel in rov. 5.18-5.19 waarin het hof het verweer van [eisers] dat er geen geldig afsplitsing van de vordering op Triskalion heeft plaatsgevonden, als tardief buiten beschouwing heeft gelaten.
Onderdeel II bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten het oordeel in rov. 5.22-5.26 dat Stack geen zorgplicht heeft geschonden door aanspraak te maken op het depotbedrag en dat het ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Stack aanspraak maakt op het depotbedrag.
Onderdeel III bestrijdt rov. 5.11-5.15, 5.23-5.24 en 5.30, waarin het hof heeft geoordeeld dat Stack c.s. een vorderingsrecht en hypotheekrecht hebben.
Onderdeel V bevat tot slot een voortbouwklacht.
Onderdeel I
4.2
Onderdeel I is gericht tegen rov. 5.18 en rov. 5.19, alsmede tegen rov. 2.1, 2.2, 3.9, 5.3, 5.5 en 5.6 en het dictum, waarin het hof het verweer van [eisers] dat er geen geldige afsplitsing van de vordering op Triskalion heeft plaatsgevonden vanwege een onvoldoende nauwkeurige omschrijving van deze vordering in de zin van art. 2:334f lid 2 sub b BW, als tardief buiten beschouwing heeft gelaten. Het hof heeft in rov. 5.19, waartegen dit onderdeel zich in de kern richt, geoordeeld dat dit verweer pas voor het eerst in de memorie na verwijzing is aangevoerd, terwijl [eisers] dit verweer al in de vorige instanties hadden kunnen en moeten voeren. Bovendien is volgens het hof geen sprake van een nadere onderbouwing of precisering van eerder ingenomen stellingen en gaat het ook niet om een beroep op na de vernietigde uitspraak gewijzigde feitelijke omstandigheden of feiten die zich nadien hebben voorgedaan, wat wel zou zijn toegestaan.
4.3
Het onderdeel voert aan dat het hier een procedure na verwijzing betreft waarin de betwisting dat Stack c.s. een vorderingsrecht hebben alsnog moet worden onderzocht en dat de procedure na verwijzing een voortzetting is van het debat in hoger beroep, zodat in beginsel de tweeconclusieregel van art. 347 Rv van toepassing is, maar ook art. 424 Rv. Het onderdeel klaagt in de verschillende subonderdelen dat het hof de (uitzonderingen op de) tweeconclusieregel van art. 347 Rv en art. 424 Rv heeft miskend.
Algemene opmerkingen over de tweeconclusieregel
4.4
De tweeconclusieregel houdt (in dagvaardingsprocedures) in dat grieven in beginsel niet in een later stadium dan in de memorie van grieven mogen worden aangevoerd, omdat dit volgens art. 347 lid 1 Rv het enige processtuk is dat appellant mag nemen. Op later aangevoerde grieven mag de appelrechter dus in beginsel geen acht slaan. Op deze regel zijn drie uitzonderingen aanvaard:
(i) Indien de wederpartij ondubbelzinnig heeft ingestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken;
(ii) indien onverkorte toepassing van de regel in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde; en
(iii) vanwege de bijzondere aard van de desbetreffende procedure.
4.5
De eerste twee uitzonderingen komen in het onderdeel aan bod; de derde niet. Voor uitzondering (i) geldt dat wanneer een partij tijdens het pleidooi zonder voorbehoud ingaat op een nieuwe stelling, de rechter kan (maar niet: moet) aannemen dat de uitbreiding van het debat ondubbelzinnig is aanvaard. Een ondubbelzinnige instemming hoeft niet expliciet, en kan bijvoorbeeld blijken uit gedragingen van de verweerder, zoals het zonder voorbehoud verweer voeren tegen een nieuwe grief. Bij uitzondering (ii) gaat het met name om een rechterlijke fout of apparaatsfout, of nieuwe ontwikkelingen van feitelijke of juridische aard nadat van grieven is gediend. In het Asser-deel ‘Hoger beroep’ wordt bepleit dat deze uitzondering ook opgaat in het geval sprake is van een aan verweerder toe te rekenen verkeerde voorstelling van zaken bij appellant.
4.6
In het kader van de tweeconclusieregel noem ik nog twee gevallen waarin het een partij is toegestaan om in een later stadium met nieuwe stellingen te komen. Strikt genomen zijn dit geen uitzonderingen op de tweeconclusieregel, maar wordt in deze twee gevallen niet toegekomen aan de tweeconclusieregel. De tweeconclusieregel staat er ten eerste niet aan in de weg dat een partij in een later stadium van de procedure eerdere stellingen ‘preciseert’ en dus nader onderbouwt. Wanneer daarvan sprake is valt niet in algemene zin te zeggen. Een stelling kan ten tweede ook "zo zeer in het verlengde liggen" van de grieven dat de tweeconclusieregel er niet aan in de weg staat dat die stelling later in de procedure wordt betrokken.
4.7
In de procedure na verwijzing zet de rechter naar wie het geding is verwezen, de behandeling daarvan voort en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad (art. 424 Rv). De procedure na cassatie en verwijzing is dus geen zelfstandige instantie, maar vormt de voortzetting van de instantie die voorafging aan het cassatiegeding. De behandeling wordt voortgezet in de stand waarin het geding zich bevond toen de Hoge Raad de vernietigde uitspraak deed. Voor de verwijzingsprocedure geldt dat er in beginsel geen ruimte is voor nieuwe grieven, weren, vorderingen of verzoeken. Zo mag de verwijzingsrechter geen acht slaan op een nieuw verweer dat voor het eerst (bij pleidooi) na verwijzing wordt aangevoerd en dat een partij tijdens de procedure vóór cassatie had kunnen aanvoeren. De Hoge Raad heeft met zoveel woorden de lijn die voor uitzonderingen op de tweeconclusieregel in hoger beroep geldt (zie nr. 4.4 e.v. hiervoor), doorgetrokken tot de procedure na cassatie en verwijzing, daartoe overwegend dat die procedure als een voortzetting van het geding in hoger beroep voor cassatie en verwijzing geldt.
Bespreking van de klachten
4.8
Subonderdeel I.1 klaagt dat het hof in rov. 5.19 heeft miskend dat Stack c.s. weliswaar hebben gesteld ‘dat nieuwe stellingen buiten beschouwing moeten worden gelaten’ (antwoordmemorie na verwijzing, nr. 3), maar dat dit geen betrekking had op de stellingen van [eisers] over de afsplitsing. Uit de antwoordmemorie na verwijzing, nrs. 13 t/m 19 blijkt immers dat Stack c.s. zonder enig voorbehoud op deze stellingen zijn ingegaan en daarbij deze stellingen c.q. dit verweer van [eisers] als onderdeel van het debat hebben aanvaard, aldus het subonderdeel. Eerst nadat die aanvaarding heeft plaatsgevonden, is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling alsnog bezwaar gemaakt (p-v na verwijzing, p. 4-5). Dat bezwaar is volgens het subonderdeel echter tardief, omdat dit verweer al als onderdeel van het debat was aanvaard doordat Stack c.s. er zonder expliciet bezwaar inhoudelijk op in zijn gegaan. Het hof heeft dit miskend, althans een onbegrijpelijk (gemotiveerd) oordeel gegeven.
4.9
Deze klachten slagen niet. De uitleg van processtukken is, zoals bekend, voorbehouden aan de feitenrechter en kan alleen op de (begrijpelijkheid van de) motivering worden getoetst. De rechtsklacht van het subonderdeel stuit daarop al af. Het hof heeft verder, anders dan het middel betoogt, niet in de processtukken gelezen dat Stack c.s. de betreffende grief ondubbelzinnig hebben aanvaard. Die uitleg is niet onbegrijpelijk. Stack c.s. hebben bij Memorie van Antwoord na Verwijzing in nrs. 43 e.v. uitdrukkelijk aangevoerd dat het een nieuwe grief betreft en dat deze grief te laat is aangevoerd. Vervolgens hebben Stack c.s. weliswaar nog inhoudelijk verweer gevoerd, maar ‘slechts voor het geval de rechter de grief toch toelaat’ (nr. 48 e.v.). De feitelijke weergave van de nieuwe grief van [eisers] in nrs. 13 t/m 19 doet daar niet aan af. Kortom, er is niet zonder voorbehoud verweer gevoerd door Stack c.s., zodat het oordeel dat geen sprake is van ondubbelzinnige instemming met de nieuwe grief, niet onbegrijpelijk is.
4.10
Subonderdeel I.2 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.19 sub a t/m c van een onjuiste rechtsopvatting getuigt met betrekking tot art. 347 en art. 424 Rv, althans onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend gemotiveerd. Het voert aan dat het aan Stack c.s. is om (met stukken onderbouwd) te stellen en te bewijzen dat zij een vorderingsrecht op Triskalion hebben verkregen, maar zij dat niet hebben gedaan. Het voert verder aan dat [eisers] van aanvang van de procedure af zich hebben verweerd met de stelling dat Stack nooit een vorderingsrecht heeft verkregen. Het voert bovendien aan dat op de vraag of Stack c.s. een vorderingsrecht op Triskalion hebben verkregen in deze procedure na verwijzing nog moet worden beslist.
4.11
Het subonderdeel klaagt verder dat het hof in rov. 5.18 en 5.19 heeft miskend, en ook overigens in het arrest (rov. 5.16 en 5.17 waarin het verwijzingshof Stack c.s. het niet euvel duidt dat zij niet alle stukken hebben overgelegd en in rov. 5.11 t/m 5.15 en 5.22 t/m 5.25 en het dictum), dat het, gelet op de betwisting van [eisers] zoals weergegeven in het subonderdeel onder a t/m e (al dan niet in combinatie met hetgeen het hof ten onrechte weglaat onder g), ex art. 21, art. 149 en 150 Rv op de weg van Stack c.s. had gelegen om op basis van de juiste stukken aan te tonen dat Stack een vorderingsrecht op Triskalion heeft verkregen en, zo ja, wat daarvan de hoogte is. Stack c.s. hebben dat echter nagelaten en hebben bovendien ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg de verkeerde Annex I bij Bijlage C overgelegd. Het stond [eisers] daarom vrij, anders dan het hof heeft overwogen, om haar stelling dat Stack geen vorderingsrecht heeft verkregen bij memorie na verwijzing nader uit te bouwen, met de stelling dat het vorderingsrecht op Triskalion onvoldoende nauwkeurig is omschreven in het splitsingsvoorstel. Het hof heeft miskend dat in een dergelijk geval een eerder ingenomen verweer nader kan worden ingevuld aan de hand van de inmiddels gebleken juridische werkelijkheid. Het oordeel in rov. 5.19 sub a t/m c is rechtens onjuist en onbegrijpelijk, omdat het uitgaat van een te beperkte maatstaf met betrekking tot het uitbouwen en preciseren van stellingen, althans het is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd dat en waarom er geen sprake is van een nadere precisering/onderbouwing, of van nieuwe ontwikkelingen van feitelijke aard, gelet op de stellingen van [eisers] die in het subonderdeel onder a t/m g zijn samengevat. Uit HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561 volgt dat het voortbouwen op een eerder ingenomen stelling of grief is toegestaan, mits een wederpartij daarbij niet onevenredig in de verdediging wordt geschaad. Omdat Stack c.s. op die stellingen bij antwoordmemorie na verwijzing en bij de mondelinge behandeling d. d. 16 december 2024 hebben kunnen reageren, zijn Stack c.s. niet in hun verdediging geschaad en is geen sprake van strijd met de goede procesorde.
4.12
Het subonderdeel betoogt tot slot dat sprake was van een toegestane ‘uitwerking’, ‘precisering’, dan wel ‘onderbouwing’ van [eisers]’ stelling dat Stack c.s. geen vorderingsrecht op Triskalion hebben verkregen en dat het afsplitsingsverweer van [eisers] daarmee geen strijd met de tweeconclusieregel oplevert. De vraag of stellingen zijn aan te merken als een dergelijke toegestane uitwerking/precisering van al eerder in de procedure ingenomen stellingen, dan wel als een nieuwe grief, is een feitelijke vraag. De beoordeling daarvan is overgelaten aan de feitenrechter en die vraag kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst, namelijk op begrijpelijkheid (van de motivering).
4.13
Ik merk het volgende op. In de stellingen van [eisers] in de procedure vóór verwijzing heeft het hof klaarblijkelijk geen grief gelezen dat de omschrijving van de vermogensbestanddelen niet voldoende nauwkeurig was in de zin van art. 2:234f lid 2 BW. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Weliswaar hoefde [eisers] niet het betreffende wetsartikel te noemen, maar een (feitelijk) betoog dat de afsplitsing niet voldoende nauwkeurig was, valt inderdaad ook niet in de stellingen te lezen. In de stellingen die het subonderdeel aanhaalt en samengevat weergeeft onder a t/m f lees ik dat in ieder geval niet. Het gaat om algemene stellingen dat Stack niet het vorderingsrecht heeft verkregen, althans dat dit niet voor [eisers] valt na te gaan. De enige passage waarin het gaat over ‘splitsing’ is het onder ‘e’ aangehaalde schriftelijk pleidooi, nr. 21. Daar wordt echter niets gezegd over de (nauwkeurigheid van de) omschrijving, maar wordt gesteld dat de splitsing niet is vastgelegd in een akte en er alleen een voornemen is tot splitsing. Zoals het hof in rov. 5.19 echter heeft overwogen betreft de nieuwe grief echter niet de betwisting van de geldigheid van de afsplitsing (in zijn algemeenheid), maar de betwisting om de genoemde reden, dat wil zeggen: vanwege de onvoldoende nauwkeurigheid van de beschrijving. Die reden wordt zoals gezegd nergens door [eisers] genoemd, behalve pas in de memorie na verwijzing (de stellingen in het subonderdeel onder g). In het kader van de vraag of het gaat om uitwerking van eerder ingenomen stellingen, zijn de stellingen onder g verder niet relevant, omdat die pas zijn ingenomen in de memorie na verwijzing, waarvan het hof nu juist heeft geoordeeld dat dit te laat was. Die stellingen kunnen met andere woorden wel een uitwerking/precisering zijn, maar dan moet er eerder al een stelling zijn ingenomen waarvan dat een uitwerking is. Slechts de stellingen vóór verwijzing zijn in dat kader relevant, omdat dat de stellingen zijn die later in de procedure mogen worden uitgewerkt zonder in strijd te komen met de tweeconclusieregel. Daarvan is volgens het hof hier dus geen sprake en dat oordeel is zoals gezegd niet onbegrijpelijk.
4.14
Het subonderdeel voert nog aan dat temeer moeten worden aangenomen dat het hier een toegestaan uitwerken is van stellingen vanwege de proceshouding van Stack c.s., in de zin dat zij niet (tijdig) aan hun stelplicht en bewijslast hebben voldaan, o.m. door in eerste aanleg een verkeerde bijlage over te leggen. Het hof heeft m.i. echter niet, voor zover het subonderdeel daarover klaagt, miskend dat Stack c.s. de stelplicht en de bewijslast hebben van het feit dat zij een vordering hebben op Triskalion (en de eventuele omvang daarvan). Uit het arrest blijkt integendeel dat het hof de stelplicht en bewijslast bij Stack c.s hebben gelegd. In de bestreden overweging 5.19 overweegt het hof uitdrukkelijk dat de stellingen van [eisers] een verweer betreffen, namelijk tegen Stack c.s.’ stellingen dat zij een vorderingsrecht van een bepaalde omvang op Triskalion hebben verkregen. Nog afgezien daarvan rechtvaardigt de omstandigheid dat een partij niet heeft voldaan aan de stelplicht geen uitzondering op de tweeconclusieregel. Wel kunnen nieuwe ontwikkelingen van juridische en feitelijke aard soms aanleiding geven om een nieuwe grief te formuleren. [eisers] betogen dat dit hier aan de orde is, omdat Stack c.s. in eerste aanleg een verkeerde bijlage hebben overlegd. Die uitzondering op de tweeconclusieregel komt echter nog uitgebreid hierna in subonderdeel I.3 aan bod en laat ik hier daarom rusten.
4.15
Voor zover het subonderdeel, tot slot, nog klaagt dat het hof de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel heeft miskend, slaag het ook niet. Weliswaar lag na het verwijzingsarrest nog de vraag voor of Stack c.s. een vorderingsrecht en hypotheekrecht hebben (rov. 5.2), maar een verweer dat niet eerder is ingenomen kan geen onderdeel van de rechtsstrijd na verwijzing zijn. Na verwijzing is er namelijk in beginsel geen plaats voor nieuwe weren (zie nr. 4.7 hiervoor). De devolutieve werking van het appel houdt verder in dat – binnen de grenzen die door appellant zijn getrokken – alle in eerste instantie door partijen aangevoerde stellingen – voor zover niet prijsgegeven – in hoger beroep alsnog, dan wel op nieuw moeten worden beoordeeld. De devolutieve werking gaat er anders gezegd vanuit dat een verweer al is gevoerd. Volgens het hof is dat hier niet het geval en de daar tegen gerichte klachten slagen mijns inziens niet, zodat het hof hier ook niet de devolutieve werking heeft miskend.
4.16
De klachten van het subonderdeel stuiten op het voorgaande af.
4.17
Subonderdeel I.3 klaagt dat het hof in rov. 5.18 en 5.19 heeft miskend dat er ook overigens sprake is van een uitzondering op de tweeconclusieregel van art. 347 Rv. Als een partij in de loop van de procedure in hoger beroep de ware stand van zaken op het spoor komt en in verband daarmee alsnog een grief aanvoert tegen de feitenvaststelling, is het in strijd met de goede procesorde als de verweerder zich erop beroept dat de grief tardief is aangevoerd. Het subonderdeel voert aan dat [eisers] tot na de memorie na verwijzing op het verkeerde been zijn gezet, omdat de bijlage bij de brief van 6 februari 2020 niet Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel was, maar Annex I bij Bijlage 3 bij de cessieakte. [eisers] werden hiermee pas tijdens de zitting na verwijzing geconfronteerd. Anders dan het hof heeft overwogen is er dus wel (ook) sprake van nieuwe c.q. gewijzigde feitelijke informatie en dus van een uitzondering op de ‘in beginsel strakke regel’ van art. 347 Rv en op de aanvullingsmogelijkheid ex art. 424 Rv, althans het hof had hierop in rov. 5.19 nader moeten ingaan en daarom is het oordeel ontoereikend gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk. Het subonderdeel voert aan dat [eisers] ook een beroep op deze uitzondering op de tweeconclusieregel hebben gedaan (primair als het ‘op het verkeerde been zetten van de wederpartij’, subsidiair op een nieuwe feitelijke ontwikkeling). Het subonderdeel klaagt dat het hof in elk geval dit beroep had moeten behandelen, maar dat niet (voldoende) kenbaar heeft gedaan.
4.18
Het subonderdeel doet een beroep op nieuwe feitelijke ontwikkelingen die een nieuwe grief zouden rechtvaardigen. Het doet in dat kader ook een beroep op een in ‘de Asser’ bepleite – maar verder (nog) niet in de literatuur bepleite of in de rechtspraak aanvaarde – ‘voor de hand liggende’ uitzondering op de tweeconclusieregel, namelijk het geval dat de appellant in een onjuiste veronderstelling over de feiten verkeert op grond van omstandigheden die aan de verweerder moeten worden toegerekend en daarom geen grief heeft aangevoerd tegen hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld. Als de appellant dan in de loop van de appelprocedure de ware stand van zaken op het spoor komt en in verband daarmee alsnog een grief aanvoert tegen die feitenvaststelling, zou het in strijd zijn met een goede procesorde als verweerder zich erop zou beroepen dat de grief tardief is aangevoerd.
