Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:823

2026-08-28 Civiel recht; Personen- en familierecht 26/00752
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
—
Zaaknummer
26/00752
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wvggz. Zelfstandig verzoek schadevergoeding (art. 10:12 lid 2 Wvggz). Beslissing tot ontslag uit accommodatie wegens agressief gedrag. Art. 8:18 Wvggz van toepassing op beëindiging van één vorm van verplichte zorg? Tijdigheid indiening beroepschrift. Bevoegdheid klachtencommissie. Schadevergoeding; maatstaf; omvang (Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken).

Citeert (24)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (73.756 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 26/00752

Zitting 28 augustus 2026




CONCLUSIE



B.J. Drijber




In de zaak van




Stichting Altrecht,
verzoekster tot cassatie,
hierna: Altrecht,
advocaat: mr. H. Boom,



tegen





[betrokkene]
,
verweerster in cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.E. Bruning.






1Inleiding en samenvatting


1.1
In deze zaak heeft betrokkene een verzoek gedaan tot schadevergoeding op de voet van art. 10:12 lid 2 Wvggz. Betrokkene stelt schade te hebben geleden, omdat haar gedwongen opname door Altrecht zou zijn beëindigd op een wijze die niet in overeenstemming is met de Wvggz. Eerder heeft betrokkene een klacht ingediend bij de Wvggz-klachtencommissie op de voet van art. 10:3 Wvggz. De klachtencommissie heeft de klacht gegrond verklaard.



1.2
De rechtbank heeft geoordeeld dat de vraag of Altrecht betrokkene heeft mogen ontslaan uit de gesloten afdeling van een zorginstelling niet binnen de reikwijdte van de Wvggz valt. Bovendien heeft betrokkene onvoldoende aangetoond dat zij schade heeft geleden door de gebreken aan de brief waarbij het ontslag uit de accommodatie aan haar is meegedeeld; de gestelde schade is een gevolg van het ontslag zelf. De rechtbank heeft het verzoek van betrokkene om schadevergoeding daarom afgewezen. Dat oordeel lijkt mij juist.



1.3
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en Altrecht veroordeeld tot betaling van € 1.160,- schadevergoeding aan betrokkene. Volgens het hof staat vast dat de gedwongen opname niet volgens de regels van art. 8:18 Wvggz is beëindigd. Bij schending van een Wvggz-norm moet ervan worden uitgegaan dat betrokkene nadeel heeft ondervonden, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. Het hof heeft schadevergoeding toegekend van € 20 voor elke dag dat betrokkene niet is opgenomen geweest ten gevolge van het ontslagbesluit van Altrecht. In cassatie komt Altrecht tegen deze oordelen op.





2Feiten en procesverloop


2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.



2.2
Voor betrokkene gold van 22 januari 2024 tot en met 21 januari 2025 een zorgmachtiging voor onder meer het opnemen in een accommodatie en het beperken in de bewegingsvrijheid.


2.3
Betrokkene was opgenomen in een accommodatie van zorgaanbieder Altrecht. Bij brief van 4 maart 2024 (hierna: de ontslagbrief) heeft Altrecht betrokkene bericht dat zij met ontslag werd gestuurd. In de ontslagbrief schrijft een arts-assistent, namens de psychiater en de teamleider, het volgende:


“Geachte [betrokkene],
Dit weekend heeft u zich onder invloed van alcohol dreigend uitgelaten naar ons personeel. U heeft gezegd dat collega's het zouden bezuren en dat u de boel kort en klein zou slaan als u niet uw medicatie kreeg, wat vanwege veiligheidsoverwegingen niet werd gegeven. U heeft collega's geschopt, geknepen en gekrabd. U bent 45 minuten in holding genomen. U was boos en schreeuwde naar collega’s en naar de politie. Wij zijn hier enorm van geschrokken. Eerder heeft u vanwege een duw aan een collega een eerdere waarschuwing gehad. We kunnen op deze manier niet de veiligheid garanderen van ons personeel. Zodoende kunnen we u ook niet verder toe laten werken naar een geschiktere behandelplek. Wij moeten kiezen voor de veiligheid van de afdeling en laten u met ontslag gaan. Uiteraard hopen we dat u zo spoedig mogelijk passende zorg vindt voor de problematiek die u al zo lang in de greep houdt.
(…).”



Onmiddellijk na uitreiking van deze brief heeft Altrecht de verplichte zorg in de vorm van opname in de kliniek beëindigd. De overige vormen van verplichte zorg zijn ambulant voortgezet en dus niet beëindigd.



2.4
Betrokkene heeft op 2 april 2024 op grond van art. 10:3 Wvggz tegen de ontslagbeslissing een klacht ingediend. Bij haar klacht heeft betrokkene niet tevens een verzoek tot schadevergoeding ingediend. De klachtencommissie heeft de klacht van betrokkene op 9 april 2024 gegrond verklaard, omdat de beslissing haar uit de accommodatie te ontslaan niet voldoet aan de eisen die art. 8:18 Wvggz daaraan stelt. Bovendien stelt de klachtencommissie enkele onvolkomenheden vast: de ontslagbeslissing is niet kenbaar genomen door of namens de geneesheer-directeur, de ontslagbrief is onvoldoende gemotiveerd en zij bevat niet de gebruikelijke verwijzing naar de beroepsmogelijkheden.


2.5
De klachtencommissie heeft het volgende geoordeeld:


“De klachtencommissie oordeelt dat de brief van verweerder d.d. 4 maart 2024 weliswaar in de aanhef een officiële waarschuwing wordt genoemd, maar feitelijk een beslissing is waarbij de aan klaagster verleende verplichte zorg - in de vorm van een opname in de kliniek - met spoed is beëindigd. In de brief ontbreken de gebruikelijke verwijzingen naar klachtmogelijkheden. De brief is namens de behandelend psychiater ondertekend door een arts-assistent. Uit de brief is niet op te maken of de beslissing afkomstig is van de geneesheer-directeur als bedoeld in artikel 8:18 lid 1 WvGGZ. Uit het verhandelde ter hoorzitting is duidelijk geworden dat verweerders om meerdere redenen de opname hebben beëindigd. Naast het in de brief genoemde gedrag was het ook zo dat klaagster naar het oordeel van verweerders kennelijk was uitbehandeld op de kliniek en haar verblijf aldaar slechts was ter overbrugging naar een opname elders. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van de klachtencommissie voldoet de feitelijke beslissing van verweerders om de verplichte zorg in de vorm van een opname op of rond 04 maart 2024 te beëindigen op formele en materiële gronden niet aan de eisen die daaraan vanuit de WvGGZ worden gesteld. De beslissing is niet kenbaar genomen door of namens de geneesheer-directeur, onvoldoende gemotiveerd en niet voorzien van een verwijzing naar de gebruikelijke klachtmogelijkheden. Gelet hierop oordeelt de klachtencommissie de klacht die hiertegen is gericht gegrond.”



2.6
Altrecht heeft onvolkomenheden vervolgens hersteld. Tegen die verbeterde beslissing heeft betrokkene geen nieuwe klacht ingediend.



2.7
Op 30 april 2024, 58 dagen na haar ontslag, is betrokkene opgenomen in de [kliniek]. De zorgmachtiging van 22 januari 2024 was toen nog van kracht.





3Procesverloop


3.1
Betrokkene heeft de rechtbank Midden-Nederland (hierna de rechtbank) verzocht om haar op grond van art. 10:12 Wvggz een materiële schadevergoeding van € 8.550,- toe te kennen en daarnaast immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 520,-.



3.2
Bij beschikking van 29 november 2024 heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen. Zij heeft daartoe, samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:


- de rechtbank is bevoegd om van het verzoek kennis te nemen: uit art. 10:12 Wvggz volgt niet dat betrokkene geen schadevergoedingsverzoek meer kan indienen op de grond dat zij eerder een klacht heeft ingediend en toen schadevergoeding had kunnen en moeten vragen (rov. 3.3);
- betrokkene is niet te laat met haar verzoek en is daarom in haar verzoek ontvankelijk: art. 10:12 Wvggz stelt geen termijn aan het indienen van een verzoek tot schadevergoeding; niet is gebleken dat het verzoek onredelijk laat is ingediend of dat Altrecht daardoor in haar belangen is geschaad (rov. 3.4-3.5);
- het feit dat de klacht van betrokkene gegrond is verklaard door de klachtencommissie, vormt niet zonder meer reden tot het toekennen van schadevergoeding op grond van art. 10:12 Wvggz (rov. 3.7);
- betrokkene heeft aan het verzoek om schadevergoeding ten grondslag gelegd dat het ontslag op zichzelf in strijd met de Wvggz is geweest; Altrecht had haar op 4 maart 2024 niet met ontslag mogen sturen (rov. 3.9);
- de vraag is of het ontslag inhoudelijk in strijd met de Wvggz is geweest (rov. 3.10);
- het oordeel van de klachtencommissie is voor de beantwoording van die vraag niet relevant: de klachtencommissie heeft namelijk slechts geoordeeld dat de ontslagbrief van Altrecht onvolkomenheden bevat, maar heeft niet inhoudelijk geoordeeld of het ontslag zelf wel of niet terecht was; Altrecht heeft later door middel van een nieuwe ontslagbrief de onvolkomenheden hersteld en daar is geen klacht tegen ingediend (rov. 3.11);
- bovendien valt genoemde vraag niet binnen de kaders van de Wvggz; de Wvggz heeft alleen betrekking op het machtigen verplichte zorg toe te passen en niet op het verplichten tot het toepassen van verplichte zorg; dat betrokkene meent dat een bepaalde vorm van verplichte zorg niet is verleend terwijl dat wel had gemoeten, maakt dat niet anders (rov. 3.12);
- de Wvggz is wel van toepassing op de vraag of verplichte zorg tijdelijk moet worden onderbroken (art. 8:17 Wvggz) of beëindigd (art. 8:18 Wvggz), maar dat ziet alleen op de gehele machtiging en niet op onderbreking of beëindiging van een bepaalde vorm van verplichte zorg; Altrecht stelt terecht dat met het ontslag van betrokkene niet de verplichte zorg in zijn geheel is onderbroken of beëindigd (rov. 3.12);
- de rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen omdat de vraag of Altrecht betrokkene mocht ontslaan uit de kliniek niet valt binnen de Wvggz; dat leidt echter niet tot onbevoegdheid van de rechtbank (rov. 3.13);
- partijen zijn het erover eens dat aan de ontslagbrief zelf gebreken kleven; hetgeen betrokkene zegt na haar ontslag aan gevoelens te hebben beleefd, is echter het gevolg van het ontslag zelf en niet van de gebreken die aan de ontslagbrief kleven (rov. 3.14).



