Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:1147
2026-07-03
Civiel recht; Insolventierecht
25/01509
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:1147 → ECLI:NL:GHSHE:2025:116
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:1147 → ECLI:NL:PHR:2026:414
Inhoudsindicatie
Faillissementsrecht. Rechtspersonenrecht. Overgang rechtsverhouding door afsplitsing (art. 2:334a lid 3 BW) en cessie; nauwkeurigheid beschrijving vermogen (art. 2:334f lid 2 onder d BW). Belang bij cassatieberoep. Samenhang met zaak 25/01510.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2026:1148 Hoge Raad 03-07-2026
Geciteerd door (4)
- ECLI:NL:PHR:2026:839 Parket bij de Hoge Raad 04-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:740 Parket bij de Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:740 Parket bij de Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:HR:2026:1148 Hoge Raad 03-07-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (3.453 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01509
Datum 3 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiseres] ,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
CUMBERLAND INVESTMENTS DESIGNATED ACTIVITY COMPANY,
gevestigd te Dublin, Ierland,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Cumberland,
advocaat: A.G. Colenbrander.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/02/391162 / HA ZA 21-622 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 maart 2022 en 23 november 2022;
b. het arrest in de zaak 200.323.565/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 januari 2025.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Cumberland heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Cumberland mede door M.D.C. Klaassen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep. De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
Beide partijen hebben in het faillissement van Triskalion B.V. vorderingen ter verificatie ingediend. Zij betwisten over en weer elkaars vorderingen. Deze renvooiprocedure gaat over de vorderingen van Cumberland. Ook over de vorderingen van [eiseres] is een renvooiprocedure aanhangig. Daarin doet de Hoge Raad vandaag eveneens uitspraak (zaak 25/01510).
3Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
Bij arrest van heden verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiseres] in de zaak 25/01510. Daarmee staat onherroepelijk vast dat [eiseres] geen schuldeiser is in het faillissement van Triskalion B.V. Dit brengt mee dat [eiseres] geen belang heeft bij het cassatieberoep in de onderhavige zaak. Voor zover het middel vragen van Unierecht oproept, zijn deze daarmee niet relevant voor de uitkomst van het geding.
3.2
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de in het principale beroep aangevoerde klachten slagen, behoeft gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cumberland begroot op € 8.508,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 3 juli 2026.
HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1148.
CIVIELE KAMER
Nummer 25/01509
Datum 3 juli 2026
ARREST
In de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiseres] ,
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
CUMBERLAND INVESTMENTS DESIGNATED ACTIVITY COMPANY,
gevestigd te Dublin, Ierland,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep,
hierna: Cumberland,
advocaat: A.G. Colenbrander.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/02/391162 / HA ZA 21-622 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 maart 2022 en 23 november 2022;
b. het arrest in de zaak 200.323.565/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 januari 2025.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Cumberland heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Cumberland mede door M.D.C. Klaassen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep. De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
Beide partijen hebben in het faillissement van Triskalion B.V. vorderingen ter verificatie ingediend. Zij betwisten over en weer elkaars vorderingen. Deze renvooiprocedure gaat over de vorderingen van Cumberland. Ook over de vorderingen van [eiseres] is een renvooiprocedure aanhangig. Daarin doet de Hoge Raad vandaag eveneens uitspraak (zaak 25/01510).
3Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1
Bij arrest van heden verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiseres] in de zaak 25/01510. Daarmee staat onherroepelijk vast dat [eiseres] geen schuldeiser is in het faillissement van Triskalion B.V. Dit brengt mee dat [eiseres] geen belang heeft bij het cassatieberoep in de onderhavige zaak. Voor zover het middel vragen van Unierecht oproept, zijn deze daarmee niet relevant voor de uitkomst van het geding.
3.2
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de in het principale beroep aangevoerde klachten slagen, behoeft gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het principale beroep;
- veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cumberland begroot op € 8.508,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 3 juli 2026.
HR 3 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1148.