4.19
Een dergelijk uitzonderingsgeval doet zich hier echter niet voor. Eenvoudigweg omdat [eisers] hun – voor het eerst in de memorie na verwijzing aangevoerde – nieuwe, tardieve grief hebben gebaseerd op informatie die al in eerste aanleg aanwezig was, zoals het hof ook heeft overwogen in rov. 5.19, en dus niet op feiten die in de loop van de procedure in hoger beroep pas bekend werden. De vergissing met betrekking tot bijlage C bij Annex I werd namelijk pas bekend (kort voor) de mondelinge behandeling na verwijzing, dus nadat de nieuwe grief al was aangevoerd. Bovendien was de in eerste aanleg overgelegde productie de juiste Annex I bij Bijlage C, waaruit voor [eisers] al duidelijk was dat de naam ‘Triskalion’ niet werd vermeld, maar alleen het BCDB-nummer. Dat blijkt ook uit het feit dat de nieuwe grief nu juist gebaseerd is op het feit dat alleen een (intern) BCDB-nummer in Annex I bij Bijlage C wordt genoemd, en niet de naam ‘Triskalion’. Kortom, er is, anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, geen verband tussen de nieuwe, tardieve grief en de vergissing met betrekking tot Annex I bij Bijlage C, terwijl voor het opgaan van de uitzondering op de tweeconclusieregel waarop het subonderdeel een beroep doet, wel vereist is dat de nieuwe grief verband houdt met pas later (dus na de memorie van grieven) bekend geworden informatie. Het oordeel van het hof getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook goed te volgen.
4.20
Subonderdeel I.4 klaagt dat het hof in rov. 5.19 uitgaat van een onjuiste, want te zware, maatstaf ten aanzien van art. 347 Rv en/of art. 424 Rv, dan wel dat het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd is, omdat:
- het hof heeft miskend dat deze regel onverlet laat dat op basis van een juist feitencomplex recht moet worden gedaan, waarbij het op de weg van Stack c.s. lag om ex art. 21 Rv tijdig (dat wil zeggen bij mondelinge behandeling in eerste aanleg) de juiste Annex I bij Bijlage C over te leggen;
- het hof heeft miskend dat Stack c.s. toen juist de verkeerde bijlage hebben overgelegd, waarop niet alleen een nummer te zien is maar ook daarachter de naam ‘Triskalion’ staat, zodat de indruk wordt gewekt dat het BCDB-nummer [001] dus wordt toegelicht met de naam van de B.V. die de lening zou aangaan;
- naar de aard het een verschil maakt in het kader van de kenbaarheid naar derden bij de splitsing of er alleen een nummer staat of ook de naam van de betrokken vennootschap die het zou betreffen;
- [eisers] er uiteindelijk pas in een laat stadium achter zijn gekomen dat er in de echte Annex I bij bijlage C alleen een BCDB-nummer stond, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat zij eerst na de vernietiging en verwijzing bij memorie na verwijzing in onderhavige procedure hun stellingen daarop hebben aangepast; althans had het hof in elk geval moeten responderen op het beroep dat mr. Schelvis ter zitting heeft gedaan en moeten motiveren dat en waarom dit niet onder de uitzondering van de tweeconclusieregel zou vallen.
4.21
Ik zie de klachten van dit onderdeel ook niet slagen. Het middel gaat ten onrechte uit van de aanname dat het hof niet op basis van een ‘juist feitencomplex’ heeft beslist. Dat mist echter feitelijke grondslag omdat, zoals hiervoor uiteen is gezet, de grief was gebaseerd op informatie die al in eerste aanleg aanwezig was, zodat het hof terecht en niet onbegrijpelijk in rov. 5.19 heeft kunnen oordelen dat als [eisers] de geldigheid van de afsplitsing wilden betwisten vanwege een onnauwkeurige omschrijving van de af te splitsen vermogensbestanddelen, zij dat “in de vorige instanties [hadden] kunnen en moeten doen”. Het hof heeft deze grief daarom terecht buiten beschouwing gelaten. Het onderdeel is verder een herhaling van zetten van de subonderdelen hiervoor en ik verwijs hier daarom naar de bespreking van die subonderdelen.
4.22
Subonderdeel I.5 klaagt dat het slagen van één of meer van bovengenoemde klachten maakt dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de vermeende vordering van ABN AMRO op Triskalion rechtsgeldig is afgesplitst naar Stack, zodat dit ook onder meer rov. 2.2, 3.9, 5.5, 5.3, 5.6, 5.20 t/m 5.26, 5.34 en 5.35 en het dictum vitiëert.
4.23
Deze voortbouwklacht faalt in het voetspoor van de vorige klachten.
4.24
De klachten van onderdeel I slagen niet.
Onderdeel II
4.25
Onderdeel II is gericht tegen rov. 5.22 t/m 5.26, waarin het hof heeft geoordeeld dat Stack c.s. niet hun zorgplicht hebben geschonden en het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Stack aanspraak maakt op het depotbedrag. Het onderdeel klaagt dat rov. 5.22 t/m 5.26 getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn. Het onderdeel klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk (gemotiveerd) is omdat het hof in de aangevallen overwegingen en ook overigens in het arrest niet inhoudelijk grief IV, althans nrs. 52 t/m 65 van de memorie van grieven heeft behandeld, namelijk dat de oorzaak van de faillissementen is gelegen in de renteswaps en het niet tijdig nemen door ABN AMRO van passende maatregelen om schade voor en deconfiture van Triskalion, gelieerde vennootschappen en [eiser 1] te voorkomen. Deze klachten worden in het onderdeel eerst toegelicht en vervolgens uitgewerkt in verschillende klachten.
4.26
Voorafgaand aan de klachten wordt in het middel het volgende vooropgesteld:
(i) In het geval van een geldige afsplitsing van ABN AMRO naar Stack en in het geval ABN AMRO nog een vordering op Triskalion zou hebben gehad, moeten [eisers] dezelfde verweren kunnen aanvoeren jegens de rechtsopvolgers (onder algemene titel) als tegen de oorspronkelijke schuldeiser (art. 6:145 BW).
(ii) De rechtbank heeft de zaak afgedaan op de vaststellingsovereenkomst met betrekking tot het depotbedrag en heeft onbehandeld gelaten wat in eerste aanleg is gesteld door [eisers] over het handelen van ABN AMRO.
(iii) Onder a t/m y worden stellingen weergegeven die [eisers] in eerste aanleg en hoger beroep hebben ingenomen. Volgens subonderdeel II.1 blijkt daaruit het volgende:
a. het ontstaan van de hypothecaire leningen (sub a en b);
b. het feit dat Fortis (dat volgens Stack c.s. een rechtsvoorganger van ABN AMRO is) dwingend heeft voorgeschreven dat er renteswaps diende te worden afgesloten (sub e en g);
c. dat [eiser 1] namens de betrokken vennootschappen daaraan gevolg heeft gegeven (sub e t/m g);
d. dat [eiser 1] niet (naar behoren) is voorgelicht over de financiële gevolgen (sub f);
e. dat hij toen hij op de hoogte werd gebracht van die consequenties de nietigheid heeft ingeroepen van die swapovereenkomsten (sub h en i);
f. dat als gevolg daarvan eenzijdig € 904.085,= is afgeschreven (sub j);
g. en dat ABN AMRO op 3 november 2011 de financiering heeft opgezegd (sub x).
h. [eisers] hebben onderbouwd gesteld dat de faillissementen onnodig zijn geweest (sub w en y);
i. en dat ABN AMRO destijds maatregelen had moeten nemen in verband met de renteswaps en niet 7 jaar later (sub y).
j. De schade van [eisers] loopt in de miljoenen euro’s (sub w).
4.27
Subonderdeel II.1 betoogt dat uit hiervoor samengevatte stellingen volgt, althans daarin besloten ligt, dat het faillissement van de vennootschappen en van [eiser 1] zelf niet alleen onnodig waren indien ABN AMRO tijdig had gehandeld en zij bovendien zijn veroorzaakt door ABN AMRO en haar gestelde voorganger Fortis die aan de vennootschappen van [eiser 1] een financieel product hebben opgedrongen, waarvan het inmiddels een feit van algemene bekendheid is dat dit ondernemers veel schade heeft toegebracht en waarvoor ook in deze zaak een bedrag van zo’n € 1,5 miljoen is uitgekeerd. Daarmee staat de onrechtmatigheid van het product vast. Door dit vervolgens niet in één hand te houden, maar af te splitsen kan dus geen verrekening plaatsvinden (ook niet met de schade die ABN AMRO heeft toegebracht aan Triskalion en aan [eisers]). Daarbij is het ook een feit van algemene bekendheid dat faillissementen en gedwongen verkoop schade toebrengen.
4.28
In dat kader hebben [eisers] een beroep gedaan op analoge toepassing van art 6:145 BW (zie II.0, sub r en s) te weten dat bij overgang van een vordering zij tegenover de verkrijger dezelfde weren mogen voeren als tegenover de oorspronkelijke schuldeiser. Het hof laat dit beroep onbesproken, zodat de uitspraak niet toereikend is gemotiveerd. Dit is ook het geval omdat de in het kader van grief 4 aangevoerde argumenten niet zijn terug te vinden in rov 5.22. Het verwijzingshof had dus ook de stellingen moeten behandelen, zoals II.0, sub c t/m o, te weten dat Fortis de renteswaps dwingend had voorgeschreven, ABN AMRO eenzijdig een zodanig bedrag van de rekening afschreef dat daarmee de kredietruimte op was en ook niet bereid was tijdig het e.e.a. ongedaan te maken, zodat dit tot een reeks van faillissementen leidde. Dat betekent dat het dus niet uitsluitend gaat om een zorgplicht ten tijde van de depotovereenkomst, maar ook al in 2011. Het hof laat dit beroep (en daarmee grief 4, nrs. 52 t/m 65) onbesproken en oordeelt in rov. 5.22 t/m 5.26 slechts dat als de afsplitsing niet had plaatsgevonden, ABN AMRO haar bevoegdheden op grond van het hypotheekrecht kan uitoefenen, ook als de verrekening was toegepast die volgens [eisers] had moeten plaatsvinden (zie rov. 5.14) en dat Triskalion c.s. en [eiser 1] dan niet beter af waren geweest. Dat oordeel is dus in het licht van de stellingen sub c t/m o onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
4.29
Dat zelfde geldt voor het daaropvolgende oordeel van het hof dat er daarom ook geen grond is om aan te nemen dat ABN AMRO en Stack met de afsplitsing hebben beoogd de positie van Triskalion c.s. en [eiser 1] te verslechteren en dat ook in dat opzicht dus niet kan worden gezegd dat ABN AMRO/Stack haar zorgplicht niet heeft nageleefd (rov. 5.25). Dit oordeel is in het licht van de stellingen sub c t/m o onbegrijpelijk, althans dit oordeel is zonder nadere toelichting niet toereikend gemotiveerd. Immers, [eisers] hebben aldus onmiskenbaar aangevoerd dat (1) ABN AMRO destijds al had moeten compenseren (de ‘route Deelstra’), (2) dat heeft nagelaten en (3) daardoor de faillissementen zijn ontstaan. Zie daarover ook de stellingen sub u t/m y die het hof evenzeer goeddeels onbesproken laat. Ook daarom is het oordeel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
4.30
Zie ik het goed – het subonderdeel is vrij lastig te volgen – dan bevat het subonderdeel drie motiveringsklachten, die ik hierna achtereenvolgens bespreek. Ik begin echter met vast te stellen dat voor al deze klachten geldt dat het middel niet duidelijk maakt waarom het oordeel in het licht van de aangevoerde stellingen onbegrijpelijk zou zijn. Het subonderdeel herhaalt voortdurend (veel) stellingen die zijn ingenomen, maar licht niet toe waarom die het gegeven oordeel onbegrijpelijk maken. Alleen daarom al falen de klachten. De klachten falen daarnaast om de volgende redenen.
4.31
Het subonderdeel klaagt ten eerste dat het oordeel niet toereikend is gemotiveerd omdat het hof niet [eiser 1]’ beroep op analoge toepassing van art. 6:145 BW heeft besproken. Dat beroep heeft [eisers] gedaan in de memorie van grieven, nrs. 117 en 118, waar zij hebben betoogd dat zij, als derdenhypotheekhouder, in een slechtere positie komen te verkeren omdat ABN AMRO niet de schuld van Triskalion c.s. heeft verrekend met de vordering van Triskalion c.s. in verband met de renteswaps (zie II.0, de stellingen sub r en s). Volgens [eisers] komt hun ook een beroep op verrekening toe op grond van analoge toepassing van art. 6:145 BW, dat bepaalt dat de overgang van een vordering de verweermiddelen van een schuldenaar onverlet laat.
4.32
De klacht mist feitelijke grondslag omdat het hof dit beroep wél heeft meegenomen in zijn beoordeling. Het beroep op analoge toepassing van art. 6:145 BW hebben [eisers] gedaan met het oog op het beroep op verrekening dat Triskalion c.s. volgens hen had kunnen doen. Het hof heeft in rov. 5.14 geoordeeld dat ‘daargelaten dat geen verrekening heeft plaatsgevonden’, niet valt in te zien dat ABN AMRO per saldo geen vordering meer op Triskalion c.s. zou hebben gehad, gelet op de hoogte van de vorderingen van de bank. Daarin ligt besloten dat ook al zou het beroep op verrekening opgaan, [eisers] daar nog geen baat bij hebben omdat (eerst de bank, en nu) Stack c.s. nog steeds meer hebben te vorderen. Het hof heeft dus veronderstellenderwijs aangenomen dat [eisers] jegens Stack c.s. (onder analoge toepassing van art. 6:145 BW) een beroep kunnen doen op verrekening, en geoordeeld dat in die situatie Stack c.s. nog steeds een vordering hadden gehad op Triskalion c.s. die het in het depot gestorte bedrag ‘ruim oversteeg’ (ro. 5.14). Het hof heeft kortom het beroep op art. 6:145 BW meegenomen in zijn beoordeling, namelijk in rov. 5.14, waarnaar het hof ook terugverwijst in rov. 5.25. Dat oordeel is goed te volgen.
4.33
Het subonderdeel klaagt verder dat het oordeel onbegrijpelijk is in het licht van grief 4, waarvan de relevante stellingen zijn weergegeven in het subonderdeel sub c t/m o (het betreft een weergave van de memorie van grieven, nrs. 44, 52 t/m 65). Grief 4 heeft echter betrekking op het verweer van [eisers] dat Stack geen vorderingsrecht heeft (zie het opschrift boven de memorie van grieven, nr. 48), welk verweer wordt uitgewerkt in nrs. 52 t/m 80, onder het opschrift ‘§ 4.2 Geen vordering van Stack NewCo.’. De stellingen waar het subonderdeel een beroep op doet zijn dus niet aangevoerd in de context van het beroep op de schending van een zorgplicht door Stack en het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (dat staat in memorie van grieven, nrs. 110 t/m 119 en betreft grief 7) ingenomen, maar in een geheel andere context. Alleen daarom al hoefde het hof die stellingen niet in rov. 5.22 t/m 5.26 te behandelen en faalt de klacht. Afgezien daarvan maken de stellingen die in het kader van grief 4 zijn ingenomen het oordeel ook niet onbegrijpelijk. Kennelijk betoogt het subonderdeel dat sprake was van een zorgplichtschending van ABN AMRO, dan wel van Stack c.s., niet alleen ten tijde van de depotovereenkomst, maar ook al eerder, namelijk in 2011 (“Dat betekent dat het dus niet uitsluitend gaat om een zorgplicht ten tijde van de depotovereenkomst, maar ook al in 2011.”). In 2011 zijn de renteswapovereenkomsten aangegaan waarmee de bank zorgplicht zou hebben geschonden. Zoals gezegd is dat echter niet aangevoerd in het kader van het beroep op een zorgplichtschending en bovendien heeft het hof dit ook in zijn oordeel meegenomen, omdat het in rov. 5.14 heeft geoordeeld dat ‘uit de stellingen over de rentederivatenkwestie’ niet volgt dat de bank geen vordering op Triskalion meer had, en dat de betaling uit hoofde van het Uniform Herstelkader Rentederivaten “aangenomen moet worden dat daarmee de schade is vergoed die Triskalion heeft geleden als gevolg van de destijds afgesloten renteswap (inclusief rente)”. Kortom, die zorgplichtschending in 2011 en de daardoor geleden schade is al vergoed en dan nog steeds heeft de bank (en inmiddels Stack c.s.) meer te vorderen. Zie rov. 5.14 waar het hof ook naar verwijst in rov. 5.25.
4.34
Het subonderdeel klaagt tot slot ook nog dat rov. 5.25 onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is in het licht van de stellingen sub c t/m o. Ook hier geldt dat het betoog van [eisers] door het hof is meegenomen in de beoordeling, namelijk in de context waarin [eiser 1] c.s het hebben aangevoerd, en dat het hof deze stellingen niet hoefde te beoordelen in de context van de zorgplicht en derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid waar deze stellingen niet zijn aangevoerd. Nog afgezien daarvan maken de stellingen die het subonderdeel aanvoert ook niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.25 heeft geoordeeld dat er geen grond is om aan te nemen dat Stack c.s. hebben beoogd de positie van Triskalion c.s. te verslechteren door de afsplitsing. Terloops (bijvoorbeeld in de voetnoot die op p. 20-21 van de procesinleiding wordt geciteerd, waar het subonderdeel blijkbaar veel gewicht aan toekent) hebben [eiser 1] c.s nog een enkele maal opgemerkt dat de renteswapproducten tot de faillissementen hebben geleid, maar aan die stellingen hebben zij verder geen rechtsgevolg verbonden. Het betoog is nu juist dat de zorgplichtschending ligt in het feit dat de bank niet heeft verrekend, maar de vordering op Triskalion c.s. heeft afgesplitst naar Stack en daarmee verrekening door Triskalion c.s. heeft proberen te voorkomen, dan wel dat de zorgplichtschending ligt in het aanspraak maken op het depotbedrag. Het hof hoefde in dat kader niet in te gaan op terloops (in een voetnoot) ingenomen en niet uitgewerkte stellingen over de oorzaak van de faillissementen. Het oordeel is dus niet onbegrijpelijk.
4.35
Op het voorgaande stuiten de klachten af.
4.36
Subonderdeel II.2 klaagt dat hof in rov. 5.22 t/m 5.26 heeft miskend, althans onbesproken heeft gelaten dat de zorgplicht zoals aangekaart in de MvG, nrs. 113 t/m 119 (II.0, sub p t/m t) en uitgebouwd in II.0, sub u t/m y) (ook) ziet op de handelwijze van ABN AMRO als (gestelde) rechtsvoorganger van Stack als geheel, zodat het hof daarbij ook de stellingen in II.0, sub a t/m o en u t/m y had moeten betrekken. Het hof heeft dit hetzij nagelaten, hetzij heeft het zijn oordeel op dit punt ontoereikend gemotiveerd. In het bijzonder volgt uit de memorie van grieven, nrs. 115 t/m 119 met een beroep op de analoge toepassing van art 6:145 BW (zie onderdeel II.1), dat [eisers] stellen dat zij dezelfde verweren die zij jegens ABN AMRO geldend kunnen maken ook jegens Stack moeten kunnen aanvoeren. Daarin ligt niet alleen besloten dat ABN AMRO al veel eerder had moeten verrekenen, maar ook dat zij verantwoordelijk is voor de gevolgen van het gehele renteswapdebacle.
4.37
Het subonderdeel klaagt verder dat het hof eraan voorbij heeft gezien, althans onbesproken heeft gelaten, dat ABN AMRO als bank al ten tijde van het aangaan van de renteswaps een zorgplicht had, maar zeker toen de consequenties daarvan duidelijk werden. Uit bovengenoemde stellingen volgt dat het besef er wel was (getuige de brief van mw. Deelstra, zie II.0, sub c, j, m, n en u), maar dat ABN AMRO niet bereid was om destijds tot een werkbare oplossing te komen (zie bijvoorbeeld sub l en m) en dat dit vervolgens heeft geleid tot een reeks faillissementen en executoriale verkopen in een op dat moment slechte vastgoedmarkt. Vervolgens wordt zeven jaar later, in 2019 als het kalf verdronken is, alsnog een vergoeding van zo’n € 1,5 miljoen aan schadevergoeding betaald en dan ook nog op een zodanige wijze via een vestzak-broekzakconstructie, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien het aandeel van ABN AMRO hierin geen rol speelt of kan spelen. En dan is dat niet beperkt tot de mogelijkheid om (eerst) na zeven jaar te verrekenen. Althans het hof had zijn oordeel op dit punt beter moeten motiveren.