3.3
De rechtbank heeft dus kort gezegd geoordeeld dat de vraag of betrokkene uit de accommodatie ontslagen had mogen worden niet binnen de Wvggz valt en dat het oorzakelijk verband tussen de door de klachtencommissie geconstateerde onvolkomenheden in de ontslagbrief en de door betrokkene gestelde schade ontbreekt.


3.4
Betrokkene is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het hof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof). Zij heeft haar verzoek om toekenning van materiële schadevergoeding en immateriële schadevergoeding gehandhaafd.


3.5
Altrecht heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarin betoogt zij dat de rechtbank betrokkene niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat haar klachten over het ontslag onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) vallen en beroep bij de rechtbank daarom niet openstond.


3.6
Op 7 oktober 2025 heeft bij het hof een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.


3.7
Bij beschikking van 9 november 2025 heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en Altrecht veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan betrokkene van € 1.160,-, en tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen (waarbij betrokkene wordt aangeduid als ‘de vrouw’):



“Ontvankelijkheid





5.7.
Het hof stelt vast dat het hoger beroepschrift van de vrouw op 28 februari 2025 is ingekomen. Dat is binnen de daarvoor in de wet gestelde termijn van drie maanden.



Bevoegdheid





5.8.
Het hof ziet geen steun voor het standpunt van Altrecht dat de rechter niet bevoegd is om te oordelen over het verzoek tot schadevergoeding van de vrouw. Immers, de vrouw heeft als grond voor haar verzoek om schadevergoeding aan de rechtbank vermeld dat haar gedwongen ontslag uit de inrichting op formele en materiële gronden niet voldoet aan de eisen die daaraan in de Wvggz zijn gesteld. Daarmee is naar het oordeel van het hof duidelijk dat de vrouw een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:12 Wvggz heeft gedaan, en niet een klacht heeft ingediend op grond van de Wkkgz.



5.9.
De Wvggz en de Wkkgz hebben ieder hun eigen toepassingsbereik. In de wet en wetsgeschiedenis staat niet dat de rechter niet bevoegd is een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 10:12 Wvggz te beoordelen als indiening van een klacht op grond van de Wkkgz mogelijk is: het een sluit het ander niet uit. De vrouw had ervoor kunnen kiezen een klacht op grond van de Wkkgz in te dienen, maar heeft dat niet gedaan. Het hof is bevoegd van dit geschil kennis te nemen.



Schadevergoeding





5.10.
Vast staat dat Altrecht onzorgvuldig heeft gehandeld door op 4 maart 2025 [lees: 2024; AG] de gedwongen opname van de vrouw niet volgens de regels die daaraan in artikel 8.18 Wvggz zijn gesteld te beëindigen. De vrouw stelt dat zij daardoor schade heeft geleden. Altrecht betwist dat.



5.11.
Als een norm uit de Wvggz is geschonden, dient het hof ervan uit te gaan dat de vrouw nadeel heeft ondervonden, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. De vrouw heeft in beginsel recht op schadevergoeding. De rechter dient de omvang van deze schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen en is daarbij niet gebonden aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW.



5.12.
Op praktische gronden en met het oog op een voortvarende afhandeling van verzoeken om schadevergoeding, heeft het LOVF forfaitaire bedragen vastgesteld. Het LOVF beveelt in de “Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken” bij schending van zorgvuldigheidsnormen zoals hier gebeurd is, € 15,- tot € 20,- per dag aan schadevergoeding aan. Als het niet voldoen aan de zorgvuldigheidseisen niet tot een ander gevolg heeft geleid, kan dit volgens het LOVF reden zijn om tot een lager bedrag te komen of tot enkel de schending vaststellen zonder daaraan een schadevergoeding te koppelen.



5.13.
Het hof sluit aan bij de aanbeveling van het LOVF. Het hof ziet in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding om af te wijken van deze aanbeveling. De vrouw is van 4 maart 2024 tot 30 april 2024 als gevolg van het besluit van Altrecht tot ontslag uit de kliniek niet opgenomen geweest. Dat is 58 dagen. Het hof zal Altrecht veroordelen tot betaling van (58 x € 20,- =) € 1.160,- aan schadevergoeding aan de vrouw binnen vier weken na deze beschikking.”


3.8
Het hof is er kennelijk van uitgegaan dat het op 4 maart 2024 door Altrecht gegeven ontslag in strijd is met art. 8:18 Wvvgz, dat Altrecht om die reden (en niet wegens de onvolkomenheden in de ontslagbrief) jegens betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld en daarom jegens haar schadeplichtig is.


3.9
Altrecht heeft op 6 maart 2026, en dus tijdig, cassatieberoep ingesteld van de beschikking van het hof. Betrokkene heeft op 5 juni 2026 een verweerschrift ingediend.





4Bespreking van het cassatiemiddel


4.1

Het middel bestaat uit een inleiding gevolgd door drie onderdelen met klachten. Onderdeel I richt klachten tegen rov. 5.7, waarin het hof heeft geoordeeld dat betrokkene binnen de wettelijke termijn een beroepschrift heeft ingediend. Onderdeel II richt klachten tegen het oordeel in rov. 5.1 t/m 5.2 en rov. 5.8 t/m 5.10 dat vaststaat dat Altrecht onzorgvuldig heeft gehandeld door op 4 maart 2025 de gedwongen opname van betrokkene niet volgens de regels die daarin in art. 8:18 Wvggz zijn gesteld te beëindigen. Onderdeel III, tot slot, richt klachten tegen het oordeel in rov. 5.11 t/m 5.13 dat het hof er van uit moet gaan dat betrokkene nadeel heeft ondervonden omdat een Wvggz-norm is geschonden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, en dat betrokkene in beginsel recht heeft op schadevergoeding. Het onderdeel richt ook klachten tegen de overweging dat het LOVF voor schending van Wvggz-zorgvuldigheidsnormen € 15 - 20 per dag aan schadevergoeding aanbeveelt.

Onderdeel I (appeltermijn en ontvankelijkheid hoger beroep)





4.2

Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.7, waarin het hof oordeelt dat het hoger beroep van betrokkene op 28 februari 2025 is ingekomen, de dag waarop de appeltermijn verliep. Altrecht betwist dit in cassatie, want stelt dat het hoger beroepschrift dat de basis vormde voor het debat in appel en dat haar is toegestuurd, dateert van 3 maart 2024. Eerst moet worden opgehelderd of er twee beroepschriften zijn, zoals Altrecht lijkt te betogen, het eerste van 28 februari en het tweede van 3 maart 2025.



4.3
Het eerste stuk van het door betrokkene overgelegde procesdossier is een beroepschrift dat is ondertekend door haar advocaat, de datum draagt van (vrijdag) 28 februari 2025 en waarvan feitelijk vaststaat dat het die zelfde dag via Veilig Mailen bij het hof is ingediend.



4.4
Bij brief van (maandag) 3 maart 2025 aan de griffie van het hof schrijft (een medewerkster van) de advocaat van betrokkene het volgende (mijn onderstreping):


“In aansluiting op het ingediende beroepschrift d.d. 28 februari jl. zend ik u, zoals toegezegd, het beroepschrift met vijf producties (productie 3 wordt nagezonden).




Het eerder per zivver ingediende beroepschrift d.d. 28 februari jl. kunt u als niet verzonden beschouwen.




Het beroepschrift zend ik u tevens per post.”



4.5
Die zelfde dag nog heeft een medewerkster van de advocaat van betrokkene het beroepschrift, zoals die dag toegezonden aan het hof, per e-mail toegestuurd aan de advocaat van Altrecht. Zij schrijft in die mail:


“Bijgaand zend ik u het beroepschrift in opgemelde zaak, die ik heden naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heb toegezonden.



Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud.”



Bijgevoegd bij die mail was een pdf-bestand (productie 2 bij de procesinleiding) met daarin het beroepschrift gedateerd op 28 februari 2025. Verder bevat dat pdf-bestand vier van de vijf producties bij het beroepschrift en de begeleidende brief aan het hof d.d. 3 maart 2025, hiervoor in het vorige randnummer genoemd.




4.6
Bij brief van 5 maart 2025 heeft het hof aan de advocaat van betrokkene een brief gestuurd, met daarin het verzoek om enkele stukken toe te zenden uit de procedure in eerste aanleg. De brief van het hof luidt (mijn onderstreping):


“Op 28 februari 2025 ontving ik van u een beroepschrift waarmee u hoger beroep instelde tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 29 november 2024.



Deze zaak is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.351.810/01.



Omdat de stukken niet compleet zijn, kan de zaak niet verder in behandeling worden genomen, Ik verzoek u mij uiterlijk op 19 maart 2025 de hieronder genoemde stukken te zenden:



- Een duidelijk leesbare versie van de beschikking van 29 november 2024 zonder arceringen;
- Het verweerschrift ingediend namens Altrecht op 24 oktober 2024.



(…)”.



4.7
Het roljournaal van 2 april 2025 (overgelegd als productie 4 bij de procesinleiding) vermeldt bij de roldatum van 5 maart 2025: ‘ontvangst verzoekschrift’.



4.8
Altrecht stelt het per Veilig Mailen ingediende beroepschrift van 28 februari 2025 niet te hebben ontvangen. Altrecht heeft geprocedeerd op basis van het op 3 maart 2025 aan het hof en aan Altrecht toegezonden beroepschrift. In haar verweerschrift in cassatie betwist betrokkene niet dat het feitelijk zo is gegaan als in het middel, in nrs. 8-12, is weergeven.


4.9

Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof in rov. 5.7 heeft miskend dat het ambtshalve de ontvankelijkheid van betrokkene diende te onderzoeken in het licht van de opmerking van de advocaat van betrokkene in de begeleidende brief bij het beroepschrift van 3 maart 2025: “Het eerder per zivver ingediende beroepschrift d.d. 28 februari jl. kunt u als niet verzonden beschouwen”. Het hof heeft miskend dat inzending van het tweede beroepschrift na het verstrijken van de appeltermijn onder gelijktijdige intrekking van het beroepschrift van 28 februari 2025, de niet-ontvankelijkheid van betrokkene in hoger beroep met zich brengt.



4.10
De klacht dat het hoger beroepschrift waarop het hof zich heeft gebaseerd (pas) op 3 maart 2025 is ingediend en betrokkene daarom in haar hoger beroep niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, berust op een lezing van de feiten die ik niet deel. De stukken bevatten één beroepschrift, dat in eerste instantie op (vrijdag) 28 februari 2025 via Zivver is ingediend, kennelijk zonder producties. Die producties zijn op (maandag) 3 maart 2025 aan het hof opgestuurd. Daar heeft de advocaat het beroepschrift gedateerd 28 februari 2025, nogmaals bijgedaan, zodat de zending compleet was (met uitzondering van de op dat moment nog ontbrekende productie 3). De brief van 3 maart 2025 aan de griffie familierekesten van het hof bevestigt deze lezing. Er staat: zend ik u (…) het beroepschrift met vijf producties. ‘Het beroepschrift’ is grammaticaal het beroepschrift van 28 februari 2025, zoals dat op die datum is ingediend. Zo bezien zijn er niet twee beroepschriften, een ‘februari-beroepschrift’ en een ‘maart-beroepschrift’. De indiening van het beroepschrift op 28 februari 2025 heeft de termijn gesauveerd. Het hoger beroep is dus tijdig ingediend.



4.11
De brief van 5 maart 2025 van de rekestgriffie van het hof aan de advocaat van betrokkene is met het voorgaande in lijn. Daarin staat immers (zie nr. 4.6): “Op 28 februari 2025 ontving ik van u een beroepschrift waarmee u hoger beroep instelde (…).” Er wordt daar geen melding gemaakt van een beroepschrift van 3 maart 2025. De reden dat het hof op 5 maart 2025 kennelijk aan Altrecht nog geen kennis had gegeven van het door betrokkene ingediende op 28 februari 2025 beroepschrift kan zijn geweest dat het dossier nog moest worden aangevuld met de twee in die brief van 5 maart 2025 genoemde stukken uit eerste aanleg, die geen betrekking hebben op het beroepschrift zelf. Dit kan ook verklaren waarom Altrecht het per Veilig Mailen op 28 februari 2025 ingediende beroepschrift niet direct heeft ontvangen. Een mogelijke vertraging in de kennisgeving van een ingediend beroepschrift lijkt inherent aan de verzoekschriftprocedure. De verweerder wordt daardoor niet benadeeld omdat de termijn om een verweerschrift in te dienen pas na die kennisgeving ingaat.



4.12
Aan het in nr. 4.7 genoemde roljournaal van 2 april 2025 komt geen betekenis toe voor de vraag of het hoger beroep van betrokkene tijdig is ingesteld. Hooguit blijkt daaruit dat de brief met bijlagen d.d. 3 maart 2025, die kennelijk per post is verstuurd, op 5 maart 2025 door het hof is ontvangen. Op die datum (i) was de beroepstermijn al gesauveerd door het indienen van het beroepschrift op 28 februari 2025 en (ii) had (de advocaat van) Altrecht het beroepschrift met vier van de vijf producties al rechtstreeks ontvangen door de mail van 3 maart 2025.



4.13
De zin in dat het eerder per zivver ingediende beroepschrift ‘als niet verzonden’ kan worden beschouwd is mogelijk wat ongelukkig geformuleerd. Niet bedoeld lijkt dat een ‘nieuw beroepschrift’ is ingediend dat in de plaats komt van het op 28 februari 2025 ingediende beroepschrift met als rechtsgevolg dat dit eerdere beroepschrift geacht moet worden met effect ex tunc te zijn ingetrokken. Bedoeld lijkt dat met de nieuwe zending, inclusief de producties, het gehele beroepschrift compleet was (met uitzondering van productie 3), zodat het hof van deze set stukken kon uitgaan. Overigens is gesteld noch gebleken dat de op maandag 3 maart 2025 toegezonden versie van het op 28 februari 2025 gedateerde beroepschrift op ook maar enig punt verschilt van het op 28 februari 2025 via zivver ingediende beroepschrift (het eerste dossierstuk in het door de cassatieadvocaat van betrokkene ingediende procesdossier). Dat beroepschrift bevatte ook alle beroepsgronden.


4.14
Het voorgaande betekent dat de klachten van subonderdeel 1 falen.



4.15

Subonderdeel 1.2 klaagt dat het hof heeft miskend dat het op grond van art. 6 EVRM Altrecht in staat moest stellen om kennis te nemen van het beroepschrift van 28 februari 2025. Het is nu voor Altrecht niet duidelijk of tussen het ‘februari-beroepschrift’ en het ‘maart-beroepschrift’ verschillen bestaan, noch op basis van welk beroepschrift het hof zijn beschikking heeft gewezen. Daardoor is Altrecht in haar verdedigingsbelangen geschaad. Ten eerste heeft het hof, door na te laten Altrecht inzage in het beroepschrift van 28 februari 2025 te geven, terwijl Altrecht daar nota bene om heeft verzocht, in strijd met het recht op tegenspraak Altrecht niet de mogelijkheid geboden om zich uit te laten over alle door betrokkene ingebrachte processtukken. Ten tweede heeft het hof Altrecht daarmee de mogelijkheid ontnomen om na te gaan of er verschillen tussen de beroepschriften bestaan die met zich kunnen brengen dat het beroepschrift van 3 maart 2025 een tardieve aanvulling van gronden behelst, zodat uitsluitend op grond van het beroepschrift van 28 februari 2025 mocht worden geprocedeerd,



4.16
Ik wijs op het volgende. Art. 290 lid 1 Rv bepaalt dat verzoeker en iedere belanghebbende recht hebben op inzage en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en de processen-verbaal. Deze bepaling geldt ook in hoger beroep (art. 362 jo. 290 Rv). Aan deze bepaling ligt ten grondslag dat de rechter slechts beslist aan de hand van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover partijen voldoende gelegenheid is gegeven. Deze bepaling belichaamt dus een van de aspecten van het beginsel van hoor en wederhoor, zoals neergelegd in art. 19 Rv. Uit art. 19 lid 1 Rv volgt (ook) dat de rechter partijen in staat moet stellen zich uit te laten over elkaars standpunten en over alle bescheiden en andere gegevens die in de procedure ter kennis van de rechter zijn gebracht, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Het is daarbij in beginsel niet van belang of – en, zo ja, in welke mate – gegevens en bescheiden waarvan de rechter wel maar partijen geen kennis hebben genomen, al dan niet nieuwe feiten of argumenten behelzen dan wel daadwerkelijk van invloed zijn (geweest) op de beslissing van de rechter. Het is namelijk niet aan de rechter, maar aan partijen om te beoordelen of de desbetreffende gegevens nopen tot een reactie. Dit is anders als het gegevens of bescheiden betreft waarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat zij van enig belang kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak.