4.38
Dit subonderdeel lijkt mij (grotendeels) een herhaling van het vorige subonderdeel. Kennelijk beoogt het dat het hof bij de beoordeling of Stack c.s. hun zorgplicht hebben geschonden, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar hebben gehandeld, al het handelen van ABN AMRO, als rechtsvoorganger van Stack, had moeten meenemen in de beoordeling (‘als geheel’). Dus niet alleen het beroep op verrekening, maar ‘het gehele renteswapdebacle’, waaronder de zorgplicht van ABN AMRO ten tijde van het aangaan van de renteswaps. Zoals gezegd heeft het hof dat meegenomen in zijn beoordeling, namelijk in rov. 5.14, waarin het ingaat op de ‘stellingen van [eisers] over de rentederivatenkwestie’, en waarnaar het hof terugverwijst in rov. 5.25. De klachten missen zo bezien feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof is verder niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd in het licht van wat het subonderdeel aanvoert.
4.39
De klachten van onderdeel II slagen niet.
Onderdeel III
4.40
Onderdeel III is gericht tegen rov. 5.11 t/m 5.15, 5.23 t/m 5.24 en 5.30. In rov. 5.11 t/m 5.15 heeft het hof het verweer van [eisers] beoordeeld dat er geen sprake meer was van een vordering van ABN AMRO en dat het hypotheekrecht daarmee (als afhankelijk recht) van rechtswege is vervallen, zodat Stack c.s. ook geen (door een hypotheek verzekerde) vordering hebben. Dat verweer heeft het hof verworpen. In rov. 5.23 t/m 5.24 heeft het hof daarop verder gebouwd bij zijn oordeel dat Stack c.s. hun zorgplicht niet hebben geschonden, en niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar hebben gehandeld door aanspraak te maken op het depotbedrag. In rov. 5.30 heeft het tot slot geoordeeld dat (na verwijzing) ‘niet meer speelt’ dat Stack c.s. rekening en verantwoording moeten afleggen over de hoogte van de vermeende vorderingen op de dochtervennootschappen en op welke wijze de door die vennootschappen gestelde zekerheden zijn uitgewonnen.
4.41
Subonderdelen III.1 t/m III.3 bestrijden met verschillende rechts- en motiveringsklachten rov. 5.14 en kunnen gezamenlijk worden behandeld. Rov. 5.14 luidt als volgt (de indeling in vetgedrukte letters is overgenomen uit de procesinleiding):
“[a] Uit de stellingen van [eisers] over de rentederivatenkwestie volgt verder ook niet dat de bank geen vordering op Triskalion meer had. [b] Zoals [eisers] stellen, heeft ABN AMRO in 2020 uit hoofde van het Uniform Herstelkader Rentederivaten een vergoeding van 6 1.532.879,08 betaald aan de boedel van Triskalion. [c] Aangenomen moet worden dat daarmee de schade is vergoed die Triskalion heeft geleden als gevolg van de destijds afgesloten renteswap (inclusief rente). [d] Daargelaten dat geen verrekening heeft plaatsgevonden, valt niet in te zien dat ABN AMRO per saldo geen vordering op Triskalion c.s. meer zou hebben gehad, gelet op de hoogte van de vorderingen van de bank. [e] Hetzelfde geldt voor de - door Stack c.s. overigens betwiste - stelling van [eisers] dat de bank al in 2010, 2011 of 2012 heeft toegezegd een bedrag van circa € 900.000 te betalen. [f] Ook als dat het geval is geweest, valt niet aan te nemen dat de bank in geval van verrekening geen vordering op Triskalion c.s. meer zou hebben gehad die het in depot gestorte bedrag van € 416.981,71 ruim oversteeg.”
4.42
De subonderdelen III.1 t/m III.3 klagen dat deze oordelen rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd zijn in het licht van de stellingen die zijn aangevoerd in subonderdeel II.0. Deze stellingen, die ongeveer zes pagina’s beslaan, houden in essentie het volgende in. Voor de (continuering van de) financiering van Triskalion en de gelieerde vennootschappen vereiste (de rechtsvoorganger van) ABN AMRO dat deze vennootschappen renteswapovereenkomsten aangingen; de renteswaps waren gebrekkige producten en Triskalion c.s. hebben deze overeenkomsten wegens dwaling vernietigd; de bank heeft vervolgens € 904.085,- afgeschreven in verband met de afkoop van de renteswap, waardoor de kredietruimte is overschreden en de kredietovereenkomsten door de bank zijn opgezegd; als de renteswapovereenkomsten niet waren aangegaan, dan wel ABN AMRO Triskalion c.s. tijdig hadden gecompenseerd voor de schade ten gevolge van de renteswaps, dan hoefde het krediet niet door ABN AMRO te worden opgezegd en dan hadden er geen faillissementen en geen executieverkopen hoeven plaatsvinden; de faillissementen en de daaropvolgende uitwinning van de zekerheden hebben Triskalion c.s. – en uiteindelijk ook [eisers] – miljoenen euro’s schade toegebracht.
4.43
De klachten van genoemde subonderdelen slagen niet. Het hof heeft deze stellingen beoordeeld en verworpen, en dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ik licht dat toe.
4.44
Allereerst heeft het hof in rov. 5.13 geoordeeld dat ABN AMRO vóór de overgang van de vordering naar Stack een vordering op Triskalion had van € 1.638.921,79 en dat is nog exclusief het buiten incasso gesteld bedrag van € 3.000.000, dat Triskalion nog steeds verschuldigd was. In dezelfde rechtsoverweging heeft het hof geoordeeld dat dit bevestigt dat er wel degelijk op het moment van aangaan van de depotovereenkomst (4 juli 2017) nog een vordering van de bank, respectievelijk van 27 juni van Stack c.s., op Triskalion bestond die het in het depot gestorte bedrag van € 416.981,71 ruim oversteeg. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.14 geoordeeld dat uit de stellingen van [eisers] over ‘de rentederivatenkwestie’ niet volgt dat de bank geen vordering meer had op Triskalion. Kort gezegd, omdat zelfs als veronderstellenderwijs (dat volgt uit het feit dat het hof heeft vastgesteld dat er geen verrekening heeft plaatsgevonden) van verrekening van de vordering van Triskalion op ABN AMRO wordt uitgegaan, de bank ook dan een vordering op Triskalion c.s. zou hebben gehad die het depotbedrag ruim oversteeg.
4.45
In wat het hof omschrijft als de ‘rentenderivatenkwestie’ zijn alle stellingen van [eisers] die de subonderdelen aanvoeren beoordeeld en verworpen. De klacht van subonderdeel III.1 dat rov. 5.14 sub a onbegrijpelijk is, omdat zonder de ‘rentederivatenkwestie’ Triskalion c.s. nooit zouden zijn gefailleerd en er dus helemaal niets te vorderen viel van Triskalion c.s., faalt. Allereerst hebben [eisers] niet nader onderbouwd en slechts terloops af en toe in de processtukken opgemerkt dat Triskalion c.s. niet zouden zijn gefailleerd zonder de rentederivatenkwestie en dat zij daar miljoenen euro’s schade door hebben geleden. Dat maakt al dat het hof niet (uitgebreid gemotiveerd) op deze stellingen hoefde in te gaan. Bovendien volgt zelfs uit een (hypothetische) situatie zonder faillissement van Triskalion c.s. niet dat de bank niets meer te vorderen had van Triskalion c.s. Integendeel, ook dan had de bank een vordering en een tot zekerheid daarvan strekkend hypotheekrecht dat het mocht uitoefenen, zo ligt in het oordeel van het hof besloten. Ook in dat geval gaat de redenering van het hof met andere woorden op, zodat de aangevoerde stellingen het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk maken.
4.46
De klacht van subonderdeel III.2 dat het hof met zijn oordeel in rov. 5.14 sub c buiten het partijdebat is getreden, slaagt ook niet. De schade die Triskalion c.s. hebben geleden door de ‘rentederivatenkwestie’ was onderdeel van het partijdebat. Het subonderdeel doet nota bene namelijk zelf ook beroep op stellingen over de schade. Voor zover het subonderdeel klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat [eisers] hebben gesteld dat ‘veel meer schade’ was geleden, kan het evenmin slagen. Zij hebben namelijk niet concreet gemaakt, laat staan onderbouwd, hoeveel schade is geleden, behalve het bedrag van € 1.532.879,08 dat is uitgekeerd aan de boedel van Triskalion door ABN AMRO in 2020 op grond van het Uniform Herstelkader Rentederivaten. Het ligt dan voor de hand, en het hofoordeel is dus niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering, dat het hof van dat enige concrete en onderbouwde schadebedrag is uitgegaan.
4.47
De rechtsklachten van subonderdeel III.3 zijn niet (voldoende) toegelicht. Ik zie ook niet in hoe het hof art. 149 Rv zou hebben miskend. Hierbij is van belang dat stelplicht en bewijslast van het vermeende onrechtmatig handelen van ABN AMRO in de ‘rentederivatenkwestie’ en de schade die Triskalion c.s. (en in het verlengde daarvan [eisers]) hebben geleden, op [eisers] rustte. Verder volg ik niet dat volgens het subonderdeel de in rov. 5.14 sub d en e genoemde stellingen enerzijds ‘als hypothetisch feitelijke grondslag hebben te gelden’ en anderzijds rechtens onjuist en onbegrijpelijk zijn. Voor zover het subonderdeel opnieuw klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat zonder de rentederivatenkwestie Triskalion c.s. niet zouden zijn gefailleerd, faalt het ook. Zoals gezegd is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, omdat ook in dat (hypothetische) geval niet valt in te zien dat de bank geen vordering had die het depotbedrag ‘ruim oversteeg’. Daarbij is verder ook van belang dat Stack c.s. onderbouwd hebben betwist dat de renteswap, althans de afkoop daarvan (namelijk de eenzijdige afschrijving van het bedrag van circa € 900.000 door ABN AMRO), tot de financiële problemen van Triskalion hebben geleid (tot de opzegging van het krediet).
4.48
Kortom, de klachten van subonderdelen III.1 t/m III.3 falen.
4.49
Subonderdeel III.4 klaagt dat het hof in rov. 5.11 t/m 5.15, 5.22 t/m 5.25 en 5.30 heeft miskend dat op Stack c.s. de stelplicht en bewijslast rusten van (1) het feit dat zij op 4 juli 2017 een vordering op Triskalion hadden en (2) de hoogte van die vordering, omdat zij zich op het rechtsgevolg beroepen dat het depot aan hen toekomt. Het subonderdeel klaagt verder dat het hof in de bestreden overwegingen heeft miskend dat uit de stellingen van Stack c.s. volgt dat de vordering op Triskalion medio 2017 lager was dan de compensatie die ABN AMRO aan Triskalion verschuldigd was, zodat executie onnodig was en dus in strijd met de zorgplicht. Vervolgens volgt in het subonderdeel een ‘toelichting en verdere uitwerking’ van deze klachten onder de nummers 1 t/m 13. Het betreft een weergave van het partijdebat, met verwijzingen naar de processtukken, met andere woorden wat Stack c.s. hebben gesteld en onderbouwd met betrekking tot de vordering op Triskalion, en wat [eisers] hebben betwist. Ik verwijs kortheidshalve naar de procesinleiding, p. 25-29, waar betreffende paragrafen zijn opgenomen.
4.50
De klachten slagen niet. Ik licht dat toe.
4.51
Het subonderdeel klaagt op verschillende manieren dat het hof heeft miskend dat stelplicht en bewijslast van de (hoogte van de) vordering op Triskalion op Stack c.s. rusten. Die klachten missen feitelijke grondslag. Ik lees nergens in de bestreden overwegingen, dan wel ergens anders in het bestreden arrest, dat het hof de stelplicht en bewijslast van het bestaan en omvang van de vordering bij [eisers] zou hebben gelegd, en niet bij Stack c.s. Uit de bestreden overwegingen blijkt integendeel dat het hof op basis van een beoordeling van de over en weer door partijen aangevoerde stellingen heeft geoordeeld dat er op het moment van het aangaan van de depotovereenkomst (4 juli 2017) nog een vordering van de bank was op Triskalion (rov. 5.13) en dat de ‘rentenderivatenkwestie’ niet maakt dat de bank geen vordering meer had (rov. 5.14), zodat het standpunt van [eisers] dat het hypotheekrecht is vervallen omdat geen sprake meer was van een vordering van ABN AMRO, niet opgaat (rov. 5.15). In die beoordeling ligt een verwerping besloten van de stellingen van [eisers] die het subonderdeel aanvoert. Het feit dat het verweer van [eisers] tegen de aanspraak die Stack c.s. maken op het depotbedrag niet is geslaagd, maakt niet dat het hof de stelplicht- en bewijslastverdeling heeft miskend, dan wel dat het oordeel onbegrijpelijk of ontoereikend zou zijn gemotiveerd. Het subonderdeel maakt overigens ook niet duidelijk waaruit dat zou blijken. Het enkele weergeven (dus: herhalen) van stellingen van [eisers] die door het hof in de bestreden rechtsoverwegingen zijn verworpen, is niet voldoende. Dat brengt mij bij het tweede punt.
4.52
In feite wordt geprobeerd het debat over de (hoogte van de) vordering op Triskalion ten tijde van het aangaan van de depotovereenkomst in cassatie nog eens over te doen. Het subonderdeel stuurt kortom aan op een herbeoordeling van de feiten. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats, omdat die beoordeling is voorbehouden aan de feitenrechter. Het oordeel van de feitenrechter kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst, namelijk op begrijpelijkheid (van de motivering). De drempel voor het slagen van een motiveringsklachten is daarbij hoog: zelfs als een andere uitleg van stellingen, processtukken, producties, getuigenverklaringen en dergelijke ook, of zelfs beter, verdedigbaar is, is dat niet voldoende voor cassatie van de uitspraak.
4.53
Op grond van het voorgaande falen m.i. de klachten van het subonderdeel reeds. Ik zal hierna voor de volledigheid nog kort ingaan op de verschillende klachten die zijn geformuleerd in het subonderdeel onder 1 t/m 13 en waarmee [eisers] in wezen het debat in feitelijke aanleg herhalen.
- Ad (1). De hier genoemde stellingen van [eisers] zijn door het hof meegenomen en verworpen. Het hof is verder niet uitgegaan van de kredietruimte. Die kredietruimte heeft het weliswaar weergegeven in rov. 5.12, maar uit het vervolg blijkt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of er een vordering van de bank was, is uitgegaan van de vordering die ABN AMRO daadwerkelijk op Triskalion c.s. had. Het hof heeft verder de afboeking van ruim € 900.000 ter zake van het rentederivaat en het positieve banksaldo van Triskalion per 30 november 2016 meegenomen in zijn beoordeling. Beide stellingen zijn verworpen, omdat de rentederivaatkwestie niet maakt dat de bank geen vordering meer had die het depotbedrag ‘ruim oversteeg’ (rov. 5.14) en het positieve banksaldo wordt verklaard door een administratief buiten incasso stellen door de bank van verschillende bedragen en [eisers] geen feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de bank afstand van haar vordering tot deze bedragen heeft gedaan, bovendien kwamen de schulden (debetsaldi) van de andere vennootschappen waarvoor Triskalion hoofdelijke aansprakelijk was daar nog bij (rov. 5.13).
- Ad (2). Ook de hier aangehaalde stellingen zijn door het hof verworpen in rov. 5.12 t/m 5.15. Het hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat bij het aangaan van de depotovereenkomst de bank nog steeds een vordering had. Het feit dat Stack c.s. in haar correspondentie en processtukken andere (aanzienlijk lagere) bedragen heeft genoemd, doet daar niet aan af (rov. 5.13) Het hof heeft daarmee niet art. 149 Rv miskend.
- Ad (3). Opnieuw noemt het subonderdeel stellingen die het hof uitdrukkelijk heeft meegenomen in zijn beoordeling in rov. 5.11 t/m 5.15. Het hof heeft verder niet miskend dat het om feiten gaat die zich in het domein van Stack c.s. bevinden en die [eisers] slechts algemeen kunnen betwisten. Verder hebben Stack c.s. hun vordering met ‘verificatoire bescheiden’ onderbouwd. Ik verwijs naar het overzicht van de stukken die Stack c.s. hebben aangeleverd in de schriftelijke toelichting van Stack c.s. nr. 39.
- Ad (4). Het hof heeft niet miskend dat [eisers] getracht hebben zoveel mogelijk aan hun betwistingsplicht te doen. Het hof heeft die betwisting echter niet voldoende geacht. Het hof heeft verder uitgebreid gemotiveerd waarom het positieve banksaldo van Triskalion op 30 november 2016 niet maakt dat de bank geen vordering meer had op Triskalion c.s. en dat oordeel is goed te volgen. Zie (nogmaals) rov. 5.13.
- Ad (5). Kennelijk gaat het subonderdeel er hier zelf ook vanuit dat ABN AMRO – in ieder geval na saldering – een vordering op Triskalion c.s. had. Wat maakt dat het oordeel dat de bank c.q. Stack c.s. ten tijde van de depotovereenkomst een vordering op Triskalion c.s. had, niet onbegrijpelijk is. Verder hebben, anders dan het subonderdeel lijkt te klagen, Stack c.s. ‘verificatoire bescheiden’ overgelegd waaruit de hoogte van de vordering blijkt, en waar het hof ook uitvoerig naar verwijst in de bestreden rechtsoverwegingen (m.n. in rov. 5.12).
- Ad (6). Het verweer van [eisers] dat Stack c.s. zich verschillend hebben uitgelaten over de hoogte van de vordering heeft het hof gemotiveerd verworpen in rov. 5.13. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste maatstaf betreffende art. 149 Rv, en is ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft zich juist gebaseerd op bescheiden waaruit de hoogte van de vordering blijkt.
- Ad (7). Ook hier geldt dat het hof zich heeft gebaseerd op de door partijen overgelegde stukken, waaronder bankafschriften (meervoud), zie rov. 5.12. De klacht van [eisers] dat het hof heeft miskend dat maar één rekeningafschrift is overgelegd faalt, omdat het hof feitelijk anders heeft vastgesteld.
- Ad (8). Opnieuw klaagt het subonderdeel dat geen concreet bewijs is overgelegd door Stack c.s. De klacht faalt, omdat Stack c.s. dat wel hebben gedaan, zoals het hof in de bestreden rechtsoverwegingen ook uiteen zet. Het subonderdeel voert verder nog een aantal stellingen aan, maar verwijst niet naar processtukken in feitelijke instanties waar die stellingen zijn ingenomen, zodat de klacht al om die reden faalt.
- Ad (9). Dit randnummer bevat een herhaling van zetten.
- Ad (10). Ook deze klachten falen, omdat het niet overleggen van ‘notariële afrekeningen’ door Stack c.s., wat daarmee ook moge zijn bedoeld, niet maakt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, of ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft, zoals gezegd, op basis van verschillende overgelegde bescheiden toereikend gemotiveerd geoordeeld dat de bank c.q. Stack c.s. ten tijde van de depotovereenkomst een vordering op Stack c.s. hadden. In het oordeel van het hof ligt een verwerping van de stellingen van [eisers] besloten.
- Ad (11). Niet valt in te zien, anders dan het subonderdeel hier klaagt, dat het hof heeft miskend dat particulieren/consumenten beschermd dienen te worden tegen onrechtmatig handelen van een bank. Het hof heeft namelijk meegewogen dat Triskalion c.s. schade hebben geleden door de ‘rentederivatenkwestie’ en om die reden circa € 1,5 miljoen op grond van het Uniform Herstelkader Rentederivaten is overgemaakt door ABN AMRO aan de boedel van Triskalion (rov. 5.14). Verder heeft het hof niet te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van Stack c.s. De rechtsopvatting van het middel dat ‘een gestelde rechtsopvolger die aanspraak maakt op het laatste staartje executieopbrengst’ een hogere stelplicht heeft, vindt geen steun in het recht. Verder hebben, anders dan het subonderdeel klaagt, Stack c.s. niet ‘ongemotiveerd geroepen’ welke vordering zij nog hebben op Triskalion c.s. (en daarmee op het depotbedrag). Het hof heeft nu juist op basis van bescheiden en overzichten geoordeeld welke vordering Stack c.s. hebben.