4.17
In het licht van hetgeen ik heb opgemerkt met betrekking tot subonderdeel 1.1 meen ik dat subonderdeel 1.2 niet hoeft te worden behandeld. Het gestelde in het verweerschrift in cassatie van betrokkene dat het hof van het op 3 maart 2025 toegezonden beroepschrift is uitgegaan en het hof Altrecht daarom geen inzage in het op 28 februari 2025 ingediende beroepschrift hoefde te verschaffen, vat ik niet op als een erkenning dat er toch twee versies van het beroepschrift (met daartussen mogelijke redactionele verschillen) zouden bestaan. Naar mijn mening volgt uit rov. 5.7 van de bestreden beschikking dat het hof het op 28 februari 2025 ingediende beroepschrift ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing. In de door mij gegeven lezing van de feiten (zie hiervoor) is er één versie van het beroepschrift die dateert van 28 februari 2025. Dat betekent dat het hof aan Altrecht een afschrift heeft verschaft van het beroepschrift en ook dat het hof op basis daarvan het geschil heeft beslist.



4.18

Subonderdeel 1.3 klaagt dat het oordeel in rov. 5.7 in ieder geval onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof zonder motivering voorbij is gegaan aan de stellingen van Altrecht dat mr. Boot, de advocaat van betrokkene in hoger beroep, bij brief van 3 maart 2025 aan het hof heeft geschreven dat het op 28 februari 2025 per Veilig Mailen verzonden beroepschrift als niet-verzonden moet worden beschouwd en dat Altrecht recht en belang heeft bij kennisname van de versie van het beroepschrift die per Veilig Mailen zou zijn ingediend. Het hof was gehouden op die stellingen in te gaan gelet op de verdedigingsmogelijkheden die Altrecht op grond van artikel 6 EVRM toekomen.



4.19
Zoals gezegd meen ik dat Altrecht kennis heeft kunnen nemen van het beroepschrift op grond waarvan het hof op het geschil heeft beslist zodat de klacht dat de rechten van de verdediging van Altrecht zijn aangetast niet gegrond is.



4.20

Gelet op het voorgaande faalt onderdeel 1.

Onderdeel 2 (beëindiging verplichte zorg ex art. 8:18 Wvggz)





4.21
Onderdeel 2 klaagt vanuit verschillende invalshoeken over, in de kern, de verkeerde toepassing door het hof van art. 8:18 Wvggz. Ik schets eerst het juridisch kader.



Juridisch kader beëindiging verplichte zorg




A. Is art. 8:18 Wvggz van toepassing op het beëindigen van één vorm van verplichte zorg?




4.22
In rov. 5.10 van de bestreden beschikking heeft het hof geoordeeld dat Altrecht door de opname van betrokkene te beëindigen “niet volgens de regels die daaraan in artikel 8.18 Wvggz zijn gesteld” heeft gehandeld. Dit impliceert m.i. dat volgens het hof art. 8:18 Wvggz hier van toepassing is.



4.23
Art. 8:18 Wvggz staat in paragraaf 5 (‘Overplaatsing, tijdelijke onderbreking en beëindiging’) van hoofdstuk 8 (‘Rechten en plichten bij de tenuitvoerlegging en uitvoering van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel en zorgmachtiging’). Art. 8:18 Wvggz bevat voorschriften die in acht genomen moeten worden bij de beslissing tot beëindiging van het verlenen van verplichte zorg.



4.24
Art. 8:18 Wvggz luidt, voor zover hiervan belang (onderstreping AG):


1 De geneesheer-directeur neemt op een daartoe strekkende schriftelijke en gemotiveerde aanvraag van betrokkene, de vertegenwoordiger, de advocaat of de zorgverantwoordelijke, dan wel uit eigen beweging een beslissing tot beëindiging van het verlenen van verplichte zorg op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging indien het doel van verplichte zorg is bereikt of niet langer wordt voldaan aan de criteria voor verplichte zorg.



2 (…).



3 Voor zover aan betrokkene verplichte zorg wordt verleend, houdende opname in een accommodatie, en betrokkene blijkens de eerder afgegeven medische verklaring ernstig nadeel voor een ander heeft veroorzaakt, neemt de geneesheer-directeur niet eerder een beslissing over beëindiging van de verplichte zorg op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging dan nadat hij overleg heeft gevoerd met de burgemeester die de crisismaatregel heeft afgegeven, in geval van beëindiging van de crisismaatregel, of met de officier van justitie en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene ingezetene is dan wel naar verwachting zal verblijven, in geval van beëindiging van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging. Voorts neemt de geneesheer-directeur niet eerder een beslissing over beëindiging van de verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging dan nadat hij zich door middel van een medische verklaring van een psychiater, indien van toepassing volgens het vastgestelde model, bedoeld in het veertiende lid, op de hoogte heeft gesteld van het oordeel van de psychiater over zijn voornemen om de verplichte zorg te beëindigen en over de actuele gezondheidstoestand van betrokkene.




4.25
Art. 8:18 lid 3 Wvggz stelt aanvullende procedurele eisen aan de beëindiging van het verlenen van verplichte zorg in het geval dat betrokkene is opgenomen in een accommodatie en betrokkene “blijkens de eerder afgegeven medische verklaring ernstig nadeel voor een ander heeft veroorzaakt”. Deze extra zorgvuldigheid kan helpen te voorkomen dat verplichte zorg eerder wordt beëindigd dan gelet op de risico’s voor de omgeving verantwoord is.



4.26
Deze zaak werpt de vraag op of art. 8:18 Wvggz enkel betrekking heeft op de beslissing om alle op grond van een lopende zorgmachtiging toegepaste vormen van verplichte zorg te beëindigen, of dat die bepaling ook betrekking heeft op de beslissing waarbij slechts één (of enkele) van de toegepaste vormen van verplichte zorg wordt beëindigd.



4.27
De tekst van art. 8:18 lid 3 Wvggz (‘een beslissing tot beëindiging van het verlenen van verplichte zorg’) biedt daarover geen uitsluitsel. Toch zou ik menen dat het voor de hand had gelegen dat er had gestaan ‘het verlenen van een of meer vormen van verplichte zorg’, indien de wetgever dat zou hebben bedoeld.



4.28
Daarnaast zie ik een systematische reden voor de (eerste) uitleg inhoudende dat art. 8:18 Wvggz enkel betrekking heeft op de beslissing om het verlenen van alle toegepaste vormen van verplichte zorg te beëindigen. Uit andere bepalingen in de Wvggz, waarin naar art. 8:18 Wvggz wordt verwezen, blijkt namelijk dat een beslissing ex art. 8:18 Wvggz tot gevolg heeft dat de zorgmachtiging niet langer van kracht is. Zo is in art. 6:6 lid 1, onder b, Wvggz bepaald dat de zorgmachtiging vervalt, indien “de beslissing van de geneesheer-directeur, bedoeld in artikel 8:18, tot beëindiging van het verlenen van alle vormen van verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging, zonder dat daar voorwaarden of beperkingen zijn verbonden, onherroepelijk is geworden.” Dit in tegenstelling tot de situatie waarin verplichte zorg wordt verleend die vervolgens kan worden ‘afgeschaald’ door een deel van de toegepaste verplichte zorg niet langer uit te voeren na een daartoe strekkende beslissing van de zorgverantwoordelijke. In dat geval blijft de lopende zorgmachtiging ongewijzigd van kracht.



4.29
Een aanwijzing voor deze uitleg is ook te vinden in de artikelsgewijze toelichting bij het voorontwerp van de Evaluatiewet Wvggz (waarin ‘verplichte zorg’ wordt aangeduid als ‘gedwongen zorg’). Ik citeer (onderstreping AG):


“Onderdeel WWW – artikel 8:18 (Voorwaardelijke) beëindiging van gedwongen zorg



Artikel 8:18 regelt de vroegtijdige beëindiging van alle gedwongen zorg op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging. Het gaat hier uitdrukkelijk niet om (tijdelijke) afschaling van enkele of alle vormen van gedwongen zorg, maar om een definitieve beëindiging. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat, indien de geneesheer-directeur op grond van artikel 8:18, vijfde lid, voorwaarden of beperkingen verbindt aan de beëindiging van de gedwongen zorg, of de rechter op grond van artikel 8:19, achtste lid, voorwaarden of beperkingen verbindt aan de beëindiging van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging, er feitelijk wel sprake is van een voorwaardelijke beëindiging. Op grond van 8:18, achtste lid, kunnen beide beslissingen weer door de geneesheer-directeur worden ingetrokken, en herleeft de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging.”




4.30
Het hier verdedigde standpunt vindt steun in de literatuur. Er wordt echter ook wel anders over gedacht.


B. Is er een afdwingbare verplichting om verplichte zorg te verlenen?




4.31
Een tweede vraag is of een patiënt ten aanzien van wie een zorgmachtiging is verleend, het verlenen van een bepaalde vorm van zorg door een zorgaanbieder kan afdwingen op grond van art. 8:7 lid 1 Wvggz. Indien dat het geval is, zou dat kunnen afdoen aan de zojuist verdedigde interpretatie van art. 8:18 Wvggz.