- Ad (12). Deze klachten zien op rov. 5.22 t/m 5.24. Het subonderdeel klaagt onder 12 dat Stack c.s. wel hun zorgplicht hebben geschonden, dan wel niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid hebben gehandeld, door aanspraak te maken op het depotbedrag, omdat zij wisten, dan wel behoorden te weten dat Triskalion c.s. een vordering op de bank hadden, die hoger was dan de vordering van de bank op Triskalion c.s. Deze klachten gaan niet op. Daarbij heeft het hof wel de feitelijke situatie in juli 2017 beoordeeld, zie rov. 5.13, aan het einde, waar wordt geoordeeld dat op 4 juli 2017 nog een vordering op Triskalion c.s. bestond die het depotbedrag ‘ruim oversteeg’. Verder bepleit het subonderdeel dat de vordering van de bank een ander bedrag betreft, o.m. omdat Triskalion een ‘aanzienlijke tegenvordering’ hebben. Deze stellingen zijn door het hof echter gemotiveerd verworpen in rov. 5.11 t/m 5.15. De daartegen gerichte klachten slagen bovendien niet. De klachten gericht tegen rov. 5.22 t/m 5.24 slagen daarom ook niet.
- Ad (13). Het subonderdeel voert een ‘tegenvordering die vele malen de vordering van ABN AMRO overstijgt’ aan. Die tegenvordering van Triskalion c.s. wordt verder niet onderbouwd in het subonderdeel, noch in de processtukken in feitelijke instanties. De enige concrete schade(vergoeding) die is genoemd, is het bedrag dat in het kader van het Uniform Herstelkader Rentederivaten aan de boedel van Triskalion c.s. is uitgekeerd. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof bij dit enige concrete schadebedrag heeft aangesloten (rov. 5.14), en niet bij de niet nader onderbouwde stellingen van [eisers] dat de schade ‘vele miljoenen’ enz. betrof. Die stellingen mocht het hof als niet (voldoende) onderbouwd passeren. Bovendien hebben Stack c.s. gemotiveerd betwist dat sprake was van een ‘onrechtmatige eenzijdige afboeking van meer dan € 900.000’ en dat die afboeking een ‘reeks faillissementen’ heeft veroorzaakt. Het hof heeft de andersluidende stellingen van [eisers] in rov. 5.11 t/m 5.15 verworpen en dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
4.54
Subonderdeel III.5 is gericht tegen rov. 5.30, dat als volgt luidt:
“[eisers] hebben opgemerkt dat ABN AMRO gehouden was zich uit te laten over de hoogte van de vermeende vorderingen op de dochtervennootschappen [kennelijk worden bedoeld de aan Triskalion gelieerde vennootschappen, zie rov. 3.7, A-G] en op welke wijze de door die vennootschappen gestelde zekerheden zijn uitgewonnen. Volgens hen rust deze verplichting om rekening en verantwoording af te leggen ook op Stack, nu de vermeende vordering op haar is overgegaan. Naar aanleiding daarvan hebben Stack c.s. bij schriftelijk pleidooi de e-mail van mr. Meuleman van 16 mei 2021 overgelegd, waarin is weergegeven hoe de vordering is opgebouwd. Ook is daarin een toelichting gegeven op de opbrengst van de zekerheden. [eisers] zijn daarop niet meer ingegaan in hun reactie op het schriftelijk pleidooi. In de memorie na verwijzing hebben zij dit punt ook niet meer vermeld. Het hof gaat er daarom van uit dat dit niet meer speelt.”
4.55
Het subonderdeel klaagt dat het oordeel dat [eisers] hierop niet meer in de verwijzingsprocedure zijn teruggekomen, onbegrijpelijk is omdat een betwisting van de bewijswaarde van dit Excelbestand te vinden is in nr. 21 van de spreekaantekeningen. Het klaagt verder dat het oordeel blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere toelichting die ontbreekt onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend gemotiveerd, omdat [eisers] dit verweer niet hebben prijsgegeven. Dit vitiëert ook rov. 5.11 t/m 5.16 en 5.22 t/m 5.25 en het dictum, zo klaagt het subonderdeel tot slot.
4.56
Deze klachten falen. Het hof heeft namelijk niet geoordeeld dat het verweer door [eisers] is prijsgegeven, zodat de klachten dus feitelijke grondslag missen voor zover zij dit tot uitgangspunt nemen. Het oordeel van het hof houdt daarentegen in dat Stack c.s. rekening en verantwoording hebben afgelegd, namelijk middels de e-mail met toelichting waaraan het hof in rov. 5.30 refereert, en dat [eisers] die rekening en verantwoording niet (voldoende onderbouwd) hebben betwist. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De betwisting waar het subonderdeel een beroep op doet (Spreekaantekeningen [eisers] van 16 december 2024, nr. 21) is namelijk heel summier. Daar wordt enkel zonder nadere onderbouwing gesteld dat het Excelbestand geen bewijswaarde kan hebben en dat [eisers] de hoofdsom, de kosten en de rente betwisten, en van deze stelling (tegen)bewijs aanbieden. Het persisteren in de memorie na verwijzing in eerder ingenomen stellingen is verder ook geen (voldoende) betwisting van die rekening en verantwoording. De rechts- en motiveringsklachten van het subonderdelen stuiten op het voorgaande af. De voortbouwklacht van het subonderdeel faalt in het voetspoor hiervan ook.
4.57
De voortbouwklachten van onderdelen III.6 en V slagen gezien het falen van de voorgaande klachten ook niet.
4.58
Onderdelen III en V slagen niet.
5Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1147, NJ 2026/209 (zaaknr. 25/01509) en HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1148, NJ 2026/210 (zaaknr. 25/01510).
De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2758, rov. 3.1 t/m 3.15.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2020 (niet gepubliceerd).
Hof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2190.
Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1805, RvdW 2024/57.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/106.
P. Koerts, T&C Rv, commentaar op art. 347 Rv, aant. 2c onder verwijzing naar HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561, HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2161, NJ 1997/66 ([…]/Pensioenfonds) en HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3032, NJ 2007/344 (Maclaine Pont/[…]).
Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/107; P. Koerts, T&C Rv, commentaar op art. 347 Rv, aant. 2c en J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 2 met verdere verwijzingen naar rechtspraak waarin deze uitzonderingen zijn aanvaard en met voorbeelden.
J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 2, onder verwijzing naar HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1758, RvdW 2022/1163 en de noot van G.C.C. Lewin bij HR 22 december 2017, Jbpr 2018/9.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/108.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/107 en P. Koerts, T&C Rv, commentaar op art. 347 Rv, aant. 2c, beide met verdere verwijzingen.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/107. In nr. 113 wordt dit geval besproken.
J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 2, onder verwijzing naar HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, NJ 2012/293.
J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 2, onder verwijzing naar HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:281, RvdW 2017/262 en HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1334, NJ 2023/297.
J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 2, onder verwijzing naar HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561, RvdW 2025/510.
S.M. Kingma, T&C Rv, commentaar op art. 424 Rv, aant. 1.
N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/387.
N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/403, onder verwijzing naar HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163, m.nt. W.D.H. Asser (FAR Trading/ Edco II), rov. 5.2.
N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/403.
S.M. Kingma, T&C Rv, commentaar op art. 424 Rv, aant. 5c en onder verwijzing naar HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165, m.nt. S.D. Lindenbergh, JBPr 2018/3, m.nt. P.M. Vos, JIN 2017/180, m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.H.L. Damen, ([…]/[…]).
A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie 2026/68-69.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 13.
A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/68-69 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/116.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 16.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 16.
Zo ook de schriftelijk toelichting van Stack c.s., nr. 19.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/125.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/113.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 24-25, met verwijzingen naar de processtukken waaruit blijkt dat [eisers] hun betoog ter zake van de nieuwe grief hebben gebaseerd op productie 21 van de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, waaronder m.n. de memorie na verwijzing van [eisers], nr. 77.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 24-25 onder verwijzing naar hun spreekaantekeningen in de verwijzingsprocedure, nr. 7, waar wordt gesteld dat de juiste Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel door [eisers] bij hun conclusie van antwoord tevens conclusie van eis als productie 21 is overgelegd.
Memorie van verwijzing van [eisers], nr. 77 e.v.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 26.
Zo ook de schriftelijke toelichting Stack c.s., nr. 59.
Zie B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/115-116.
Vgl. de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 60-62.
[eisers] zijn geen schuldenaar van de vordering die van ABN AMRO op Stack c.s. is overgegaan (schuldenaar is namelijk het failliete Triskalion en de gelieerde vennootschappen), maar [eisers] worden aangesproken omdat zij een hypotheek tot zekerheid van die schuld hebben gevestigd (derde-hypotheekgever). Het is dus nog maar de vraag of [eisers] (naar analogie) een beroep toekomt op art. 6:145 BW. De in de literatuur genoemde gevallen van analoge toepassing van art. 6:145 BW betreffen alleen gevallen waarin de schuldenaar ook jegens andere personen dan de schuldeiser een beroep kan doen op de verweermiddelen die zijn verbonden aan de vordering. Zie E.F. Verheul, GS Verbintenissenrecht, art. 6:145 BW, aant. 9.
B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/116, onder verwijzing naar HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163, m.nt. W.D.H. Asser (FAR Trading/Edco II), r.o. 4.3.2.
Zo ook Schriftelijke toelichting Stack c.s., nr. 63.
Zie MvG, nrs. 113 t/m 119 (“§ 7.2. Schending zorgplicht door Stack NewCo.”) en MnV, nrs. 87 t/m 96 (“F. Geïntimeerden hebben hun zorgplicht geschonden en zij kunnen geen aanspraak maken op het depotbedrag”).
B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/116.
Vgl. de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 64.
Zie o.m. de ‘samenvattingen’ in de procesinleiding op p. 24, p. 25, (en al eerder op p. 22), enz. Vgl. de ‘essentie’ van de stellingen volgens Stack c.s. in hun schriftelijke toelichting, nr. 45.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nrs. 47-48.
Vgl. schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 50: “[eisers] hebben die onderbouwing evenwel niet gegeven en hebben grotendeels volstaan met generieke stellingen, die zij nu in cassatie herhalen.”
B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/116.
Zo ook schriftelijke toelichting Stack c.s., nr. 55.
Zie de schriftelijke toelichting Stack c.s., nr. 53-54, met verwijzingen naar de processtukken in feitelijke instanties.
Zo ook Schriftelijke toelichting Stack c.s., nr. 37.
A. Knigge & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/43.
Zie de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 39.
Zie B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/114-115.
Schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 53-54.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 57.
Onderdeel IV ontbreekt.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02716
Zitting 4 september 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
1
[eiser 1],
2. [eiseres 2],
eisers tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt
tegen
1Stack NewCo B.V.,
2. Cumberland Investments Designated Activity Company,
verweersters in cassatie,
advocaat: mr. B.F.L.M. Schim.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser 1] en [eiseres 2] (gezamenlijk: [eisers]) respectievelijk Stack en Cumberland (gezamenlijk: Stack c.s.).
1Inleiding en samenvatting
1.1
Deze zaak betreft een procedure na verwijzing die gaat over de vraag wie gerechtigd is tot een in depot gestort bedrag van € 416.981,71, het restant van de verkoopopbrengst van het woonhuis van [eiser 1].
1.2
Op grond van het verwijzingsarrest van de Hoge Raad (HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1805) diende in dat kader nog te worden beoordeeld of Stack c.s. een vorderingsrecht en een geldig hypotheekrecht hebben. Het hof heeft geoordeeld dat dit het geval is en het depotbedrag toekomt aan Stack. Het heeft het bestreden vonnis met verbetering van gronden bekrachtigd.
1.3
In cassatie komen [eisers] met rechts- en (voornamelijk) motiveringsklachten op tegen het oordeel van het hof. Ik meen dat de klachten niet slagen.
1.4
Deze zaak vertoont (enige) samenhang met de renvooiprocedures met zaaknummers 25/01509 en 25/01510. In deze zaken, beide tussen [eiseres 2] als eiseres tot cassatie en Cumberland als verweerster in cassatie, betwistten partijen over en weer elkaars vordering in het faillissement van Triskalion B.V. De Hoge Raad heeft in beide zaken arrest gewezen op 3 juli 2026 en de cassatieberoepen verworpen, met als uitkomst dat [eiseres 2] geen schuldeiser is in het faillissement van Triskalion B.V., zodat zij ook geen belang heeft bij betwisting van de vordering van Cumberland.
2Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
2.2
[eiser 1] en [eiseres 2] zijn echtgenoten.
2.3
[eiser 1] was bestuurder en (middellijk) enig aandeelhouder van Triskalion B.V. (hierna: Triskalion).
2.4
In 1983 heeft (een rechtsvoorganger van) Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: NN) een lening van NLG 450.000,- verstrekt aan onder meer [eiser 1]. De lening diende ertoe dat [eiser 1] een registergoed (hierna: het pand) kon verwerven. Tot zekerheid voor de terugbetaling van de lening verkreeg NN een eerste recht van hypotheek op het pand tot een bedrag van NLG 630.000,-.
2.5
In 1994 heeft [eiser 1] de economische eigendom van het pand overgedragen aan Triskalion. Eveneens in 1994 heeft NN aan [eiser 1] en Triskalion een lening van NLG 400.000,- verstrekt. Tot zekerheid voor de terugbetaling van de lening verkreeg NN een tweede recht van hypotheek op het pand tot een bedrag van NLG 560.000,-.
2.6
In 1999 heeft NN aan [eiser 1], [eiseres 2], Triskalion en [A] B.V. een lening van NLG 1.500.000,- verstrekt. Tot zekerheid voor de terugbetaling van deze lening verkreeg NN een derde recht van hypotheek op het pand tot een bedrag van NLG 2.100.000,-.
2.7
In verband met de hiervoor onder 2.4-2.7 genoemde geldleningen heeft [eiser 1] aanspraken uit met NN gesloten verzekeringen aan NN verpand.
2.8
In 2011 heeft ABN AMRO kredieten verstrekt aan Triskalion en aan haar gelieerde vennootschappen (Molenbel B.V., Molenvast B.V., Invere B.V. en Cubo Vastgoed Holding B.V., hierna: Molenbel, Molenvast, Invere en Cubo).
2.9
Tot zekerheid voor al hetgeen Fortis Bank - een rechtsvoorganger van ABN AMRO - van Triskalion en de aan haar gelieerde vennootschappen te vorderen zou hebben, verkreeg Fortis Bank in 2008 een vierde recht van hypotheek op het pand tot een bedrag van € 1.000.000,-, te vermeerderen met een opslag van € 500.000,- voor rente en kosten.
2.10
In 2017 is een gedeelte van het vermogen van ABN AMRO onder algemene titel overgegaan op Stack.
2.11
Triskalion en [eiser 1] zijn in 2014 respectievelijk 2015 in staat van faillissement verklaard.
2.12
De curatoren in de faillissementen van [eiser 1] en Triskalion hebben het pand voor € 1.500.000,- verkocht en op 6 juli 2017 aan de koper geleverd.
2.13
Na voldoening van de door de eerste, tweede en derde rechten van hypotheek gedekte vorderingen, resteerde een opbrengst van € 546.720,83. Van dat bedrag is € 129.739,12 aan Stack uitgekeerd. De restantopbrengst (€ 416.981,71; hierna ook: het depotbedrag) is in depot geplaatst bij een notaris.
2.14
Een depotovereenkomst van 4 juli 2017 (hierna: de depotovereenkomst) bepaalt onder meer:
“Depotovereenkomst
De ondergetekenden van deze verklaring zijn:
1. [...] Nationale-Nederlanden [...]
2. [...] STACK NEWCO B.V. [...], als rechtsopvolger onder algemene titel van: [...] ABN AMRO Bank N.V., als rechtsopvolger onder algemene titel van [...] Fortis Bank Nederland N.V. [...]
3. a. [...] [eiser 1] [...] en
b. [...] [eiseres 2]
[...] de notaris [...]
Aanleiding:
[…]
Partij 2 heeft een recht van hypotheek ten laste van partij 3 op gemeld registergoed, te weten het recht van 4e hypotheek ingeschreven [...] op 3 juni 2008 [...] tot een bedrag groot € 1.000.000,00; Bij het verzoek van de notaris aan partij 1 tot het opstellen van de aflosnota in verband met de algehele aflossing van de hypotheek en het royeren van de inschrijving in verband met overd[r]acht van het registergoed, is er een onduidelijkheid ontstaan [...]:
op de lening van partij 1 zijn in het verleden aflossingen gedaan vanuit verpande verzekeringen. De verzekeringnemers stellen dat er sprake is van subrogatie, als gevolg waarvan door de hypothe[e]k gedekte vordering van partij 1 maximaal € 416.981,71 hoger zou uitvallen. Over het feit van subrogatie, aan welke schuldenaar iets en zo ja hoeveel toekomt, bestaat op dit moment nog onduidelijkheid.
Partijen willen toch een akte van levering ondertekenen. Derhalve zijn partijen aanvullend overeengekomen dat de notaris een gedeelte van de koopprijs ad € 416.981,71 in depot houdt. Partijen komen het volgende overeen:
1. De notaris houdt een bedrag van € 416.981,71 in depot, hierna te noemen: ‘het depotbedrag’
2. Partij 1 en partij 2 verkrijgen hierdoor een voorwaardelijke vordering op de notaris.
3. Deze vordering wordt op een van de hierna vermelde wijzen onvoorwaardelijk:
- na ondubbelzinnige gelijkluidende schriftelijke opdracht van partijen tot uitbetaling van het depotbedrag, dan wel
- na een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis of een arbitraal vonnis met betrekking tot de verdeling van het depotbedrag.
[...] Het depotbedrag wordt door de notaris uitgekeerd overeenkomstig die opdracht of dat vonnis. [...]”.
2.15
Stack heeft in juli 2017 haar vorderingen uit hoofde van de kredietrelatie met (onder andere) Triskalion overgedragen aan Cumberland.
2.16
Op 7 augustus 2017 heeft de curator in het faillissement van [eiser 1] enige gepretendeerde vorderingen van (de boedel van) [eiser 1] aan [eiseres 2] gecedeerd.
3Procesverloop
Voor verwijzing door de Hoge Raad
3.1
Stack c.s. hebben in conventie een verklaring voor recht gevorderd dat Stack recht heeft op het depotbedrag en een gebod dat [eisers] en NN het depotbedrag overmaken aan Stack. [eiseres 2] heeft in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat zij recht heeft op het depotbedrag en een gebod dat Stack c.s. en NN het depotbedrag naar de derdengeldrekening van haar advocaat overmaken.
3.2
De rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) heeft, na een tussenvonnis van 28 augustus 2019, bij vonnis van 26 februari 2020 in conventie voor recht verklaard dat Stack recht heeft op het depotbedrag. De rechtbank heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de depotovereenkomst een vaststellingsovereenkomst is, dat [eisers] met de ondertekening ervan zich committeerden aan een uitkomst waarbij het depotbedrag hetzij aan NN hetzij aan Stack zou worden uitgekeerd en dat nu NN te kennen heeft gegeven geen aanspraak te maken op het depotbedrag dit dus aan Stack toekomt. In reconventie heeft de rechtbank [eisers] niet-ontvankelijk verklaard voor zover hun vorderingen zijn ingesteld tegen NN, en de vorderingen tegen Stack c.s. afgewezen.
3.3
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 5 juli 2022 [eisers] niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen NN en het eindvonnis van de rechtbank ten aanzien van [eisers] bekrachtigd. Het heeft daartoe onder meer het volgende overwogen. Kern van het geschil is of [eiser 1] al dan niet is getreden in de rechten van NN en daardoor aanspraak heeft gekregen op het depotbedrag, welke aanspraak vervolgens bij de akte van cessie aan [eiseres 2] is overgedragen. Daarin ligt de onzekerheid die partijen ertoe heeft gebracht de depotovereenkomst te sluiten. [eisers] zijn niet gesubrogeerd in de rechten van NN. Het gaat in dit hoger beroep om de uitvoering van de depotovereenkomst en de daaraan ten grondslag liggende discussie over de gestelde subrogatie in de rechten van NN. Die discussie is beslecht in het nadeel van [eisers] Vanuit dit gezichtspunt dient de depotovereenkomst te worden afgewikkeld. Op grond van de depotovereenkomst zijn er twee mogelijkheden voor het uitkeren van het depot: aan Stack of aan NN. In plaats van aan NN zou dat op grond van de gestelde subrogatie aan [eiser 1] of [eiseres 2] geweest kunnen zijn, maar nu de daartoe strekkende stellingen zijn verworpen, blijft het bij Stack of NN. NN maakt geen aanspraak op het depotbedrag, zodat Stack resteert. Deze consequentie volgt zonder meer uit de aard, inhoud en bedoeling van de depotovereenkomst. De door Stack c.s. in conventie gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar en de in reconventie door [eiseres 2] gevorderde verklaring voor recht niet.
3.4
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 december 2023 (hierna: het verwijzingsarrest) geoordeeld dat in het licht van het partijdebat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is het oordeel van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch dat het gaat om de discussie over de gestelde subrogatie in de rechten van NN en dat niet relevant is het betoog van [eisers] dat erop neerkomt dat Stack geen geldig vorderings- en hypotheekrecht heeft (rov. 3.3). Ook is volgens de Hoge Raad zonder nadere motivering niet begrijpelijk het oordeel van het gerechtshof dat niet meer aan de orde zou zijn of Stack c.s. een vorderingsrecht hebben en dat uit de aard, inhoud en bedoeling van de depotovereenkomst zonder meer volgt dat Stack aanspraak heeft op het depotbedrag omdat NN daarop geen aanspraak maakt (rov. 3.3). [eisers] hebben immers gemotiveerd aangevoerd – met een beroep op de omstandigheden rondom het sluiten van de depotovereenkomst en de bedoelingen van de bij de depotovereenkomst betrokken partijen – dat de depotovereenkomst erop was gericht om vast te stellen wie rechthebbende is op de restantverkoopopbrengst en dat daarvoor niet alleen van belang is of [eisers] al dan niet zijn gesubrogeerd in de rechten van NN, maar ook of Stack c.s. een vorderingsrecht en geldig hypotheekrecht hebben. De klachten tegen de desbetreffende oordelen slaagden dus. De overige klachten heeft de Hoge Raad verworpen.
Na verwijzing door de Hoge Raad
3.5
Na verwijzing hebben [eisers] een memorie na verwijzing genomen en Stack c.s. een memorie van antwoord na verwijzing.
3.6
Op 16 december 2024 is een mondelinge behandeling gehouden waarvan een proces-verbaal is opgemaakt.
3.7
Het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) heeft vervolgens bij arrest van 6 mei 2025 (hierna: het arrest) het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 26 februari 2020 bekrachtigd voor zover gewezen tussen [eisers] en Stack c.s., en [eisers] veroordeeld in de proceskosten. Het heeft daartoe, zakelijk weergegeven en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:
(i) Na verwijzing moet nog worden beoordeeld of Stack c.s. een vorderingsrecht en geldig hypotheekrecht hebben (rov. 5.2);
(ii) [eisers] wijzen op een bankafschrift waaruit blijkt dat per 30 november 2016 sprake was van een positief banksaldo van Triskalion bij ABN AMRO van € 990.372,76, terwijl ABN AMRO na de faillissementen van Triskalion c.s. nog maar één rekeningnummer aanhield op naam van Triskalion; zij betogen dat er dus geen sprake meer was van een vordering van ABN AMRO en dat het hypotheekrecht daarmee (als afhankelijk recht) van rechtswege is vervallen; daarnaast stellen zij dat de vordering van ABN AMRO jarenlang ten onrechte is ‘vervuild’: als het geschil over het rentederivaat conform gemaakte afspraken al in 2012 was afgewikkeld, was de vordering ruim € 704.085 (en op basis van de werkelijke vordering zonder rente ruim € 1.200.000) lager geweest (rov. 5.11);
(iii) bij kredietovereenkomst van 19 mei 2011 heeft ABN AMRO kredieten verstrekt aan Triskalion c.s., onder hoofdelijke verbondenheid van ieder van hen; ten tijde van het faillissement van Triskalion op 14 november 2014 bedroeg de (totale) vordering volgens Stack c.s. € 5.174.810,68; Stack c.s. hebben verder een overzicht overgelegd van het verloop van de vordering sindsdien; het overzicht eindigt op de totale vordering van € 4.837.436,39 per 21 april 2021; blijkens het overzicht heeft ABN AMRO respectievelijk Stack c.s. tijdens de hele periode een aanzienlijke vordering op Triskalion gehad; de juistheid van deze berekening hebben [eisers] op zichzelf niet (gemotiveerd) betwist; (rov. 5.12);
(iv) het positieve saldo op het bankafschrift van Triskalion van 30 november 2016 wordt verklaard door bijschrijvingen van € 1.000.000 en € 2.000.000 op 1 december 2014 respectievelijk 9 november 2016; deze bedragen zijn volgens Stack c.s. administratief buiten incasso gesteld; [eisers] hebben geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze bedragen zijn betaald of dat de bank afstand van haar vordering tot deze bedragen heeft gedaan; het moet er dan ook voor worden gehouden dat de bank nog wel degelijk een vordering op Triskalion had; de schulden (debetsaldi) van de andere vennootschappen waarvoor Triskalion hoofdelijk aansprakelijk was, kwamen daar nog bij; vóór de overgang van de vordering naar Stack heeft ABN AMRO de debetsaldi op de rekeningen van Molenvast en Molenbel ten laste van de rekening van Triskalion gebracht wat resulteerde in een debetstand van € 1.638.921,79; dit saldo is nog exclusief het buiten incasso gestelde bedrag van € 3.000.000 dat Triskalion nog steeds verschuldigd was; dat bevestigt dat er wel degelijk op het moment van aangaan van de depotovereenkomst (4 juli 2017) nog een vordering van de bank, respectievelijk vanaf 27 juni van Stack c.s., op Triskalion bestond die het in het depot gestorte bedrag van € 416.981,71 ruim oversteeg (rov. 5.13);
(v) uit de stellingen van [eisers] over de rentederivatenkwestie volgt niet dat de bank geen vordering op Triskalion meer had; nog daargelaten dat geen verrekening heeft plaatsgevonden, valt niet aan te nemen dat de bank in het geval van verrekening geen vordering op Triskalion c.s. meer had die het depotbedrag ruim oversteeg (rov. 5.14);
(vi) het standpunt van [eisers] dat het hypotheekrecht is vervallen omdat geen sprake meer was van een vordering gaat dus niet op (rov. 5.15);
(vii) het verweer van [eisers] dat de vordering op Triskalion c.s. naar Stack is overgegaan omdat de beoogde afsplitsing tussen ABN AMRO en Stack niet voldoet aan de eis van art. 2:334f lid 2 BW (nauwkeurige beschrijving van de af te splitsen vermogensbestanddelen), is pas voor het eerst in de memorie na verwijzing aangevoerd; dit verweer is tardief en blijft daarom buiten beschouwing; van een nadere onderbouwing of precisering van eerder ingenomen stellingen is geen sprake; er is ook geen sprake van een beroep op na de vernietigde uitspraak gewijzigde feitelijke omstandigheden of feiten die zich nadien hebben voorgedaan (rov. 5.18-5.19);
(viii) uit hetgeen in rov. 5.12 en 5.13 is overwogen volgt dat de vordering van ABN AMRO aanzienlijk hoger was dan die van Triskalion op grond van het Uniform Herstelkader Rentederivaten; dat Stack c.s. bij memorie van antwoord een lager bedrag hebben genoemd, doet hier niet aan af; dat was geen gerechtelijke erkentenis; het was Stack c.s. dan ook toegestaan hierop terug te komen, wat zij bij schriftelijk pleidooi in hoger beroep hebben gedaan (rov. 5.23);
(ix) gelet daarop kan niet worden aangenomen dat Stack wist dat ABN AMRO een hogere uitkering zou moeten doen aan Triskalion ter vergoeding van de schade in verband met rentederivaten dan het bedrag van de vordering die zij op Triskalion c.s. had; dat er ook nog andere zekerheden waren die konden uitgewonnen, betekent ook niet dat Stack haar rechten niet had mogen uitoefenen op grond van de door [eiser 1] verstrekte derdenhypotheek; gelet daarop kan ook niet worden gezegd dat Stack enige zorgplicht jegens [eisers] heeft geschonden door aanspraak te maken op het depotbedrag (rov. 5.24);
(x) [eisers] kunnen ook niet worden gevolgd in hun betoog dat ABN AMRO en Stack met de afsplitsing kennelijk bewust hebben beoogd om de rechtspositie van kredietnemers en van derden die namens deze partijen zekerheden hebben gesteld te verslechteren, omdat Stack het vorderingsrecht van ABN AMRO overnam en de verplichtingen voortvloeiende uit de renteswaps achter bleven bij ABN AMRO waardoor geen sprake meer was van wederkerig schuldenaarschap; als de afsplitsing niet had plaatsgevonden, had ABN AMRO haar bevoegdheden op grond van het hypotheekrecht kunnen uitoefenen, ook als de verrekening was toegepast die volgens [eisers] had moeten plaatsvinden (zie rov. 5.14); Triskalion c.s. en [eiser 1] waren dan niet beter af geweest; er is daarom geen grond om aan te nemen dat ABN AMRO en Stack met de afsplitsing hebben beoogd de positie van Triskalion c.s. en [eiser 1] te verslechteren; ook in dat opzicht kan niet worden gezegd dat ABN AMRO/Stack haar zorgplicht niet heeft nageleefd (rov. 5.25);
(xi) Gelet op het voorgaande bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Stack aanspraak maakt op het depotbedrag (rov. 5.26);
(xii) [eisers] hebben gesteld dat ABN AMRO is gehouden tot het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot de hoogte van de vorderingen op de dochtervennootschappen en op welke wijze de door die vennootschappen gestelde zekerheden zijn uitgewonnen; die verplichting ligt volgens hen ook op Stack omdat de vordering op haar is overgegaan; naar aanleiding daarvan hebben Stack c.s. bij schriftelijk pleidooi de e-mail van mr. Meuleman van 16 mei 2021 overgelegd waarin is weergegeven hoe de vordering is opgebouwd en de opbrengst van de zekerheden is toegelicht; [eisers] zijn daar niet meer op ingegaan in hun reactie op het schriftelijk pleidooi; in de memorie na verwijzing hebben zij dit punt ook niet meer vermeld; het hof gaat er daarom vanuit dat dit niet meer speelt (rov. 5.30).
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding gevolgd door vier onderdelen met klachten.
Onderdeel I bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten het oordeel in rov. 5.18-5.19 waarin het hof het verweer van [eisers] dat er geen geldig afsplitsing van de vordering op Triskalion heeft plaatsgevonden, als tardief buiten beschouwing heeft gelaten.
Onderdeel II bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten het oordeel in rov. 5.22-5.26 dat Stack geen zorgplicht heeft geschonden door aanspraak te maken op het depotbedrag en dat het ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Stack aanspraak maakt op het depotbedrag.
Onderdeel III bestrijdt rov. 5.11-5.15, 5.23-5.24 en 5.30, waarin het hof heeft geoordeeld dat Stack c.s. een vorderingsrecht en hypotheekrecht hebben.
Onderdeel V bevat tot slot een voortbouwklacht.
Onderdeel I
4.2
Onderdeel I is gericht tegen rov. 5.18 en rov. 5.19, alsmede tegen rov. 2.1, 2.2, 3.9, 5.3, 5.5 en 5.6 en het dictum, waarin het hof het verweer van [eisers] dat er geen geldige afsplitsing van de vordering op Triskalion heeft plaatsgevonden vanwege een onvoldoende nauwkeurige omschrijving van deze vordering in de zin van art. 2:334f lid 2 sub b BW, als tardief buiten beschouwing heeft gelaten. Het hof heeft in rov. 5.19, waartegen dit onderdeel zich in de kern richt, geoordeeld dat dit verweer pas voor het eerst in de memorie na verwijzing is aangevoerd, terwijl [eisers] dit verweer al in de vorige instanties hadden kunnen en moeten voeren. Bovendien is volgens het hof geen sprake van een nadere onderbouwing of precisering van eerder ingenomen stellingen en gaat het ook niet om een beroep op na de vernietigde uitspraak gewijzigde feitelijke omstandigheden of feiten die zich nadien hebben voorgedaan, wat wel zou zijn toegestaan.
4.3
Het onderdeel voert aan dat het hier een procedure na verwijzing betreft waarin de betwisting dat Stack c.s. een vorderingsrecht hebben alsnog moet worden onderzocht en dat de procedure na verwijzing een voortzetting is van het debat in hoger beroep, zodat in beginsel de tweeconclusieregel van art. 347 Rv van toepassing is, maar ook art. 424 Rv. Het onderdeel klaagt in de verschillende subonderdelen dat het hof de (uitzonderingen op de) tweeconclusieregel van art. 347 Rv en art. 424 Rv heeft miskend.
Algemene opmerkingen over de tweeconclusieregel
4.4
De tweeconclusieregel houdt (in dagvaardingsprocedures) in dat grieven in beginsel niet in een later stadium dan in de memorie van grieven mogen worden aangevoerd, omdat dit volgens art. 347 lid 1 Rv het enige processtuk is dat appellant mag nemen. Op later aangevoerde grieven mag de appelrechter dus in beginsel geen acht slaan. Op deze regel zijn drie uitzonderingen aanvaard:
(i) Indien de wederpartij ondubbelzinnig heeft ingestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken;
(ii) indien onverkorte toepassing van de regel in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde; en
(iii) vanwege de bijzondere aard van de desbetreffende procedure.
4.5
De eerste twee uitzonderingen komen in het onderdeel aan bod; de derde niet. Voor uitzondering (i) geldt dat wanneer een partij tijdens het pleidooi zonder voorbehoud ingaat op een nieuwe stelling, de rechter kan (maar niet: moet) aannemen dat de uitbreiding van het debat ondubbelzinnig is aanvaard. Een ondubbelzinnige instemming hoeft niet expliciet, en kan bijvoorbeeld blijken uit gedragingen van de verweerder, zoals het zonder voorbehoud verweer voeren tegen een nieuwe grief. Bij uitzondering (ii) gaat het met name om een rechterlijke fout of apparaatsfout, of nieuwe ontwikkelingen van feitelijke of juridische aard nadat van grieven is gediend. In het Asser-deel ‘Hoger beroep’ wordt bepleit dat deze uitzondering ook opgaat in het geval sprake is van een aan verweerder toe te rekenen verkeerde voorstelling van zaken bij appellant.
4.6
In het kader van de tweeconclusieregel noem ik nog twee gevallen waarin het een partij is toegestaan om in een later stadium met nieuwe stellingen te komen. Strikt genomen zijn dit geen uitzonderingen op de tweeconclusieregel, maar wordt in deze twee gevallen niet toegekomen aan de tweeconclusieregel. De tweeconclusieregel staat er ten eerste niet aan in de weg dat een partij in een later stadium van de procedure eerdere stellingen ‘preciseert’ en dus nader onderbouwt. Wanneer daarvan sprake is valt niet in algemene zin te zeggen. Een stelling kan ten tweede ook "zo zeer in het verlengde liggen" van de grieven dat de tweeconclusieregel er niet aan in de weg staat dat die stelling later in de procedure wordt betrokken.
4.7
In de procedure na verwijzing zet de rechter naar wie het geding is verwezen, de behandeling daarvan voort en beslist met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad (art. 424 Rv). De procedure na cassatie en verwijzing is dus geen zelfstandige instantie, maar vormt de voortzetting van de instantie die voorafging aan het cassatiegeding. De behandeling wordt voortgezet in de stand waarin het geding zich bevond toen de Hoge Raad de vernietigde uitspraak deed. Voor de verwijzingsprocedure geldt dat er in beginsel geen ruimte is voor nieuwe grieven, weren, vorderingen of verzoeken. Zo mag de verwijzingsrechter geen acht slaan op een nieuw verweer dat voor het eerst (bij pleidooi) na verwijzing wordt aangevoerd en dat een partij tijdens de procedure vóór cassatie had kunnen aanvoeren. De Hoge Raad heeft met zoveel woorden de lijn die voor uitzonderingen op de tweeconclusieregel in hoger beroep geldt (zie nr. 4.4 e.v. hiervoor), doorgetrokken tot de procedure na cassatie en verwijzing, daartoe overwegend dat die procedure als een voortzetting van het geding in hoger beroep voor cassatie en verwijzing geldt.
Bespreking van de klachten
4.8
Subonderdeel I.1 klaagt dat het hof in rov. 5.19 heeft miskend dat Stack c.s. weliswaar hebben gesteld ‘dat nieuwe stellingen buiten beschouwing moeten worden gelaten’ (antwoordmemorie na verwijzing, nr. 3), maar dat dit geen betrekking had op de stellingen van [eisers] over de afsplitsing. Uit de antwoordmemorie na verwijzing, nrs. 13 t/m 19 blijkt immers dat Stack c.s. zonder enig voorbehoud op deze stellingen zijn ingegaan en daarbij deze stellingen c.q. dit verweer van [eisers] als onderdeel van het debat hebben aanvaard, aldus het subonderdeel. Eerst nadat die aanvaarding heeft plaatsgevonden, is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling alsnog bezwaar gemaakt (p-v na verwijzing, p. 4-5). Dat bezwaar is volgens het subonderdeel echter tardief, omdat dit verweer al als onderdeel van het debat was aanvaard doordat Stack c.s. er zonder expliciet bezwaar inhoudelijk op in zijn gegaan. Het hof heeft dit miskend, althans een onbegrijpelijk (gemotiveerd) oordeel gegeven.
4.9
Deze klachten slagen niet. De uitleg van processtukken is, zoals bekend, voorbehouden aan de feitenrechter en kan alleen op de (begrijpelijkheid van de) motivering worden getoetst. De rechtsklacht van het subonderdeel stuit daarop al af. Het hof heeft verder, anders dan het middel betoogt, niet in de processtukken gelezen dat Stack c.s. de betreffende grief ondubbelzinnig hebben aanvaard. Die uitleg is niet onbegrijpelijk. Stack c.s. hebben bij Memorie van Antwoord na Verwijzing in nrs. 43 e.v. uitdrukkelijk aangevoerd dat het een nieuwe grief betreft en dat deze grief te laat is aangevoerd. Vervolgens hebben Stack c.s. weliswaar nog inhoudelijk verweer gevoerd, maar ‘slechts voor het geval de rechter de grief toch toelaat’ (nr. 48 e.v.). De feitelijke weergave van de nieuwe grief van [eisers] in nrs. 13 t/m 19 doet daar niet aan af. Kortom, er is niet zonder voorbehoud verweer gevoerd door Stack c.s., zodat het oordeel dat geen sprake is van ondubbelzinnige instemming met de nieuwe grief, niet onbegrijpelijk is.
4.10
Subonderdeel I.2 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.19 sub a t/m c van een onjuiste rechtsopvatting getuigt met betrekking tot art. 347 en art. 424 Rv, althans onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend gemotiveerd. Het voert aan dat het aan Stack c.s. is om (met stukken onderbouwd) te stellen en te bewijzen dat zij een vorderingsrecht op Triskalion hebben verkregen, maar zij dat niet hebben gedaan. Het voert verder aan dat [eisers] van aanvang van de procedure af zich hebben verweerd met de stelling dat Stack nooit een vorderingsrecht heeft verkregen. Het voert bovendien aan dat op de vraag of Stack c.s. een vorderingsrecht op Triskalion hebben verkregen in deze procedure na verwijzing nog moet worden beslist.
4.11
Het subonderdeel klaagt verder dat het hof in rov. 5.18 en 5.19 heeft miskend, en ook overigens in het arrest (rov. 5.16 en 5.17 waarin het verwijzingshof Stack c.s. het niet euvel duidt dat zij niet alle stukken hebben overgelegd en in rov. 5.11 t/m 5.15 en 5.22 t/m 5.25 en het dictum), dat het, gelet op de betwisting van [eisers] zoals weergegeven in het subonderdeel onder a t/m e (al dan niet in combinatie met hetgeen het hof ten onrechte weglaat onder g), ex art. 21, art. 149 en 150 Rv op de weg van Stack c.s. had gelegen om op basis van de juiste stukken aan te tonen dat Stack een vorderingsrecht op Triskalion heeft verkregen en, zo ja, wat daarvan de hoogte is. Stack c.s. hebben dat echter nagelaten en hebben bovendien ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg de verkeerde Annex I bij Bijlage C overgelegd. Het stond [eisers] daarom vrij, anders dan het hof heeft overwogen, om haar stelling dat Stack geen vorderingsrecht heeft verkregen bij memorie na verwijzing nader uit te bouwen, met de stelling dat het vorderingsrecht op Triskalion onvoldoende nauwkeurig is omschreven in het splitsingsvoorstel. Het hof heeft miskend dat in een dergelijk geval een eerder ingenomen verweer nader kan worden ingevuld aan de hand van de inmiddels gebleken juridische werkelijkheid. Het oordeel in rov. 5.19 sub a t/m c is rechtens onjuist en onbegrijpelijk, omdat het uitgaat van een te beperkte maatstaf met betrekking tot het uitbouwen en preciseren van stellingen, althans het is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd dat en waarom er geen sprake is van een nadere precisering/onderbouwing, of van nieuwe ontwikkelingen van feitelijke aard, gelet op de stellingen van [eisers] die in het subonderdeel onder a t/m g zijn samengevat. Uit HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561 volgt dat het voortbouwen op een eerder ingenomen stelling of grief is toegestaan, mits een wederpartij daarbij niet onevenredig in de verdediging wordt geschaad. Omdat Stack c.s. op die stellingen bij antwoordmemorie na verwijzing en bij de mondelinge behandeling d. d. 16 december 2024 hebben kunnen reageren, zijn Stack c.s. niet in hun verdediging geschaad en is geen sprake van strijd met de goede procesorde.