4.32
Art. 8:7 lid 1 Wvggz luidt: “De zorgaanbieder is verplicht de zorg, genoemd in de (…) zorgmachtiging te verlenen.” Deze bepaling roept een verplichting in het leven voor de zorgaanbieder. Die verplichting gaat echter niet zo ver dat de zorgaanbieder alle vormen van verplichte zorg die in de zorgmachtiging zijn opgenomen, ook dient uit te voeren. Een dergelijke verplichting zou niet alleen onverenigbaar zijn met het uitgangspunt dat het verlenen van verplichte zorg een uiterste middel is (art. 2:1 lid 2 Wvggz), maar ook op gespannen voet staan met art. 8:9 Wvggz, op grond waarvan voor het toepassen van verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging vereist is dat de zorgverantwoordelijke een daartoe strekkend besluit neemt.



4.33
Hieruit leid ik af dat de in deze zaak genomen ontslagbeslissing, zoals die blijkt uit de brief van 4 maart 2024 (geciteerd in nr. 2.3), niet is aan te merken als een beslissing in de zin van art. 8:18 Wvggz. Genoemde beslissing behelst niet het beëindigen van het verlenen van verplichte zorg op de grond dat de toestand van de patiënt zodanig is verbeterd dat het doel van de gedwongen zorg is bereikt. Eerder gaat het om een ordemaatregel: de opname van betrokkene is beëindigd met als directe aanleiding een veiligheidsincident. Het is namelijk wegens gewelddadig gedrag, dat haar kan worden toegerekend, dat betrokkene met onmiddellijke ingang werd ontslagen uit de accommodatie waarin zij was opgenomen. Dat betrokkene niet zo lang daarna (op 30 april 2024) opnieuw in een instelling is opgenomen, kennelijk op basis van dezelfde zorgmachtiging, bevestigt dat de ontslagbeslissing van 4 maart 2024 niet een beslissing in de zin van art. 8:18 lid 1 Wvggz is. Bovendien werd aan betrokkene na het ontslag nog steeds verplichte zorg verleend, zij het ambulant. Ook dat wijst erop dat het geen beslissing was in de zin van art. 8:18.


C. De bevoegdheid van de klachtencommissie en de status van haar beslissingen




4.34
Uit de Wvggz volgt dat tegen een uitspraak van de klachtencommissie ‘beroep’ kan worden ingesteld bij de rechtbank (art. 10:7 lid 1 Wvggz). Wel beschouwd gaat het daarbij echter niet om een beroep, omdat de rechtbank niet kan worden verzocht de bestreden beslissing van de klachtencommissie te ‘vernietigen’, zoals bij een bestuursrechtelijk beroep. De betrokkene, of een andere in art. 10:7 lid 1 Wvggz genoemde partij, kan bij de rechter een verzoekschrift indienen “ter verkrijging van een beslissing over de klacht”. In dat geval, zo heeft de Hoge Raad bij beschikking van 8 juli 2022 geoordeeld, is de rechter bij zijn beoordeling van het verzoekschrift niet gebonden aan de beslissing van de klachtencommissie, tenzij partijen ondubbelzinnig te kennen geven dat zij ten aanzien van bepaalde geschilpunten waarover door de klachtencommissie is beslist, geen beslissing van de rechter verlangen. In dat laatste geval dient de rechter de beslissing van de klachtencommissie over die geschilpunten te eerbiedigen en daarmee bij zijn beslissing over daarmee samenhangende geschilpunten rekening te houden.



4.35
In de genoemde beschikking van de Hoge Raad van 8 juli 2022 ging het om een zaak waarin de betrokkene een verzoek op de voet van art. 10:7 lid 1 Wvggz had ingesteld. Betrokkene heeft dat in deze zaak niet gedaan. Zij heeft immers niet haar klacht gecombineerd’ met een verzoek om schadevergoeding ingediend, maar een ‘zelfstandig’ verzoek gedaan op de voet van art. 10:12 Wvggz. In een dergelijk geval mag de rechter wel bij de beslissing van de klachtencommissie aansluiten. Althans zie ik daar geen wettelijke belemmeringen voor.



4.36
De klachtgronden in 10:3 lid 1 Wvggz zijn limitatief, zij het dat ook nog kan worden geklaagd over de algemene uitgangspunten van hoofdstuk 2 van de Wvggz. Wat betreft de naleving van art. 8:18 Wvggz kan ingevolge art. 10:3, onder n, Wvggz bij de klachtencommissie uitsluitend worden geklaagd over de niet nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van het achtste en twaalfde lid van art. 8:18 Wvggz en dus alleen over aan de beslissing verbonden voorwaarden of beperkingen (lid 8) en over een beslissing tot intrekking van de beslissing tot beëindiging bij niet naleving van die voorwaarden of beperkingen (lid 12). De ambtshalve beslissing tot beëindiging van de verplichte zorg kan door de klachtencommissie dus niet inhoudelijk worden getoetst en de burgerlijke rechter kan zich niet gebonden achten aan de onbevoegd genomen beslissing van de klachtencommissie.



4.37
Na dit alles kom ik nu toe aan de cassatieklachten op p. 16-19 van de procesinleiding, die zijn genummerd 2.1 t/m 2.7.



Bespreking van de klachten





4.38

Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof in rov. 5.1 t/m 5.2 en 5.8 t/m 5.10 heeft miskend dat van beëindiging van verplichte zorg als bedoeld in art. 8:18 Wvggz uitsluitend sprake is in het geval dat alle vormen van verplichte zorg verleend op grond van een zorgmachtiging worden beëindigd. Van beëindiging van verplichte zorg als bedoeld in art. 8:18 Wvggz is daarom niet reeds sprake wanneer na de beëindiging van één vorm van verplichte zorg het verlenen van een of meer andere vormen van verplichte zorg op grond van de zorgmachtiging (ambulant) wordt voortgezet.



4.39
Het hof heeft in rov. 5.10 geoordeeld dat “vast staat dat Altrecht onzorgvuldig heeft gehandeld door op 4 maart 2025 de gedwongen opname van [betrokkene] niet volgens de regels die daaraan in artikel 8:18 Wvggz zijn gesteld te beëindigen.” (onderstreping A-G). Deze overweging kan m.i. op twee manieren worden gelezen.


4.39.1
Volgens een eerste lezing heeft het hof niet zelfstandig getoetst of een Wvggz-norm is geschonden, maar heeft het een dergelijke schending als vaststaand uitgangspunt gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of Altrecht op grond van art. 10:12 lid 2 Wvggz schadevergoeding aan betrokkene verschuldigd is. Dat lijkt te impliceren dat het hof zich heeft aangesloten bij de beoordeling van de klachtencommissie, zoals weergegeven in nr. 2.5. Dan gaat het dus over de in nr. 2.4 (aan het slot) door deze commissie vastgestelde tekortkomingen in de ontslagbrief. Een mogelijke extra aanwijzing voor deze lezing zou nog kunnen zijn dat rechtbank niet heeft geoordeeld dat art. 8:18 Wvggz is geschonden, zodat het oordeel in rov. 5.10 ook niet daarop kan zijn gebaseerd.



4.39.2
Volgens een tweede lezing heeft het hof geoordeeld dat Altrecht ten onrechte niet in overeenstemming met de voorschriften van art. 8:18 Wvggz heeft gehandeld en daarom jegens betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld. Waar het hof overweegt dat het onzorgvuldig handelen van Altrecht ‘vast staat’ lijkt het dan te hebben bedoeld dat art. 8:18 Wvggz is geschonden, zodat de ontslagbeslissing ten onrechte is genomen.




4.40
Ik vind de tweede lezing het meest plausibel. Die lezing, waarin sprake is van het niet naleven van regels die art. 8:18 Wvggz stelt, impliceert dat het hof art. 8:18 Wvggz in een geval als het onderhavige van toepassing acht. Het hof heeft de beslissing om betrokkene met onmiddellijke ingang uit de instelling te ontslaan dus kennelijk opgevat als een beslissing als bedoeld in art. 8:18 Wvggz. M.i. berust dat oordeel op een onjuiste kwalificatie. Ik verwijs naar nr. 4.33 hiervoor. De klacht betoogt daarom met juistheid dat het hof aldus is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 8:18 Wvggz en is daarom terecht voorgesteld.



4.41

Subonderdeel 2.2 betoogt dat met het beëindigen van de gedwongen opname in een accommodatie geen sprake is van beëindiging van verplichte zorg (op grond van een zorgmachtiging) als bedoeld in art. 8:18 lid 3 Wvggz. In cassatie staat vast dat overige vormen van verplichte zorg die aan betrokkene werden verleend in ambulant kader zijn voorgezet.



4.42
De klaagt slaagt in het verlengde van de vorige klacht.



4.43

Subonderdeel 2.3 bevat een motiveringsklacht: het oordeel van het hof is onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd omdat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan de uitgebreide en gemotiveerde stellingen van Altrecht dat zij met het ontslag uit de instelling niet de verplichte zorg heeft willen beëindigen en ook feitelijk niet heeft beëindigd. Het middel citeert uit het incidenteel appel van Altrecht, onder andere dat de klacht van betrokkene ging over het ontslag uit de instelling en niet over de beëindiging van de verplichte zorg.