4.12
Het subonderdeel betoogt tot slot dat sprake was van een toegestane ‘uitwerking’, ‘precisering’, dan wel ‘onderbouwing’ van [eisers]’ stelling dat Stack c.s. geen vorderingsrecht op Triskalion hebben verkregen en dat het afsplitsingsverweer van [eisers] daarmee geen strijd met de tweeconclusieregel oplevert. De vraag of stellingen zijn aan te merken als een dergelijke toegestane uitwerking/precisering van al eerder in de procedure ingenomen stellingen, dan wel als een nieuwe grief, is een feitelijke vraag. De beoordeling daarvan is overgelaten aan de feitenrechter en die vraag kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst, namelijk op begrijpelijkheid (van de motivering).
4.13
Ik merk het volgende op. In de stellingen van [eisers] in de procedure vóór verwijzing heeft het hof klaarblijkelijk geen grief gelezen dat de omschrijving van de vermogensbestanddelen niet voldoende nauwkeurig was in de zin van art. 2:234f lid 2 BW. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Weliswaar hoefde [eisers] niet het betreffende wetsartikel te noemen, maar een (feitelijk) betoog dat de afsplitsing niet voldoende nauwkeurig was, valt inderdaad ook niet in de stellingen te lezen. In de stellingen die het subonderdeel aanhaalt en samengevat weergeeft onder a t/m f lees ik dat in ieder geval niet. Het gaat om algemene stellingen dat Stack niet het vorderingsrecht heeft verkregen, althans dat dit niet voor [eisers] valt na te gaan. De enige passage waarin het gaat over ‘splitsing’ is het onder ‘e’ aangehaalde schriftelijk pleidooi, nr. 21. Daar wordt echter niets gezegd over de (nauwkeurigheid van de) omschrijving, maar wordt gesteld dat de splitsing niet is vastgelegd in een akte en er alleen een voornemen is tot splitsing. Zoals het hof in rov. 5.19 echter heeft overwogen betreft de nieuwe grief echter niet de betwisting van de geldigheid van de afsplitsing (in zijn algemeenheid), maar de betwisting om de genoemde reden, dat wil zeggen: vanwege de onvoldoende nauwkeurigheid van de beschrijving. Die reden wordt zoals gezegd nergens door [eisers] genoemd, behalve pas in de memorie na verwijzing (de stellingen in het subonderdeel onder g). In het kader van de vraag of het gaat om uitwerking van eerder ingenomen stellingen, zijn de stellingen onder g verder niet relevant, omdat die pas zijn ingenomen in de memorie na verwijzing, waarvan het hof nu juist heeft geoordeeld dat dit te laat was. Die stellingen kunnen met andere woorden wel een uitwerking/precisering zijn, maar dan moet er eerder al een stelling zijn ingenomen waarvan dat een uitwerking is. Slechts de stellingen vóór verwijzing zijn in dat kader relevant, omdat dat de stellingen zijn die later in de procedure mogen worden uitgewerkt zonder in strijd te komen met de tweeconclusieregel. Daarvan is volgens het hof hier dus geen sprake en dat oordeel is zoals gezegd niet onbegrijpelijk.
4.14
Het subonderdeel voert nog aan dat temeer moeten worden aangenomen dat het hier een toegestaan uitwerken is van stellingen vanwege de proceshouding van Stack c.s., in de zin dat zij niet (tijdig) aan hun stelplicht en bewijslast hebben voldaan, o.m. door in eerste aanleg een verkeerde bijlage over te leggen. Het hof heeft m.i. echter niet, voor zover het subonderdeel daarover klaagt, miskend dat Stack c.s. de stelplicht en de bewijslast hebben van het feit dat zij een vordering hebben op Triskalion (en de eventuele omvang daarvan). Uit het arrest blijkt integendeel dat het hof de stelplicht en bewijslast bij Stack c.s hebben gelegd. In de bestreden overweging 5.19 overweegt het hof uitdrukkelijk dat de stellingen van [eisers] een verweer betreffen, namelijk tegen Stack c.s.’ stellingen dat zij een vorderingsrecht van een bepaalde omvang op Triskalion hebben verkregen. Nog afgezien daarvan rechtvaardigt de omstandigheid dat een partij niet heeft voldaan aan de stelplicht geen uitzondering op de tweeconclusieregel. Wel kunnen nieuwe ontwikkelingen van juridische en feitelijke aard soms aanleiding geven om een nieuwe grief te formuleren. [eisers] betogen dat dit hier aan de orde is, omdat Stack c.s. in eerste aanleg een verkeerde bijlage hebben overlegd. Die uitzondering op de tweeconclusieregel komt echter nog uitgebreid hierna in subonderdeel I.3 aan bod en laat ik hier daarom rusten.
4.15
Voor zover het subonderdeel, tot slot, nog klaagt dat het hof de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel heeft miskend, slaag het ook niet. Weliswaar lag na het verwijzingsarrest nog de vraag voor of Stack c.s. een vorderingsrecht en hypotheekrecht hebben (rov. 5.2), maar een verweer dat niet eerder is ingenomen kan geen onderdeel van de rechtsstrijd na verwijzing zijn. Na verwijzing is er namelijk in beginsel geen plaats voor nieuwe weren (zie nr. 4.7 hiervoor). De devolutieve werking van het appel houdt verder in dat – binnen de grenzen die door appellant zijn getrokken – alle in eerste instantie door partijen aangevoerde stellingen – voor zover niet prijsgegeven – in hoger beroep alsnog, dan wel op nieuw moeten worden beoordeeld. De devolutieve werking gaat er anders gezegd vanuit dat een verweer al is gevoerd. Volgens het hof is dat hier niet het geval en de daar tegen gerichte klachten slagen mijns inziens niet, zodat het hof hier ook niet de devolutieve werking heeft miskend.
4.16
De klachten van het subonderdeel stuiten op het voorgaande af.
4.17
Subonderdeel I.3 klaagt dat het hof in rov. 5.18 en 5.19 heeft miskend dat er ook overigens sprake is van een uitzondering op de tweeconclusieregel van art. 347 Rv. Als een partij in de loop van de procedure in hoger beroep de ware stand van zaken op het spoor komt en in verband daarmee alsnog een grief aanvoert tegen de feitenvaststelling, is het in strijd met de goede procesorde als de verweerder zich erop beroept dat de grief tardief is aangevoerd. Het subonderdeel voert aan dat [eisers] tot na de memorie na verwijzing op het verkeerde been zijn gezet, omdat de bijlage bij de brief van 6 februari 2020 niet Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel was, maar Annex I bij Bijlage 3 bij de cessieakte. [eisers] werden hiermee pas tijdens de zitting na verwijzing geconfronteerd. Anders dan het hof heeft overwogen is er dus wel (ook) sprake van nieuwe c.q. gewijzigde feitelijke informatie en dus van een uitzondering op de ‘in beginsel strakke regel’ van art. 347 Rv en op de aanvullingsmogelijkheid ex art. 424 Rv, althans het hof had hierop in rov. 5.19 nader moeten ingaan en daarom is het oordeel ontoereikend gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk. Het subonderdeel voert aan dat [eisers] ook een beroep op deze uitzondering op de tweeconclusieregel hebben gedaan (primair als het ‘op het verkeerde been zetten van de wederpartij’, subsidiair op een nieuwe feitelijke ontwikkeling). Het subonderdeel klaagt dat het hof in elk geval dit beroep had moeten behandelen, maar dat niet (voldoende) kenbaar heeft gedaan.
4.18
Het subonderdeel doet een beroep op nieuwe feitelijke ontwikkelingen die een nieuwe grief zouden rechtvaardigen. Het doet in dat kader ook een beroep op een in ‘de Asser’ bepleite – maar verder (nog) niet in de literatuur bepleite of in de rechtspraak aanvaarde – ‘voor de hand liggende’ uitzondering op de tweeconclusieregel, namelijk het geval dat de appellant in een onjuiste veronderstelling over de feiten verkeert op grond van omstandigheden die aan de verweerder moeten worden toegerekend en daarom geen grief heeft aangevoerd tegen hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld. Als de appellant dan in de loop van de appelprocedure de ware stand van zaken op het spoor komt en in verband daarmee alsnog een grief aanvoert tegen die feitenvaststelling, zou het in strijd zijn met een goede procesorde als verweerder zich erop zou beroepen dat de grief tardief is aangevoerd.
4.19
Een dergelijk uitzonderingsgeval doet zich hier echter niet voor. Eenvoudigweg omdat [eisers] hun – voor het eerst in de memorie na verwijzing aangevoerde – nieuwe, tardieve grief hebben gebaseerd op informatie die al in eerste aanleg aanwezig was, zoals het hof ook heeft overwogen in rov. 5.19, en dus niet op feiten die in de loop van de procedure in hoger beroep pas bekend werden. De vergissing met betrekking tot bijlage C bij Annex I werd namelijk pas bekend (kort voor) de mondelinge behandeling na verwijzing, dus nadat de nieuwe grief al was aangevoerd. Bovendien was de in eerste aanleg overgelegde productie de juiste Annex I bij Bijlage C, waaruit voor [eisers] al duidelijk was dat de naam ‘Triskalion’ niet werd vermeld, maar alleen het BCDB-nummer. Dat blijkt ook uit het feit dat de nieuwe grief nu juist gebaseerd is op het feit dat alleen een (intern) BCDB-nummer in Annex I bij Bijlage C wordt genoemd, en niet de naam ‘Triskalion’. Kortom, er is, anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, geen verband tussen de nieuwe, tardieve grief en de vergissing met betrekking tot Annex I bij Bijlage C, terwijl voor het opgaan van de uitzondering op de tweeconclusieregel waarop het subonderdeel een beroep doet, wel vereist is dat de nieuwe grief verband houdt met pas later (dus na de memorie van grieven) bekend geworden informatie. Het oordeel van het hof getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook goed te volgen.
4.20
Subonderdeel I.4 klaagt dat het hof in rov. 5.19 uitgaat van een onjuiste, want te zware, maatstaf ten aanzien van art. 347 Rv en/of art. 424 Rv, dan wel dat het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd is, omdat:
- het hof heeft miskend dat deze regel onverlet laat dat op basis van een juist feitencomplex recht moet worden gedaan, waarbij het op de weg van Stack c.s. lag om ex art. 21 Rv tijdig (dat wil zeggen bij mondelinge behandeling in eerste aanleg) de juiste Annex I bij Bijlage C over te leggen;
- het hof heeft miskend dat Stack c.s. toen juist de verkeerde bijlage hebben overgelegd, waarop niet alleen een nummer te zien is maar ook daarachter de naam ‘Triskalion’ staat, zodat de indruk wordt gewekt dat het BCDB-nummer [001] dus wordt toegelicht met de naam van de B.V. die de lening zou aangaan;
- naar de aard het een verschil maakt in het kader van de kenbaarheid naar derden bij de splitsing of er alleen een nummer staat of ook de naam van de betrokken vennootschap die het zou betreffen;
- [eisers] er uiteindelijk pas in een laat stadium achter zijn gekomen dat er in de echte Annex I bij bijlage C alleen een BCDB-nummer stond, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat zij eerst na de vernietiging en verwijzing bij memorie na verwijzing in onderhavige procedure hun stellingen daarop hebben aangepast; althans had het hof in elk geval moeten responderen op het beroep dat mr. Schelvis ter zitting heeft gedaan en moeten motiveren dat en waarom dit niet onder de uitzondering van de tweeconclusieregel zou vallen.
4.21
Ik zie de klachten van dit onderdeel ook niet slagen. Het middel gaat ten onrechte uit van de aanname dat het hof niet op basis van een ‘juist feitencomplex’ heeft beslist. Dat mist echter feitelijke grondslag omdat, zoals hiervoor uiteen is gezet, de grief was gebaseerd op informatie die al in eerste aanleg aanwezig was, zodat het hof terecht en niet onbegrijpelijk in rov. 5.19 heeft kunnen oordelen dat als [eisers] de geldigheid van de afsplitsing wilden betwisten vanwege een onnauwkeurige omschrijving van de af te splitsen vermogensbestanddelen, zij dat “in de vorige instanties [hadden] kunnen en moeten doen”. Het hof heeft deze grief daarom terecht buiten beschouwing gelaten. Het onderdeel is verder een herhaling van zetten van de subonderdelen hiervoor en ik verwijs hier daarom naar de bespreking van die subonderdelen.
4.22
Subonderdeel I.5 klaagt dat het slagen van één of meer van bovengenoemde klachten maakt dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de vermeende vordering van ABN AMRO op Triskalion rechtsgeldig is afgesplitst naar Stack, zodat dit ook onder meer rov. 2.2, 3.9, 5.5, 5.3, 5.6, 5.20 t/m 5.26, 5.34 en 5.35 en het dictum vitiëert.
4.23
Deze voortbouwklacht faalt in het voetspoor van de vorige klachten.
4.24
De klachten van onderdeel I slagen niet.
Onderdeel II
4.25
Onderdeel II is gericht tegen rov. 5.22 t/m 5.26, waarin het hof heeft geoordeeld dat Stack c.s. niet hun zorgplicht hebben geschonden en het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Stack aanspraak maakt op het depotbedrag. Het onderdeel klaagt dat rov. 5.22 t/m 5.26 getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel ontoereikend gemotiveerd zijn. Het onderdeel klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk (gemotiveerd) is omdat het hof in de aangevallen overwegingen en ook overigens in het arrest niet inhoudelijk grief IV, althans nrs. 52 t/m 65 van de memorie van grieven heeft behandeld, namelijk dat de oorzaak van de faillissementen is gelegen in de renteswaps en het niet tijdig nemen door ABN AMRO van passende maatregelen om schade voor en deconfiture van Triskalion, gelieerde vennootschappen en [eiser 1] te voorkomen. Deze klachten worden in het onderdeel eerst toegelicht en vervolgens uitgewerkt in verschillende klachten.
4.26
Voorafgaand aan de klachten wordt in het middel het volgende vooropgesteld:
(i) In het geval van een geldige afsplitsing van ABN AMRO naar Stack en in het geval ABN AMRO nog een vordering op Triskalion zou hebben gehad, moeten [eisers] dezelfde verweren kunnen aanvoeren jegens de rechtsopvolgers (onder algemene titel) als tegen de oorspronkelijke schuldeiser (art. 6:145 BW).
(ii) De rechtbank heeft de zaak afgedaan op de vaststellingsovereenkomst met betrekking tot het depotbedrag en heeft onbehandeld gelaten wat in eerste aanleg is gesteld door [eisers] over het handelen van ABN AMRO.
(iii) Onder a t/m y worden stellingen weergegeven die [eisers] in eerste aanleg en hoger beroep hebben ingenomen. Volgens subonderdeel II.1 blijkt daaruit het volgende:
a. het ontstaan van de hypothecaire leningen (sub a en b);
b. het feit dat Fortis (dat volgens Stack c.s. een rechtsvoorganger van ABN AMRO is) dwingend heeft voorgeschreven dat er renteswaps diende te worden afgesloten (sub e en g);
c. dat [eiser 1] namens de betrokken vennootschappen daaraan gevolg heeft gegeven (sub e t/m g);
d. dat [eiser 1] niet (naar behoren) is voorgelicht over de financiële gevolgen (sub f);
e. dat hij toen hij op de hoogte werd gebracht van die consequenties de nietigheid heeft ingeroepen van die swapovereenkomsten (sub h en i);
f. dat als gevolg daarvan eenzijdig € 904.085,= is afgeschreven (sub j);
g. en dat ABN AMRO op 3 november 2011 de financiering heeft opgezegd (sub x).
h. [eisers] hebben onderbouwd gesteld dat de faillissementen onnodig zijn geweest (sub w en y);
i. en dat ABN AMRO destijds maatregelen had moeten nemen in verband met de renteswaps en niet 7 jaar later (sub y).
j. De schade van [eisers] loopt in de miljoenen euro’s (sub w).
4.27
Subonderdeel II.1 betoogt dat uit hiervoor samengevatte stellingen volgt, althans daarin besloten ligt, dat het faillissement van de vennootschappen en van [eiser 1] zelf niet alleen onnodig waren indien ABN AMRO tijdig had gehandeld en zij bovendien zijn veroorzaakt door ABN AMRO en haar gestelde voorganger Fortis die aan de vennootschappen van [eiser 1] een financieel product hebben opgedrongen, waarvan het inmiddels een feit van algemene bekendheid is dat dit ondernemers veel schade heeft toegebracht en waarvoor ook in deze zaak een bedrag van zo’n € 1,5 miljoen is uitgekeerd. Daarmee staat de onrechtmatigheid van het product vast. Door dit vervolgens niet in één hand te houden, maar af te splitsen kan dus geen verrekening plaatsvinden (ook niet met de schade die ABN AMRO heeft toegebracht aan Triskalion en aan [eisers]). Daarbij is het ook een feit van algemene bekendheid dat faillissementen en gedwongen verkoop schade toebrengen.
4.28
In dat kader hebben [eisers] een beroep gedaan op analoge toepassing van art 6:145 BW (zie II.0, sub r en s) te weten dat bij overgang van een vordering zij tegenover de verkrijger dezelfde weren mogen voeren als tegenover de oorspronkelijke schuldeiser. Het hof laat dit beroep onbesproken, zodat de uitspraak niet toereikend is gemotiveerd. Dit is ook het geval omdat de in het kader van grief 4 aangevoerde argumenten niet zijn terug te vinden in rov 5.22. Het verwijzingshof had dus ook de stellingen moeten behandelen, zoals II.0, sub c t/m o, te weten dat Fortis de renteswaps dwingend had voorgeschreven, ABN AMRO eenzijdig een zodanig bedrag van de rekening afschreef dat daarmee de kredietruimte op was en ook niet bereid was tijdig het e.e.a. ongedaan te maken, zodat dit tot een reeks van faillissementen leidde. Dat betekent dat het dus niet uitsluitend gaat om een zorgplicht ten tijde van de depotovereenkomst, maar ook al in 2011. Het hof laat dit beroep (en daarmee grief 4, nrs. 52 t/m 65) onbesproken en oordeelt in rov. 5.22 t/m 5.26 slechts dat als de afsplitsing niet had plaatsgevonden, ABN AMRO haar bevoegdheden op grond van het hypotheekrecht kan uitoefenen, ook als de verrekening was toegepast die volgens [eisers] had moeten plaatsvinden (zie rov. 5.14) en dat Triskalion c.s. en [eiser 1] dan niet beter af waren geweest. Dat oordeel is dus in het licht van de stellingen sub c t/m o onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd.
4.29
Dat zelfde geldt voor het daaropvolgende oordeel van het hof dat er daarom ook geen grond is om aan te nemen dat ABN AMRO en Stack met de afsplitsing hebben beoogd de positie van Triskalion c.s. en [eiser 1] te verslechteren en dat ook in dat opzicht dus niet kan worden gezegd dat ABN AMRO/Stack haar zorgplicht niet heeft nageleefd (rov. 5.25). Dit oordeel is in het licht van de stellingen sub c t/m o onbegrijpelijk, althans dit oordeel is zonder nadere toelichting niet toereikend gemotiveerd. Immers, [eisers] hebben aldus onmiskenbaar aangevoerd dat (1) ABN AMRO destijds al had moeten compenseren (de ‘route Deelstra’), (2) dat heeft nagelaten en (3) daardoor de faillissementen zijn ontstaan. Zie daarover ook de stellingen sub u t/m y die het hof evenzeer goeddeels onbesproken laat. Ook daarom is het oordeel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd.
4.30
Zie ik het goed – het subonderdeel is vrij lastig te volgen – dan bevat het subonderdeel drie motiveringsklachten, die ik hierna achtereenvolgens bespreek. Ik begin echter met vast te stellen dat voor al deze klachten geldt dat het middel niet duidelijk maakt waarom het oordeel in het licht van de aangevoerde stellingen onbegrijpelijk zou zijn. Het subonderdeel herhaalt voortdurend (veel) stellingen die zijn ingenomen, maar licht niet toe waarom die het gegeven oordeel onbegrijpelijk maken. Alleen daarom al falen de klachten. De klachten falen daarnaast om de volgende redenen.
4.31
Het subonderdeel klaagt ten eerste dat het oordeel niet toereikend is gemotiveerd omdat het hof niet [eiser 1]’ beroep op analoge toepassing van art. 6:145 BW heeft besproken. Dat beroep heeft [eisers] gedaan in de memorie van grieven, nrs. 117 en 118, waar zij hebben betoogd dat zij, als derdenhypotheekhouder, in een slechtere positie komen te verkeren omdat ABN AMRO niet de schuld van Triskalion c.s. heeft verrekend met de vordering van Triskalion c.s. in verband met de renteswaps (zie II.0, de stellingen sub r en s). Volgens [eisers] komt hun ook een beroep op verrekening toe op grond van analoge toepassing van art. 6:145 BW, dat bepaalt dat de overgang van een vordering de verweermiddelen van een schuldenaar onverlet laat.
4.32
De klacht mist feitelijke grondslag omdat het hof dit beroep wél heeft meegenomen in zijn beoordeling. Het beroep op analoge toepassing van art. 6:145 BW hebben [eisers] gedaan met het oog op het beroep op verrekening dat Triskalion c.s. volgens hen had kunnen doen. Het hof heeft in rov. 5.14 geoordeeld dat ‘daargelaten dat geen verrekening heeft plaatsgevonden’, niet valt in te zien dat ABN AMRO per saldo geen vordering meer op Triskalion c.s. zou hebben gehad, gelet op de hoogte van de vorderingen van de bank. Daarin ligt besloten dat ook al zou het beroep op verrekening opgaan, [eisers] daar nog geen baat bij hebben omdat (eerst de bank, en nu) Stack c.s. nog steeds meer hebben te vorderen. Het hof heeft dus veronderstellenderwijs aangenomen dat [eisers] jegens Stack c.s. (onder analoge toepassing van art. 6:145 BW) een beroep kunnen doen op verrekening, en geoordeeld dat in die situatie Stack c.s. nog steeds een vordering hadden gehad op Triskalion c.s. die het in het depot gestorte bedrag ‘ruim oversteeg’ (ro. 5.14). Het hof heeft kortom het beroep op art. 6:145 BW meegenomen in zijn beoordeling, namelijk in rov. 5.14, waarnaar het hof ook terugverwijst in rov. 5.25. Dat oordeel is goed te volgen.
4.33
Het subonderdeel klaagt verder dat het oordeel onbegrijpelijk is in het licht van grief 4, waarvan de relevante stellingen zijn weergegeven in het subonderdeel sub c t/m o (het betreft een weergave van de memorie van grieven, nrs. 44, 52 t/m 65). Grief 4 heeft echter betrekking op het verweer van [eisers] dat Stack geen vorderingsrecht heeft (zie het opschrift boven de memorie van grieven, nr. 48), welk verweer wordt uitgewerkt in nrs. 52 t/m 80, onder het opschrift ‘§ 4.2 Geen vordering van Stack NewCo.’. De stellingen waar het subonderdeel een beroep op doet zijn dus niet aangevoerd in de context van het beroep op de schending van een zorgplicht door Stack en het beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (dat staat in memorie van grieven, nrs. 110 t/m 119 en betreft grief 7) ingenomen, maar in een geheel andere context. Alleen daarom al hoefde het hof die stellingen niet in rov. 5.22 t/m 5.26 te behandelen en faalt de klacht. Afgezien daarvan maken de stellingen die in het kader van grief 4 zijn ingenomen het oordeel ook niet onbegrijpelijk. Kennelijk betoogt het subonderdeel dat sprake was van een zorgplichtschending van ABN AMRO, dan wel van Stack c.s., niet alleen ten tijde van de depotovereenkomst, maar ook al eerder, namelijk in 2011 (“Dat betekent dat het dus niet uitsluitend gaat om een zorgplicht ten tijde van de depotovereenkomst, maar ook al in 2011.”). In 2011 zijn de renteswapovereenkomsten aangegaan waarmee de bank zorgplicht zou hebben geschonden. Zoals gezegd is dat echter niet aangevoerd in het kader van het beroep op een zorgplichtschending en bovendien heeft het hof dit ook in zijn oordeel meegenomen, omdat het in rov. 5.14 heeft geoordeeld dat ‘uit de stellingen over de rentederivatenkwestie’ niet volgt dat de bank geen vordering op Triskalion meer had, en dat de betaling uit hoofde van het Uniform Herstelkader Rentederivaten “aangenomen moet worden dat daarmee de schade is vergoed die Triskalion heeft geleden als gevolg van de destijds afgesloten renteswap (inclusief rente)”. Kortom, die zorgplichtschending in 2011 en de daardoor geleden schade is al vergoed en dan nog steeds heeft de bank (en inmiddels Stack c.s.) meer te vorderen. Zie rov. 5.14 waar het hof ook naar verwijst in rov. 5.25.
4.34
Het subonderdeel klaagt tot slot ook nog dat rov. 5.25 onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is in het licht van de stellingen sub c t/m o. Ook hier geldt dat het betoog van [eisers] door het hof is meegenomen in de beoordeling, namelijk in de context waarin [eiser 1] c.s het hebben aangevoerd, en dat het hof deze stellingen niet hoefde te beoordelen in de context van de zorgplicht en derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid waar deze stellingen niet zijn aangevoerd. Nog afgezien daarvan maken de stellingen die het subonderdeel aanvoert ook niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 5.25 heeft geoordeeld dat er geen grond is om aan te nemen dat Stack c.s. hebben beoogd de positie van Triskalion c.s. te verslechteren door de afsplitsing. Terloops (bijvoorbeeld in de voetnoot die op p. 20-21 van de procesinleiding wordt geciteerd, waar het subonderdeel blijkbaar veel gewicht aan toekent) hebben [eiser 1] c.s nog een enkele maal opgemerkt dat de renteswapproducten tot de faillissementen hebben geleid, maar aan die stellingen hebben zij verder geen rechtsgevolg verbonden. Het betoog is nu juist dat de zorgplichtschending ligt in het feit dat de bank niet heeft verrekend, maar de vordering op Triskalion c.s. heeft afgesplitst naar Stack en daarmee verrekening door Triskalion c.s. heeft proberen te voorkomen, dan wel dat de zorgplichtschending ligt in het aanspraak maken op het depotbedrag. Het hof hoefde in dat kader niet in te gaan op terloops (in een voetnoot) ingenomen en niet uitgewerkte stellingen over de oorzaak van de faillissementen. Het oordeel is dus niet onbegrijpelijk.
4.35
Op het voorgaande stuiten de klachten af.
4.36
Subonderdeel II.2 klaagt dat hof in rov. 5.22 t/m 5.26 heeft miskend, althans onbesproken heeft gelaten dat de zorgplicht zoals aangekaart in de MvG, nrs. 113 t/m 119 (II.0, sub p t/m t) en uitgebouwd in II.0, sub u t/m y) (ook) ziet op de handelwijze van ABN AMRO als (gestelde) rechtsvoorganger van Stack als geheel, zodat het hof daarbij ook de stellingen in II.0, sub a t/m o en u t/m y had moeten betrekken. Het hof heeft dit hetzij nagelaten, hetzij heeft het zijn oordeel op dit punt ontoereikend gemotiveerd. In het bijzonder volgt uit de memorie van grieven, nrs. 115 t/m 119 met een beroep op de analoge toepassing van art 6:145 BW (zie onderdeel II.1), dat [eisers] stellen dat zij dezelfde verweren die zij jegens ABN AMRO geldend kunnen maken ook jegens Stack moeten kunnen aanvoeren. Daarin ligt niet alleen besloten dat ABN AMRO al veel eerder had moeten verrekenen, maar ook dat zij verantwoordelijk is voor de gevolgen van het gehele renteswapdebacle.
4.37
Het subonderdeel klaagt verder dat het hof eraan voorbij heeft gezien, althans onbesproken heeft gelaten, dat ABN AMRO als bank al ten tijde van het aangaan van de renteswaps een zorgplicht had, maar zeker toen de consequenties daarvan duidelijk werden. Uit bovengenoemde stellingen volgt dat het besef er wel was (getuige de brief van mw. Deelstra, zie II.0, sub c, j, m, n en u), maar dat ABN AMRO niet bereid was om destijds tot een werkbare oplossing te komen (zie bijvoorbeeld sub l en m) en dat dit vervolgens heeft geleid tot een reeks faillissementen en executoriale verkopen in een op dat moment slechte vastgoedmarkt. Vervolgens wordt zeven jaar later, in 2019 als het kalf verdronken is, alsnog een vergoeding van zo’n € 1,5 miljoen aan schadevergoeding betaald en dan ook nog op een zodanige wijze via een vestzak-broekzakconstructie, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien het aandeel van ABN AMRO hierin geen rol speelt of kan spelen. En dan is dat niet beperkt tot de mogelijkheid om (eerst) na zeven jaar te verrekenen. Althans het hof had zijn oordeel op dit punt beter moeten motiveren.
4.38
Dit subonderdeel lijkt mij (grotendeels) een herhaling van het vorige subonderdeel. Kennelijk beoogt het dat het hof bij de beoordeling of Stack c.s. hun zorgplicht hebben geschonden, dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar hebben gehandeld, al het handelen van ABN AMRO, als rechtsvoorganger van Stack, had moeten meenemen in de beoordeling (‘als geheel’). Dus niet alleen het beroep op verrekening, maar ‘het gehele renteswapdebacle’, waaronder de zorgplicht van ABN AMRO ten tijde van het aangaan van de renteswaps. Zoals gezegd heeft het hof dat meegenomen in zijn beoordeling, namelijk in rov. 5.14, waarin het ingaat op de ‘stellingen van [eisers] over de rentederivatenkwestie’, en waarnaar het hof terugverwijst in rov. 5.25. De klachten missen zo bezien feitelijke grondslag. Het oordeel van het hof is verder niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd in het licht van wat het subonderdeel aanvoert.
4.39
De klachten van onderdeel II slagen niet.
Onderdeel III
4.40
Onderdeel III is gericht tegen rov. 5.11 t/m 5.15, 5.23 t/m 5.24 en 5.30. In rov. 5.11 t/m 5.15 heeft het hof het verweer van [eisers] beoordeeld dat er geen sprake meer was van een vordering van ABN AMRO en dat het hypotheekrecht daarmee (als afhankelijk recht) van rechtswege is vervallen, zodat Stack c.s. ook geen (door een hypotheek verzekerde) vordering hebben. Dat verweer heeft het hof verworpen. In rov. 5.23 t/m 5.24 heeft het hof daarop verder gebouwd bij zijn oordeel dat Stack c.s. hun zorgplicht niet hebben geschonden, en niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar hebben gehandeld door aanspraak te maken op het depotbedrag. In rov. 5.30 heeft het tot slot geoordeeld dat (na verwijzing) ‘niet meer speelt’ dat Stack c.s. rekening en verantwoording moeten afleggen over de hoogte van de vermeende vorderingen op de dochtervennootschappen en op welke wijze de door die vennootschappen gestelde zekerheden zijn uitgewonnen.
4.41
Subonderdelen III.1 t/m III.3 bestrijden met verschillende rechts- en motiveringsklachten rov. 5.14 en kunnen gezamenlijk worden behandeld. Rov. 5.14 luidt als volgt (de indeling in vetgedrukte letters is overgenomen uit de procesinleiding):
“[a] Uit de stellingen van [eisers] over de rentederivatenkwestie volgt verder ook niet dat de bank geen vordering op Triskalion meer had. [b] Zoals [eisers] stellen, heeft ABN AMRO in 2020 uit hoofde van het Uniform Herstelkader Rentederivaten een vergoeding van 6 1.532.879,08 betaald aan de boedel van Triskalion. [c] Aangenomen moet worden dat daarmee de schade is vergoed die Triskalion heeft geleden als gevolg van de destijds afgesloten renteswap (inclusief rente). [d] Daargelaten dat geen verrekening heeft plaatsgevonden, valt niet in te zien dat ABN AMRO per saldo geen vordering op Triskalion c.s. meer zou hebben gehad, gelet op de hoogte van de vorderingen van de bank. [e] Hetzelfde geldt voor de - door Stack c.s. overigens betwiste - stelling van [eisers] dat de bank al in 2010, 2011 of 2012 heeft toegezegd een bedrag van circa € 900.000 te betalen. [f] Ook als dat het geval is geweest, valt niet aan te nemen dat de bank in geval van verrekening geen vordering op Triskalion c.s. meer zou hebben gehad die het in depot gestorte bedrag van € 416.981,71 ruim oversteeg.”
4.42
De subonderdelen III.1 t/m III.3 klagen dat deze oordelen rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd zijn in het licht van de stellingen die zijn aangevoerd in subonderdeel II.0. Deze stellingen, die ongeveer zes pagina’s beslaan, houden in essentie het volgende in. Voor de (continuering van de) financiering van Triskalion en de gelieerde vennootschappen vereiste (de rechtsvoorganger van) ABN AMRO dat deze vennootschappen renteswapovereenkomsten aangingen; de renteswaps waren gebrekkige producten en Triskalion c.s. hebben deze overeenkomsten wegens dwaling vernietigd; de bank heeft vervolgens € 904.085,- afgeschreven in verband met de afkoop van de renteswap, waardoor de kredietruimte is overschreden en de kredietovereenkomsten door de bank zijn opgezegd; als de renteswapovereenkomsten niet waren aangegaan, dan wel ABN AMRO Triskalion c.s. tijdig hadden gecompenseerd voor de schade ten gevolge van de renteswaps, dan hoefde het krediet niet door ABN AMRO te worden opgezegd en dan hadden er geen faillissementen en geen executieverkopen hoeven plaatsvinden; de faillissementen en de daaropvolgende uitwinning van de zekerheden hebben Triskalion c.s. – en uiteindelijk ook [eisers] – miljoenen euro’s schade toegebracht.
4.43
De klachten van genoemde subonderdelen slagen niet. Het hof heeft deze stellingen beoordeeld en verworpen, en dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Ik licht dat toe.
4.44
Allereerst heeft het hof in rov. 5.13 geoordeeld dat ABN AMRO vóór de overgang van de vordering naar Stack een vordering op Triskalion had van € 1.638.921,79 en dat is nog exclusief het buiten incasso gesteld bedrag van € 3.000.000, dat Triskalion nog steeds verschuldigd was. In dezelfde rechtsoverweging heeft het hof geoordeeld dat dit bevestigt dat er wel degelijk op het moment van aangaan van de depotovereenkomst (4 juli 2017) nog een vordering van de bank, respectievelijk van 27 juni van Stack c.s., op Triskalion bestond die het in het depot gestorte bedrag van € 416.981,71 ruim oversteeg. Vervolgens heeft het hof in rov. 5.14 geoordeeld dat uit de stellingen van [eisers] over ‘de rentederivatenkwestie’ niet volgt dat de bank geen vordering meer had op Triskalion. Kort gezegd, omdat zelfs als veronderstellenderwijs (dat volgt uit het feit dat het hof heeft vastgesteld dat er geen verrekening heeft plaatsgevonden) van verrekening van de vordering van Triskalion op ABN AMRO wordt uitgegaan, de bank ook dan een vordering op Triskalion c.s. zou hebben gehad die het depotbedrag ruim oversteeg.
4.45
In wat het hof omschrijft als de ‘rentenderivatenkwestie’ zijn alle stellingen van [eisers] die de subonderdelen aanvoeren beoordeeld en verworpen. De klacht van subonderdeel III.1 dat rov. 5.14 sub a onbegrijpelijk is, omdat zonder de ‘rentederivatenkwestie’ Triskalion c.s. nooit zouden zijn gefailleerd en er dus helemaal niets te vorderen viel van Triskalion c.s., faalt. Allereerst hebben [eisers] niet nader onderbouwd en slechts terloops af en toe in de processtukken opgemerkt dat Triskalion c.s. niet zouden zijn gefailleerd zonder de rentederivatenkwestie en dat zij daar miljoenen euro’s schade door hebben geleden. Dat maakt al dat het hof niet (uitgebreid gemotiveerd) op deze stellingen hoefde in te gaan. Bovendien volgt zelfs uit een (hypothetische) situatie zonder faillissement van Triskalion c.s. niet dat de bank niets meer te vorderen had van Triskalion c.s. Integendeel, ook dan had de bank een vordering en een tot zekerheid daarvan strekkend hypotheekrecht dat het mocht uitoefenen, zo ligt in het oordeel van het hof besloten. Ook in dat geval gaat de redenering van het hof met andere woorden op, zodat de aangevoerde stellingen het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk maken.
4.46
De klacht van subonderdeel III.2 dat het hof met zijn oordeel in rov. 5.14 sub c buiten het partijdebat is getreden, slaagt ook niet. De schade die Triskalion c.s. hebben geleden door de ‘rentederivatenkwestie’ was onderdeel van het partijdebat. Het subonderdeel doet nota bene namelijk zelf ook beroep op stellingen over de schade. Voor zover het subonderdeel klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is, omdat [eisers] hebben gesteld dat ‘veel meer schade’ was geleden, kan het evenmin slagen. Zij hebben namelijk niet concreet gemaakt, laat staan onderbouwd, hoeveel schade is geleden, behalve het bedrag van € 1.532.879,08 dat is uitgekeerd aan de boedel van Triskalion door ABN AMRO in 2020 op grond van het Uniform Herstelkader Rentederivaten. Het ligt dan voor de hand, en het hofoordeel is dus niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering, dat het hof van dat enige concrete en onderbouwde schadebedrag is uitgegaan.
4.47
De rechtsklachten van subonderdeel III.3 zijn niet (voldoende) toegelicht. Ik zie ook niet in hoe het hof art. 149 Rv zou hebben miskend. Hierbij is van belang dat stelplicht en bewijslast van het vermeende onrechtmatig handelen van ABN AMRO in de ‘rentederivatenkwestie’ en de schade die Triskalion c.s. (en in het verlengde daarvan [eisers]) hebben geleden, op [eisers] rustte. Verder volg ik niet dat volgens het subonderdeel de in rov. 5.14 sub d en e genoemde stellingen enerzijds ‘als hypothetisch feitelijke grondslag hebben te gelden’ en anderzijds rechtens onjuist en onbegrijpelijk zijn. Voor zover het subonderdeel opnieuw klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat zonder de rentederivatenkwestie Triskalion c.s. niet zouden zijn gefailleerd, faalt het ook. Zoals gezegd is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, omdat ook in dat (hypothetische) geval niet valt in te zien dat de bank geen vordering had die het depotbedrag ‘ruim oversteeg’. Daarbij is verder ook van belang dat Stack c.s. onderbouwd hebben betwist dat de renteswap, althans de afkoop daarvan (namelijk de eenzijdige afschrijving van het bedrag van circa € 900.000 door ABN AMRO), tot de financiële problemen van Triskalion hebben geleid (tot de opzegging van het krediet).
4.48
Kortom, de klachten van subonderdelen III.1 t/m III.3 falen.
4.49
Subonderdeel III.4 klaagt dat het hof in rov. 5.11 t/m 5.15, 5.22 t/m 5.25 en 5.30 heeft miskend dat op Stack c.s. de stelplicht en bewijslast rusten van (1) het feit dat zij op 4 juli 2017 een vordering op Triskalion hadden en (2) de hoogte van die vordering, omdat zij zich op het rechtsgevolg beroepen dat het depot aan hen toekomt. Het subonderdeel klaagt verder dat het hof in de bestreden overwegingen heeft miskend dat uit de stellingen van Stack c.s. volgt dat de vordering op Triskalion medio 2017 lager was dan de compensatie die ABN AMRO aan Triskalion verschuldigd was, zodat executie onnodig was en dus in strijd met de zorgplicht. Vervolgens volgt in het subonderdeel een ‘toelichting en verdere uitwerking’ van deze klachten onder de nummers 1 t/m 13. Het betreft een weergave van het partijdebat, met verwijzingen naar de processtukken, met andere woorden wat Stack c.s. hebben gesteld en onderbouwd met betrekking tot de vordering op Triskalion, en wat [eisers] hebben betwist. Ik verwijs kortheidshalve naar de procesinleiding, p. 25-29, waar betreffende paragrafen zijn opgenomen.