4.44
De klacht slaagt in het voetspoor van de subonderdelen 2.1 en 2.2.



4.45

Subonderdeel 2.4 klaagt dat voor zover het hof in rov. 5.10 heeft geoordeeld dat tezamen met de gedwongen opname van betrokkene ook de overige vormen van de aan haar verleende verplichte zorg zijn beëindigd, dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de in subonderdeel 2.3 genoemde stellingen van Altrecht dat de verplichte zorg ambulant is voortgezet onder de verantwoordelijkheid van het Gebiedsteam West van Altrecht.



4.46
De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik lees in rov. 5.10 namelijk niet dat het hof dit heeft geoordeeld.



4.47
Volgens subonderdeel 2.5 betekent het slagen van één of meer van de voorgaande klachten dat het hof in rov. 5.8 en 5.9 van de bestreden beschikking heeft miskend dat in een geval als het onderhavige, dat niet door art. 8:18 Wvggz wordt bestreken, ook niet is voldaan aan de voorwaarde om een verzoek tot schadevergoeding gegrond op art. 10:12 Wvggz in te dienen.



4.48
De klacht faalt. Ook als art. 8:18 Wvggz niet is geschonden, is een schadevergoedingsactie op de voet van art. 10.12 lid 2 Wvggz niet op voorhand uitgesloten, bijvoorbeeld indien de geneesheer-directeur op een andere grond bepaalde voorschriften van de Wvggz niet in acht heeft genomen.



4.49

Subonderdeel 2.6 klaagt dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat op grond van art. 8:7 lid 1 Wvggz op Altrecht de verplichting rustte om de gedwongen opname van betrokkene voort te zetten omdat deze vorm van verplichte zorg is opgenomen in de zorgmachtiging, het is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.



4.50
De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat het hof dat heeft geoordeeld. Het middel preciseert ook niet in welke rechtsoverweging(en) het hof dit zou hebben overwogen.



4.51
Tot slot voert subonderdeel 2.7 aan dat bij het slagen van één of meer van de voorgaande klachten ook het oordeel van het hof in 5.11 t/m 5.13 niet in stand kan blijven. Het hof heeft daar geoordeeld dat in geval van schending van een norm uit de Wvggz, ervan dient te worden uitgegaan dat betrokkene nadeel heeft ondervonden, zodat zij in beginsel recht heeft op schadevergoeding.



4.52
Ik meen dat deze klacht faalt omdat met de niet-toepasselijkheid van art. 8:18 Wvggz nog niet zonder meer vaststaat dat Altrecht geen (andere) norm uit de Wvggz heeft geschonden. De vraag óf schade aannemelijk is gemaakt is voorwerp van onderdeel 3.



4.53

Ik concludeer dat de klachten van subonderdelen 2.1 t/m 2.3 slagen en de overige in het onderdeel aangevoerde klachten falen.

Onderdeel 3 (schadevergoeding ex art. 10:12 Wvggz)





4.54

Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 5.11 t/m 5.13 waarin het hof heeft beoordeeld of Altrecht schadevergoeding aan betrokkene is verschuldigd. Subonderdeel 3.1 bestrijdt de door het hof in rov. 5.11 geformuleerde norm voor de toekenning van schadevergoeding. Subonderdeel 3.2 bestrijdt de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding in rov. 5.12 t/m 5.13.



Juridisch kader schadevergoeding wegens schending van Wvggz-normen





4.55
Ik bespreek eerst de maatstaf voor het toekennen van schadevergoeding.



4.56
Op grond van art. 10:12 Wvggz kan schadevergoeding worden verzocht ‘indien de wet niet in acht is genomen’, waarbij de rechter in voorkomende gevallen ‘een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding’ toekent. Aan wat voor soort ‘wetsovertredingen’ de wetgever hierbij heeft gedacht blijkt niet duidelijk uit de wetsgeschiedenis. Het lijkt niet aannemelijk dat iedere schending van de Wvggz door de geneesheer-directeur of zorgverantwoordelijke onder het toepassingsbereik van art. 10:12 lid 2 Wvggz zou moeten vallen. Mogelijk is gedoeld op de naleving van voorschriften die in hoofdstuk 5 Wvggz zijn gesteld aan de voorbereiding van een zorgmachtiging of het opstellen van een zorgkaart of een zorgplan.



4.57
Voor een schadevergoedingsverzoek op grond van art. 10:12 Wvggz is, anders dan onder de vroegere Wet Bopz het geval was, niet vereist dat sprake is van een onrechtmatige beslissing. Bij de beoordeling van het schadevergoedingsverzoek gelden wel de uitgangspunten zoals genoemd in de rechtspraak over art. 35 Wet Bopz (oud). Ik citeer de principiële overweging van de Hoge Raad hierover in een uitspraak uit 2020:


“(…) Bij de beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding gelden de uitgangspunten genoemd in de uitspraken van de Hoge Raad met betrekking tot art. 35 Wet Bopz (oud). Daaruit volgt onder meer dat bij de toekenning ‘naar billijkheid’ van schadevergoeding op de voet van art. 10:12 Wvggz, evenals onder art. 35 Wet Bopz (oud) het geval was, de rechter niet gebonden is aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW.



Daaruit volgt voorts dat, indien bij het nemen van een crisismaatregel de wet niet in acht is genomen, en de betrokkene stelt dat hij daarvan nadeel heeft ondervonden, hij recht heeft op een schadevergoeding naar billijkheid. In zodanig geval is immers aannemelijk dat de betrokkene daarvan nadeel heeft ondervonden, in de vorm van spanning en frustratie. Dat geldt dus ook voor een geval als dit, waarin de betrokkene langer dan de wetgever gerechtvaardigd heeft geacht, van rechtsbijstand verstoken is gebleven.”




4.58
De Hoge Raad heeft nadien verschillende keren herhaald dat bij de vaststelling van de schadevergoeding naar billijkheid de rechter niet is gebonden aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW. Uit de gebondenheid aan de oude art. 35 Bopz-uitgangspunten vloeit ook voort, zo blijkt uit de tweede alinea van bovenstaand citaat, dat aannemelijk is dat de patiënt nadeel (in de vorm van spanning en frustratie) heeft ondervonden als hij stelt dat bij het nemen van een crisismaatregel de wet niet in acht is genomen, en dat hij daarvan nadeel heeft ondervonden. In dat geval betrof het ‘niet in acht nemen van de wet’, dat betrokkene te lang van rechtsbijstand was verstoken.



4.59
Die aannemelijkheid van schade lijkt niet beperkt tot gevallen van termijnoverschrijding, maar ook bij schending van andere Wvggz-normen te gelden. De Hoge Raad heeft immers in het citaat in nr. 4.57 de algemene regel vooropgesteld, en die vervolgens toegepast op een termijnoverschrijding (het ontbreken van tijdige bijstand door een advocaat). Ook in de literatuur wordt aangenomen dat het vermoeden van (aannemelijkheid van) schade niet alleen bij overschrijding van beslistermijnen geldt. Uit de Wvggz volgt niet dat de betrokkene moet aantonen nadeel te hebben geleden. Het enkele feit dat het niet naleven van een wettelijke bepaling (uit de Wvggz) wordt aangevoerd als oorzaak van spanning of frustratie, maakt reeds ‘aannemelijk’ dat betrokkene nadeel (schade) heeft geleden. A-G Lindenbergh concludeerde op basis van wetsgeschiedenis en rechtspraak dat het vermoeden van (aannemelijkheid van) geleden schade geldt wanneer een wettelijke beslistermijn “of een andersoortige relevante procedureregel is overschreden”. Kortom, wanneer betrokkene schadevergoeding verzoekt op grond van art. 10:12 Wvggz en vaststaat dat een wettelijke beslistermijn of een andersoortige relevante procedureregel is overtreden en de betrokkene stelt dat hij als gevolg daarvan nadeel heeft geleden (in de vorm van onzekerheid, spanning en/of frustratie), dan is in beginsel aannemelijk dat de betrokkene door die overschrijding nadeel heeft geleden in de vorm van spanning of frustratie en onzekerheid over zijn situatie.



4.60
Wat de omvang van de toe te kennen schade betreft geldt het volgende. De wettelijke norm van art. 10:12 (lid 2) Wvggz is dat schadevergoeding ‘naar billijkheid’ wordt toegekend. De omvang van de schadevergoeding moet dus naar billijkheid worden vastgesteld en dat brengt bij ‘ander nadeel dan vermogensschade’ (immateriële schade) mee dat het per definitie zal gaan om een intuïtieve inschatting. Wanneer schadevergoeding naar billijkheid moet worden bepaald, ligt het op het eerste gezicht mogelijk niet voor de hand te werken met forfaitaire bedragen. Er is echter bepleit om, met het oog op de rechtszekerheid en -eenheid, toch tot een bepaalde vorm van tarifering te komen, dat wil zeggen ‘bepaalde bedragen bij bepaalde typen schendingen’.



4.61
Inmiddels is dat gebeurd. Het LOVF heeft op 18 juli 2024 ‘Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken’ vastgesteld (hierna: de Oriëntatiepunten), die een aanzet vormen voor een consistent landelijk beleid ten aanzien van schadevergoedingen in verplichte zorgzaken (Wvggz en Wzd). De Oriëntatiepunten geven de feitenrechter een handvat voor het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding, maar zij binden de rechter niet. Zij vormen geen recht in de zin van art. 79 RO. Hoewel de Oriëntatiepunten geen recht in de zin van art. 79 RO vormen, kan het oordeel van de rechter waarbij de Oriëntatiepunten worden toegepast (of daarvan juist wordt afgeweken), op begrijpelijkheid (van de motivering) worden getoetst.



4.62
In de Oriëntatiepunten worden forfaitaire bedragen genoemd voor de meest voorkomende schadeverzoeken, waaronder opname zonder geldige titel, termijnoverschrijding en geen juridische bijstand door een advocaat. Het voorgestelde bedrag van de schade is bij die categorieën uitgedrukt in een bedrag per dag. Zo lang de onrechtmatige toestand aanhoudt, tikt de teller door, tot aan die toestand een einde is gekomen. Voor de categorie ‘zorgvuldigheidseisen beslissing verplichte zorg’ daarentegen wordt een bedrag van EUR 15 tot 20 per keer aanbevolen. Bij éénmalig onzorgvuldig handelen wordt volgens de Oriëntatiepunten dan niet meer dan EUR 20 aan schadevergoeding toegewezen.



4.63
Het ten onrechte verlenen van ontslag uit een accommodatie kan materiële schade veroorzaken (bijvoorbeeld omdat de betrokken persoon elders onderdak moet vinden en daar kosten voor moet maken). De Oriëntatiepunten zien echter alleen op immateriële schade. Onzorgvuldigheden begaan in het kader van een beslissing een patiënt te ontslaan, worden één keer gemaakt en vormen geen voortdurende schending. Dit zou anders kunnen zijn indien een patiënt een aanspraak op een bepaalde vorm van verplichte zorg tegenover een zorgaanbieder geldig kan maken. Zoals wij hiervoor zagen (zie nr. 4.32), biedt de Wvggz de patiënt geen wettelijke grondslag om het verlenen van verplichte zorg af te dwingen.



Bespreking van de klachten





4.64

Subonderdeel 3.1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.11 rechtens onjuist is, omdat het hof bij de beoordeling van het schadevergoedingsverzoek ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat indien een norm uit de Wvggz is geschonden, het hof ervan uit dient te gaan dat de patiënt nadeel heeft ondervonden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, en dat in dit geval betrokkene in beginsel recht heeft op schadevergoeding. Het hof heeft miskend dat deze norm geen toepassing kan vinden in de situatie dat sprake zou zijn van onzorgvuldig handelen doordat de gedwongen opname niet volgens de regels die daaraan in art. 8:18 Wvggz zijn gesteld is beëindigd.


4.65
Het hof heeft in rov. 5.11 geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De door het hof geformuleerde norm dat ervan uit dient te worden gegaan dat de patiënt nadeel heeft ondervonden sluit aan bij jurisprudentie en literatuur, zoals hiervoor geschetst (in rov. 5.10 had het hof al vastgesteld, naar in cassatie niet wordt bestreden, dat betrokkene heeft gesteld dat zij door de – veronderstelde - normschending schade heeft geleden).


4.66
Het subonderdeel probeert m.i. tevergeefs de gelding van dit ‘voorshands vermoeden’ te beperken tot gevallen waarin sprake is van een termijnoverschrijding. In die gevallen is die norm weliswaar veel toegepast, maar ik zie niet in waarom de norm niet ook voor andere Wvggz-normschendingen zou gelden. De Oriëntatiepunten illustreren dat overigens, nu zij ook andere categorieën noemen dan termijnoverschrijdingen. In gevallen van schending van een zorgvuldigheidsnorm uit de Wvggz, zoals in deze zaak aan de orde, kan immers ook sprake zijn van spanning, frustratie en/of onzekerheid bij de betrokkene. De patiënt heeft in dat laatste geval wellicht niet gedurende een bepaalde termijn een nadeel geleden (zoals wel voor de hand ligt in het geval van een schending van een beslistermijn), maar dat is een andere vraag, namelijk naar de omvang van de schade(vergoeding).



4.67
De klachten stuiten op het voorgaande af.



4.68

Subonderdeel 3.2 klaagt dat het hof in rov. 5.12 ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat het LOVF in de Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken bij schending van zorgvuldigheidsnormen EUR 15 tot 20 per dag aan schadevergoeding aanbeveelt. Daarmee heeft het hof eraan voorbij gezien dat de daar aanbevolen schadevergoeding niet per dag maar per keer is. In aanmerking genomen dat het hof in rov. 5.13 overweegt aan te sluiten bij de aanbeveling van het LOVF en in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding ziet om af te wijken van deze aanbeveling, is zijn oordeel in rov. 5.13, dat het Altrecht zal veroordelen tot betaling van 58 maal EUR 20 aan schadevergoeding, onbegrijpelijk. Niet kan immers worden gezegd dat het door het hof in rov. 5.10 vastgestelde onzorgvuldig handelen iedere dag een keer heeft plaatsgevonden in de periode dat betrokkene niet opgenomen is geweest.



4.69
Het subonderdeel voert terecht aan dat de Oriëntatiepunten erin voorzien dat bij schending van zorgvuldigheidsnormen schadevergoeding per keer wordt aanbevolen, en dus niet, zoals het hof overweegt in rov. 5.12, per dag. Het hof lijkt ervan uitgegaan te zijn dat iedere dag dat betrokkene niet verplicht was opgenomen apart meetelt, alsof het hier zou gaan om een voortdurende rechtsschending. Dit oordeel lijkt besloten te liggen in de overweging “bij schending van zorgvuldigheidsnormen zoals hier gebeurd is” (rov. 5.12, onderstreping A-G). Hoe dit ook zij, de aangevoerde rechtsklacht slaagt niet omdat de Oriëntatiepunten geen recht in de zin van art. 79 RO vormen (zie nr. 4.61). De wettelijke norm is dat schadevergoeding naar billijkheid wordt toegekend en die norm heeft het hof niet miskend. Het middel klaagt ook niet dat het hof die norm wel zou hebben miskend.



4.70
De motiveringsklacht dat het oordeel onbegrijpelijk is slaagt daarentegen wel. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat het vastgestelde onzorgvuldig handelen iedere dag een keer heeft plaatsgevonden in de periode dat betrokkene niet is opgenomen geweest in een accommodatie. Het middel voert namelijk aan dat de Oriëntatiepunten uitgaan van een schadevergoeding per keer bij schending van zorgvuldigheidsnormen, dat het hof in rov. 5.10 éénmalig onzorgvuldig handelen heeft vastgesteld (procesinleiding, nr. 55) en dat in cassatie (hypothetisch) vast staat dat betrokkene hoe dan ook zou zijn ontslagen uit de accommodatie, dus ook indien de procedure zou zijn gevolgd die art. 8:18 Wvggz voorschrijft (met andere woorden: het ontslag was op zichzelf niet onjuist, er waren enkel bepaalde voorschriften niet in acht genomen), zodat deze situatie dus wezenlijk afwijkt van het geval waarin een beslissing te laat wordt genomen (procesinleiding, nr. 53). In het licht van deze stellingen valt zonder nadere motivering inderdaad niet in te zien waarom betrokkene immateriële schade heeft geleden gedurende de periode vanaf haar ontslag door Altrecht tot haar opname in [kliniek] (rov. 2.5 jo. rov. 5.13).



Slotsom en afdoening





4.71
Gelet op het slagen van de klachten genoemd in de subonderdelen 2.1, 2.2, 2.3 en 3.2 meen ik dat de bestreden beschikking van het hof niet in stand kan blijven.



4.72
Voor afdoening van de zaak zie ik de volgende mogelijkheden.



4.73
Ik heb betoogd dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat de ontslagbeslissing is genomen in strijd met art. 8:18 Wvggz, nu die bepaling niet van toepassing is op de beslissing om één vorm van verplichte zorg ambtshalve te beëindigen. Een andere grond voor onzorgvuldig handelen van Altrecht is noch door de rechtbank noch door het hof vastgesteld. Dat betekent dat bij vernietiging van de bestreden beschikking de door het hof in rov. 5.10 aangenomen grondslag voor het toekennen van schadevergoeding komt te vervallen.



4.74
In die omstandigheden is er geen andere uitkomst mogelijk dan dat de door betrokkene op de voet van art. 10:12 lid 2 Wvggz ingestelde vordering wordt afgewezen. Uw Raad kan daarom, conform de hoofdregel van art. 420 Rv, de zaak zelf afdoen. Een andere optie is dat de Raad de beschikking van de rechtbank van 29 november 2024 bekrachtigd. Die laatste optie vind ik hier het meest voor de hand liggen.



4.75
Indien uw Raad hier anders over oordeelt, althans meent dat er redelijke twijfel mogelijk is of de zaak kan worden beslist zonder dat nadere feitelijke vaststellingen worden gedaan, dan kan de zaak na vernietiging worden verwezen. In Wvggz-zaken pleegt een zaak te worden teruggewezen naar de rechtbank die de in cassatie vernietigde beschikking heeft genomen. In de onderhavige zaak, die zich in verschillende opzichten onderscheidt van de meeste Wvggz-zaken waarover de Hoge Raad heeft te oordelen, zie ik geen reden om af te wijken van de praktijk de zaak naar een ander gerechtshof te verwijzen.