4.50
De klachten slagen niet. Ik licht dat toe.
4.51
Het subonderdeel klaagt op verschillende manieren dat het hof heeft miskend dat stelplicht en bewijslast van de (hoogte van de) vordering op Triskalion op Stack c.s. rusten. Die klachten missen feitelijke grondslag. Ik lees nergens in de bestreden overwegingen, dan wel ergens anders in het bestreden arrest, dat het hof de stelplicht en bewijslast van het bestaan en omvang van de vordering bij [eisers] zou hebben gelegd, en niet bij Stack c.s. Uit de bestreden overwegingen blijkt integendeel dat het hof op basis van een beoordeling van de over en weer door partijen aangevoerde stellingen heeft geoordeeld dat er op het moment van het aangaan van de depotovereenkomst (4 juli 2017) nog een vordering van de bank was op Triskalion (rov. 5.13) en dat de ‘rentenderivatenkwestie’ niet maakt dat de bank geen vordering meer had (rov. 5.14), zodat het standpunt van [eisers] dat het hypotheekrecht is vervallen omdat geen sprake meer was van een vordering van ABN AMRO, niet opgaat (rov. 5.15). In die beoordeling ligt een verwerping besloten van de stellingen van [eisers] die het subonderdeel aanvoert. Het feit dat het verweer van [eisers] tegen de aanspraak die Stack c.s. maken op het depotbedrag niet is geslaagd, maakt niet dat het hof de stelplicht- en bewijslastverdeling heeft miskend, dan wel dat het oordeel onbegrijpelijk of ontoereikend zou zijn gemotiveerd. Het subonderdeel maakt overigens ook niet duidelijk waaruit dat zou blijken. Het enkele weergeven (dus: herhalen) van stellingen van [eisers] die door het hof in de bestreden rechtsoverwegingen zijn verworpen, is niet voldoende. Dat brengt mij bij het tweede punt.
4.52
In feite wordt geprobeerd het debat over de (hoogte van de) vordering op Triskalion ten tijde van het aangaan van de depotovereenkomst in cassatie nog eens over te doen. Het subonderdeel stuurt kortom aan op een herbeoordeling van de feiten. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats, omdat die beoordeling is voorbehouden aan de feitenrechter. Het oordeel van de feitenrechter kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst, namelijk op begrijpelijkheid (van de motivering). De drempel voor het slagen van een motiveringsklachten is daarbij hoog: zelfs als een andere uitleg van stellingen, processtukken, producties, getuigenverklaringen en dergelijke ook, of zelfs beter, verdedigbaar is, is dat niet voldoende voor cassatie van de uitspraak.
4.53
Op grond van het voorgaande falen m.i. de klachten van het subonderdeel reeds. Ik zal hierna voor de volledigheid nog kort ingaan op de verschillende klachten die zijn geformuleerd in het subonderdeel onder 1 t/m 13 en waarmee [eisers] in wezen het debat in feitelijke aanleg herhalen.
- Ad (1). De hier genoemde stellingen van [eisers] zijn door het hof meegenomen en verworpen. Het hof is verder niet uitgegaan van de kredietruimte. Die kredietruimte heeft het weliswaar weergegeven in rov. 5.12, maar uit het vervolg blijkt dat het hof bij de beoordeling van de vraag of er een vordering van de bank was, is uitgegaan van de vordering die ABN AMRO daadwerkelijk op Triskalion c.s. had. Het hof heeft verder de afboeking van ruim € 900.000 ter zake van het rentederivaat en het positieve banksaldo van Triskalion per 30 november 2016 meegenomen in zijn beoordeling. Beide stellingen zijn verworpen, omdat de rentederivaatkwestie niet maakt dat de bank geen vordering meer had die het depotbedrag ‘ruim oversteeg’ (rov. 5.14) en het positieve banksaldo wordt verklaard door een administratief buiten incasso stellen door de bank van verschillende bedragen en [eisers] geen feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de bank afstand van haar vordering tot deze bedragen heeft gedaan, bovendien kwamen de schulden (debetsaldi) van de andere vennootschappen waarvoor Triskalion hoofdelijke aansprakelijk was daar nog bij (rov. 5.13).
- Ad (2). Ook de hier aangehaalde stellingen zijn door het hof verworpen in rov. 5.12 t/m 5.15. Het hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat bij het aangaan van de depotovereenkomst de bank nog steeds een vordering had. Het feit dat Stack c.s. in haar correspondentie en processtukken andere (aanzienlijk lagere) bedragen heeft genoemd, doet daar niet aan af (rov. 5.13) Het hof heeft daarmee niet art. 149 Rv miskend.
- Ad (3). Opnieuw noemt het subonderdeel stellingen die het hof uitdrukkelijk heeft meegenomen in zijn beoordeling in rov. 5.11 t/m 5.15. Het hof heeft verder niet miskend dat het om feiten gaat die zich in het domein van Stack c.s. bevinden en die [eisers] slechts algemeen kunnen betwisten. Verder hebben Stack c.s. hun vordering met ‘verificatoire bescheiden’ onderbouwd. Ik verwijs naar het overzicht van de stukken die Stack c.s. hebben aangeleverd in de schriftelijke toelichting van Stack c.s. nr. 39.
- Ad (4). Het hof heeft niet miskend dat [eisers] getracht hebben zoveel mogelijk aan hun betwistingsplicht te doen. Het hof heeft die betwisting echter niet voldoende geacht. Het hof heeft verder uitgebreid gemotiveerd waarom het positieve banksaldo van Triskalion op 30 november 2016 niet maakt dat de bank geen vordering meer had op Triskalion c.s. en dat oordeel is goed te volgen. Zie (nogmaals) rov. 5.13.
- Ad (5). Kennelijk gaat het subonderdeel er hier zelf ook vanuit dat ABN AMRO – in ieder geval na saldering – een vordering op Triskalion c.s. had. Wat maakt dat het oordeel dat de bank c.q. Stack c.s. ten tijde van de depotovereenkomst een vordering op Triskalion c.s. had, niet onbegrijpelijk is. Verder hebben, anders dan het subonderdeel lijkt te klagen, Stack c.s. ‘verificatoire bescheiden’ overgelegd waaruit de hoogte van de vordering blijkt, en waar het hof ook uitvoerig naar verwijst in de bestreden rechtsoverwegingen (m.n. in rov. 5.12).
- Ad (6). Het verweer van [eisers] dat Stack c.s. zich verschillend hebben uitgelaten over de hoogte van de vordering heeft het hof gemotiveerd verworpen in rov. 5.13. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste maatstaf betreffende art. 149 Rv, en is ook niet onbegrijpelijk. Het hof heeft zich juist gebaseerd op bescheiden waaruit de hoogte van de vordering blijkt.
- Ad (7). Ook hier geldt dat het hof zich heeft gebaseerd op de door partijen overgelegde stukken, waaronder bankafschriften (meervoud), zie rov. 5.12. De klacht van [eisers] dat het hof heeft miskend dat maar één rekeningafschrift is overgelegd faalt, omdat het hof feitelijk anders heeft vastgesteld.
- Ad (8). Opnieuw klaagt het subonderdeel dat geen concreet bewijs is overgelegd door Stack c.s. De klacht faalt, omdat Stack c.s. dat wel hebben gedaan, zoals het hof in de bestreden rechtsoverwegingen ook uiteen zet. Het subonderdeel voert verder nog een aantal stellingen aan, maar verwijst niet naar processtukken in feitelijke instanties waar die stellingen zijn ingenomen, zodat de klacht al om die reden faalt.
- Ad (9). Dit randnummer bevat een herhaling van zetten.
- Ad (10). Ook deze klachten falen, omdat het niet overleggen van ‘notariële afrekeningen’ door Stack c.s., wat daarmee ook moge zijn bedoeld, niet maakt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, of ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft, zoals gezegd, op basis van verschillende overgelegde bescheiden toereikend gemotiveerd geoordeeld dat de bank c.q. Stack c.s. ten tijde van de depotovereenkomst een vordering op Stack c.s. hadden. In het oordeel van het hof ligt een verwerping van de stellingen van [eisers] besloten.
- Ad (11). Niet valt in te zien, anders dan het subonderdeel hier klaagt, dat het hof heeft miskend dat particulieren/consumenten beschermd dienen te worden tegen onrechtmatig handelen van een bank. Het hof heeft namelijk meegewogen dat Triskalion c.s. schade hebben geleden door de ‘rentederivatenkwestie’ en om die reden circa € 1,5 miljoen op grond van het Uniform Herstelkader Rentederivaten is overgemaakt door ABN AMRO aan de boedel van Triskalion (rov. 5.14). Verder heeft het hof niet te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van Stack c.s. De rechtsopvatting van het middel dat ‘een gestelde rechtsopvolger die aanspraak maakt op het laatste staartje executieopbrengst’ een hogere stelplicht heeft, vindt geen steun in het recht. Verder hebben, anders dan het subonderdeel klaagt, Stack c.s. niet ‘ongemotiveerd geroepen’ welke vordering zij nog hebben op Triskalion c.s. (en daarmee op het depotbedrag). Het hof heeft nu juist op basis van bescheiden en overzichten geoordeeld welke vordering Stack c.s. hebben.
- Ad (12). Deze klachten zien op rov. 5.22 t/m 5.24. Het subonderdeel klaagt onder 12 dat Stack c.s. wel hun zorgplicht hebben geschonden, dan wel niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid hebben gehandeld, door aanspraak te maken op het depotbedrag, omdat zij wisten, dan wel behoorden te weten dat Triskalion c.s. een vordering op de bank hadden, die hoger was dan de vordering van de bank op Triskalion c.s. Deze klachten gaan niet op. Daarbij heeft het hof wel de feitelijke situatie in juli 2017 beoordeeld, zie rov. 5.13, aan het einde, waar wordt geoordeeld dat op 4 juli 2017 nog een vordering op Triskalion c.s. bestond die het depotbedrag ‘ruim oversteeg’. Verder bepleit het subonderdeel dat de vordering van de bank een ander bedrag betreft, o.m. omdat Triskalion een ‘aanzienlijke tegenvordering’ hebben. Deze stellingen zijn door het hof echter gemotiveerd verworpen in rov. 5.11 t/m 5.15. De daartegen gerichte klachten slagen bovendien niet. De klachten gericht tegen rov. 5.22 t/m 5.24 slagen daarom ook niet.
- Ad (13). Het subonderdeel voert een ‘tegenvordering die vele malen de vordering van ABN AMRO overstijgt’ aan. Die tegenvordering van Triskalion c.s. wordt verder niet onderbouwd in het subonderdeel, noch in de processtukken in feitelijke instanties. De enige concrete schade(vergoeding) die is genoemd, is het bedrag dat in het kader van het Uniform Herstelkader Rentederivaten aan de boedel van Triskalion c.s. is uitgekeerd. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof bij dit enige concrete schadebedrag heeft aangesloten (rov. 5.14), en niet bij de niet nader onderbouwde stellingen van [eisers] dat de schade ‘vele miljoenen’ enz. betrof. Die stellingen mocht het hof als niet (voldoende) onderbouwd passeren. Bovendien hebben Stack c.s. gemotiveerd betwist dat sprake was van een ‘onrechtmatige eenzijdige afboeking van meer dan € 900.000’ en dat die afboeking een ‘reeks faillissementen’ heeft veroorzaakt. Het hof heeft de andersluidende stellingen van [eisers] in rov. 5.11 t/m 5.15 verworpen en dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
4.54
Subonderdeel III.5 is gericht tegen rov. 5.30, dat als volgt luidt:
“[eisers] hebben opgemerkt dat ABN AMRO gehouden was zich uit te laten over de hoogte van de vermeende vorderingen op de dochtervennootschappen [kennelijk worden bedoeld de aan Triskalion gelieerde vennootschappen, zie rov. 3.7, A-G] en op welke wijze de door die vennootschappen gestelde zekerheden zijn uitgewonnen. Volgens hen rust deze verplichting om rekening en verantwoording af te leggen ook op Stack, nu de vermeende vordering op haar is overgegaan. Naar aanleiding daarvan hebben Stack c.s. bij schriftelijk pleidooi de e-mail van mr. Meuleman van 16 mei 2021 overgelegd, waarin is weergegeven hoe de vordering is opgebouwd. Ook is daarin een toelichting gegeven op de opbrengst van de zekerheden. [eisers] zijn daarop niet meer ingegaan in hun reactie op het schriftelijk pleidooi. In de memorie na verwijzing hebben zij dit punt ook niet meer vermeld. Het hof gaat er daarom van uit dat dit niet meer speelt.”
4.55
Het subonderdeel klaagt dat het oordeel dat [eisers] hierop niet meer in de verwijzingsprocedure zijn teruggekomen, onbegrijpelijk is omdat een betwisting van de bewijswaarde van dit Excelbestand te vinden is in nr. 21 van de spreekaantekeningen. Het klaagt verder dat het oordeel blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans zonder nadere toelichting die ontbreekt onbegrijpelijk is, dan wel ontoereikend gemotiveerd, omdat [eisers] dit verweer niet hebben prijsgegeven. Dit vitiëert ook rov. 5.11 t/m 5.16 en 5.22 t/m 5.25 en het dictum, zo klaagt het subonderdeel tot slot.
4.56
Deze klachten falen. Het hof heeft namelijk niet geoordeeld dat het verweer door [eisers] is prijsgegeven, zodat de klachten dus feitelijke grondslag missen voor zover zij dit tot uitgangspunt nemen. Het oordeel van het hof houdt daarentegen in dat Stack c.s. rekening en verantwoording hebben afgelegd, namelijk middels de e-mail met toelichting waaraan het hof in rov. 5.30 refereert, en dat [eisers] die rekening en verantwoording niet (voldoende onderbouwd) hebben betwist. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. De betwisting waar het subonderdeel een beroep op doet (Spreekaantekeningen [eisers] van 16 december 2024, nr. 21) is namelijk heel summier. Daar wordt enkel zonder nadere onderbouwing gesteld dat het Excelbestand geen bewijswaarde kan hebben en dat [eisers] de hoofdsom, de kosten en de rente betwisten, en van deze stelling (tegen)bewijs aanbieden. Het persisteren in de memorie na verwijzing in eerder ingenomen stellingen is verder ook geen (voldoende) betwisting van die rekening en verantwoording. De rechts- en motiveringsklachten van het subonderdelen stuiten op het voorgaande af. De voortbouwklacht van het subonderdeel faalt in het voetspoor hiervan ook.
4.57
De voortbouwklachten van onderdelen III.6 en V slagen gezien het falen van de voorgaande klachten ook niet.
4.58
Onderdelen III en V slagen niet.
5Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1147, NJ 2026/209 (zaaknr. 25/01509) en HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1148, NJ 2026/210 (zaaknr. 25/01510).
De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:2758, rov. 3.1 t/m 3.15.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2020 (niet gepubliceerd).
Hof ’s-Hertogenbosch 5 juli 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2190.
Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1805, RvdW 2024/57.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/106.
P. Koerts, T&C Rv, commentaar op art. 347 Rv, aant. 2c onder verwijzing naar HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561, HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2161, NJ 1997/66 ([…]/Pensioenfonds) en HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3032, NJ 2007/344 (Maclaine Pont/[…]).
Zie Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/107; P. Koerts, T&C Rv, commentaar op art. 347 Rv, aant. 2c en J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 2 met verdere verwijzingen naar rechtspraak waarin deze uitzonderingen zijn aanvaard en met voorbeelden.
J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 2, onder verwijzing naar HR 25 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1758, RvdW 2022/1163 en de noot van G.C.C. Lewin bij HR 22 december 2017, Jbpr 2018/9.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/108.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/107 en P. Koerts, T&C Rv, commentaar op art. 347 Rv, aant. 2c, beide met verdere verwijzingen.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/107. In nr. 113 wordt dit geval besproken.
J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 2, onder verwijzing naar HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, NJ 2012/293.
J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 2, onder verwijzing naar HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:281, RvdW 2017/262 en HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1334, NJ 2023/297.
J.J. van der Helm, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 347 Rv, aant. 2, onder verwijzing naar HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561, RvdW 2025/510.
S.M. Kingma, T&C Rv, commentaar op art. 424 Rv, aant. 1.
N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/387.
N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/403, onder verwijzing naar HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163, m.nt. W.D.H. Asser (FAR Trading/ Edco II), rov. 5.2.
N.T. Dempsey & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/403.
S.M. Kingma, T&C Rv, commentaar op art. 424 Rv, aant. 5c en onder verwijzing naar HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165, m.nt. S.D. Lindenbergh, JBPr 2018/3, m.nt. P.M. Vos, JIN 2017/180, m.nt. E.J.H. Zandbergen en J.H.L. Damen, ([…]/[…]).
A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie 2026/68-69.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 13.
A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/68-69 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/116.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 16.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 16.
Zo ook de schriftelijk toelichting van Stack c.s., nr. 19.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/125.
Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/113.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 24-25, met verwijzingen naar de processtukken waaruit blijkt dat [eisers] hun betoog ter zake van de nieuwe grief hebben gebaseerd op productie 21 van de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, waaronder m.n. de memorie na verwijzing van [eisers], nr. 77.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 24-25 onder verwijzing naar hun spreekaantekeningen in de verwijzingsprocedure, nr. 7, waar wordt gesteld dat de juiste Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel door [eisers] bij hun conclusie van antwoord tevens conclusie van eis als productie 21 is overgelegd.
Memorie van verwijzing van [eisers], nr. 77 e.v.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 26.
Zo ook de schriftelijke toelichting Stack c.s., nr. 59.
Zie B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/115-116.
Vgl. de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 60-62.
[eisers] zijn geen schuldenaar van de vordering die van ABN AMRO op Stack c.s. is overgegaan (schuldenaar is namelijk het failliete Triskalion en de gelieerde vennootschappen), maar [eisers] worden aangesproken omdat zij een hypotheek tot zekerheid van die schuld hebben gevestigd (derde-hypotheekgever). Het is dus nog maar de vraag of [eisers] (naar analogie) een beroep toekomt op art. 6:145 BW. De in de literatuur genoemde gevallen van analoge toepassing van art. 6:145 BW betreffen alleen gevallen waarin de schuldenaar ook jegens andere personen dan de schuldeiser een beroep kan doen op de verweermiddelen die zijn verbonden aan de vordering. Zie E.F. Verheul, GS Verbintenissenrecht, art. 6:145 BW, aant. 9.
B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/116, onder verwijzing naar HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163, m.nt. W.D.H. Asser (FAR Trading/Edco II), r.o. 4.3.2.
Zo ook Schriftelijke toelichting Stack c.s., nr. 63.
Zie MvG, nrs. 113 t/m 119 (“§ 7.2. Schending zorgplicht door Stack NewCo.”) en MnV, nrs. 87 t/m 96 (“F. Geïntimeerden hebben hun zorgplicht geschonden en zij kunnen geen aanspraak maken op het depotbedrag”).
B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/116.
Vgl. de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 64.
Zie o.m. de ‘samenvattingen’ in de procesinleiding op p. 24, p. 25, (en al eerder op p. 22), enz. Vgl. de ‘essentie’ van de stellingen volgens Stack c.s. in hun schriftelijke toelichting, nr. 45.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nrs. 47-48.
Vgl. schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 50: “[eisers] hebben die onderbouwing evenwel niet gegeven en hebben grotendeels volstaan met generieke stellingen, die zij nu in cassatie herhalen.”
B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/116.
Zo ook schriftelijke toelichting Stack c.s., nr. 55.
Zie de schriftelijke toelichting Stack c.s., nr. 53-54, met verwijzingen naar de processtukken in feitelijke instanties.
Zo ook Schriftelijke toelichting Stack c.s., nr. 37.
A. Knigge & A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/43.
Zie de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 39.
Zie B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/114-115.
Schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 53-54.
Zo ook de schriftelijke toelichting van Stack c.s., nr. 57.
Onderdeel IV ontbreekt.