5Conclusie


De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 9 december 2025 en tot afdoening zoals aangegeven in nr. 4.74 van deze conclusie.



De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden



A-G




De feiten zijn ontleend aan de bestreden beschikking, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7826, JGz 2026/10, m.nt. F. Westenberg, rov. 2.1 t/m 2.5.


De beslissing van de klachtencommissie van 9 april 2024 is te vinden op pp. 58-64 van het digitale procesdossier dat namens Altrecht is overgelegd.


Rechtbank Midden-Nederland 29 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7367.


ECLI:NL:GHARL:2025:7826, JGz 2026/10, m.nt. F. Westenberg.


LOVF is de afkorting van Landelijk Overleg van Vakinhoud Familierecht.


Verweerschrift in appel tevens incidenteel appel Altrecht, nrs. 4.4-4.6.


Verweerschrift, nrs. 2 t/m 4. Kort gezegd houdt haar verweer in dat het hof recht heeft gedaan op het door Altrecht ontvangen beroepschrift waartegen Altrecht zich heeft verweerd, zodat het hof Altrecht geen inzage meer hoefde te geven in het eerdere, via Veilig Mailen door het hof op 28 februari 2025 ontvangen, beroepschrift.


In de MvT bij art. 429 l lid 1 Rv (oud), waarop art. 290 lid 1 Rv is gebaseerd, is opgemerkt dat van het beginsel dat iedere belanghebbende recht heeft de processtukken en de overige op de zaak betrekking hebbende bescheiden te kennen en daarvan desverlangd afschrift te verkrijgen, het laatste “vooral in geval van hoger beroep van belang” is. Zie E.L. Schaafsma-Beversluis, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 290 Rv, aant. 2, waar wordt verwezen naar Kamerstukken II 1963/64, 7753, nr. 3, p. 7.


A.I.M. van Mierlo, T&C Rv, commentaar op art. 290 Rv, aant. 1, onder verwijzing naar HR 27 maart 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5563, NJ 1988/130.


F.J.P. Lock, T&C Rv, commentaar op art. 19 Rv, aant. 2 sub c, onder verwijzing naar HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5882, NJ 2012/637; HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:15.


Verweerschrift namens betrokkene, p. 2 bovenaan: “Nu het hof uitging van het exemplaar van het beroepschrift waarover ook Altrecht beschikte, behoefde het hof na het verhandelde ter zitting haar verder geen inzage te verschaffen in het eerstgenoemde, via Veilig Mailen door het hof op 28 februari 2025 ontvangen, beroepschrift.”


Zie in gelijke zin: art. 7:5, onder b, Wvggz (vervallen crisismaatregel) en art. 7:10, onder b, Wvggz (vervallen voortgezette crisismaatregel).


Memorie van toelichting Evaluatiewet Wvggz en Wzd - artikelsgewijs, p. 62 (te raadplegen op: Overheid.nl | Consultatie Evaluatiewet Wvggz en Wzd).


Zie: K.M. Vermeulen (Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 8:17, aant. 2 en art. 8:18, ‘kern’ onder verwijzing naar de memorie van toelichting). En voorts: R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg: handleiding voor de praktijk, Den Haag: Sdu Uitgevers 2023, p. 134, voetnoot 22 (over art. 8:18 lid 3: “Blijven er nog andere vormen van verplichte zorg van kracht dan eindigt de zorgmachtiging niet. De hier genoemde procedurele voorschriften gelden alleen wanneer alle vormen van verplichte zorg stoppen.”).


In die zin, zo begrijp ik, F. Westenberg in zijn lezenswaardige noot bij de bestreden uitspraak, JGz 2026/10.



Kamerstukken II 2009/2010, 32399, nr. 3 (MvT), p. 88 (bij toen nog art. 8:5 ontwerp-Wvggz).


Zie de stellingen van Altrecht, procesinleiding, nr. 14 en 25, niet weersproken door betrokkene.


HR 8 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1042, NJ 2022/319 m.nt. J. Legemaate, JGz 2022/35 m.nt. C.C. Velzen, rov. 3.3.2.


De Hoge Raad verwees daarbij naar een uitspraak van 23 april 2021 waarin de verhouding tussen de huurcommissie en de burgerlijke rechter aan de orde was, namelijk HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:657, NJ 2021/273, m.nt. J.L.R.A. Huydecoper, rov. 2.8.6.


C.A. Grezel & R.B.M. Keurentjes, Wetten verplichte zorg, klachtrecht en schadevergoeding, Den Haag: Sdu Uitgevers 2024, p. 27.


C.A. Grezel & R.B.M. Keurentjes, Wetten verplichte zorg, klachtrecht en schadevergoeding, Den Haag: Sdu Uitgevers 2024, p. 58.


Zo ziet annotator Westenberg het volgens mij ook, Jgz 2026/10, p. 50, r.k.


C.C. van Velzen, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 10:12 Wvggz, aant. 3.



Kamerstukken II 2009/10, 32399, nr. 3 (MvT), p. 102. Zie voor de vergelijking met de Bopz: C. Reijntjens-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg (PWS nr. 12) 2023/8.2.


HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, NJ 2021/73, m.nt. J. Legemaate, rov. 4.4, JGz 2021/3, m.nt. R.B.M. Keurentjes.


Voetnoot Hoge Raad: Vgl. HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, rov. 3.3 en HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, rov. 3.4.2.


HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:501, NJ 2023/188, m.nt. J. Legemaate, rov. 3.1.5 en HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:504, NJ 2023/189, m.nt. J. Legemaate, rov. 3.4. In beide uitspraken wordt verwezen naar eerdere rechtspraak waarin dit al was bepaald (voor de Bopz): HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, NJ 2021/73, m.nt. J. Legemaate, JGz 2021/3, m.nt. R.B.M. Keurentjes rov. 4.4; HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, NJ 2015/345, m.nt. J. Legemaate, rov. 3.4.2 en HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.11.


C. Reijntjens-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg (PWS nr. 12) 2023/8.2. In de literatuur wordt echter ook wel aangenomen dat ‘enige onderbouwing’ van het schadevergoedingsverzoek is vereist, en dat een zekere stelling van geleden nadeel of schade met motivering daarvan is vereist, zij dat de rechter daaraan geen hoge eisen mag stellen. Tegelijkertijd wordt door deze auteur gesteld dat betrokkene recht heeft op schadevergoeding ‘al op basis van het feit dat de Wvggz is geschonden’. Zie C.C. van Velzen, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 10:12 Wvggz, onder ‘Stelplicht’.


C. Reijntjens-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg (PWS nr. 12) 2023/8.2. De auteur spreekt van een voorshands bewijsvermoeden, waartegen tegenbewijs mogelijk is.


Conclusie A-G Lindenbergh, ECLI:NL:PHR:2022:1243, nr. 4.17 achter (v), voor HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:504, NJ 2023/189, m.nt. J. Legemaate, JGz 2024/3, m.nt. J.F. Groen.


Deze samenvatting is ontleend aan de conclusie van A-G Lindenbergh, ECLI:NL:PHR:2022:1243, nr. 4.17 achter (v), voor HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:504, NJ 2023/189, m.nt. J. Legemaate, JGz 2024/3, m.nt. J.F. Groen.


Conclusie A-G Lindenbergh, ECLI:NL:PHR:2022:1243, nr. 4.17 achter (vi), voor HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:504, NJ 2023/189, m.nt. J. Legemaate, JGz 2024/3, m.nt. J.F. Groen.


Conclusie A-G Lindenbergh, ECLI:NL:PHR:2022:1243, nr. 4.19, voor HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:504, NJ 2023/189, m.nt. J. Legemaate, JGz 2024/3, m.nt. J.F. Groen. De Hoge Raad heeft in genoemd arrest overwogen: “3.6 Op praktische gronden en met het oog op een voortvarende afhandeling van verzoeken om schadevergoeding verdient het aanbeveling daarvoor als uitgangspunt forfaitaire bedragen te hanteren, waarvan op grond van bijzondere omstandigheden van het geval kan worden afgeweken.”


Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken


Oriëntatiepunten, p. 1 (considerans).


Bijvoorbeeld in de arresten die in de procesinleiding in voetnoten 52 en 52 worden aangehaald.


Oriëntatiepunten voor schadevergoeding in verplichte zorgzaken, 18 juli 2024, p. 3, onder ‘Zorgvuldigheidseisen beslissing verplichte zorg’. Bij dit oriëntatiepunt wordt toegelicht dat dit kan zien op verschillende schendingen, en worden ook enkele voorbeelden gegeven (‘de meest voorkomende gevallen’). Schending van art. 8:18 Wvggz staat daar niet bij.


Ik merk hierbij op dat Altrecht in cassatie heeft aangevoerd dat zij heeft erkend dat in de ontslagbrief van 4 maart 2024 de klachtmogelijkheden ten onrechte niet waren vermeld en dat zij dat formele gebrek met een latere brief heeft hersteld. Zie procesinleiding, nr. 15.


In de procesinleiding wordt niet verwezen naar vindplaatsen in de processtukken in feitelijke instanties waar dit is aangevoerd. Het blijkt m.i. wel uit Altrecht’s verweerschrift in eerste aanleg, nr. 5.2 e.v.


Zie voor voorbeelden Van der Wie (red.), Cassatie, 2026/334.