Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:760
2026-09-01
Strafrecht
24/01926
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Medeplegen diefstal met geweld en bedreiging met geweld en medeplegen afpersing. M1 en M2: falende middelen dat geen sprake is van wederrechtelijk handelen maar van interne rechtspleging en sanctieoplegging van motorclub. M3: falend middel dat het hof ten onrechte een hoofdelijke betalingsverplichting heeft opgelegd bij de vordering bp en daaraan verbonden schadevergoedingsmaatregel. Conclusie tot verwerping van het beroep (art. 81 lid 1 RO). Samenhang met 24/01879.
Citeert (6)
- ECLI:NL:HR:1971:AB4227 Hoge Raad 09-02-1971
- ECLI:NL:HR:2023:3 Hoge Raad 10-01-2023
- ECLI:NL:HR:2019:793 Hoge Raad 28-05-2019
- ECLI:NL:HR:2012:BY0267 Hoge Raad 20-11-2012
- ECLI:NL:HR:1995:ZD0325 Hoge Raad 19-12-1995
- ECLI:NL:HR:2008:BD2578 Hoge Raad 17-06-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (117.155 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01926
Zitting 1 september 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte
1Inleiding
1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden bij arrest van 8 mei 2024 (parketnr. 21-000249-23) veroordeeld wegens onder 1 primair “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en onder 2 primair “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”. Het hof heeft daarvoor een taakstraf opgelegd voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 9.393,33 – bestaande uit € 8.393,33 materiële schade en € 1.000,- immateriële schade – en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de duur van de gijzeling is bepaald op ten hoogste 81 dagen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01879. In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep op 7 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
2Waar het in cassatie om gaat
2.1
De verdachte is in hoger beroep veroordeeld wegens het in vereniging plegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld en het in vereniging plegen van afpersing. De feiten hebben zich afgespeeld in de context van een “bad standing” van de aangever, de toenmalige president van de [A] , een supportclub van [B] . In cassatie wordt − kort gezegd − geklaagd dat bij bewezenverklaarde feiten geen sprake was van wederrechtelijk handelen maar van interne rechtspleging en sanctieoplegging van de motorclub (eerste en derde middel). Daarnaast is het cassatieberoep gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op de “bad standing” en de diefstal (tweede middel). Ten slotte verzet de cassatie zich tegen de hoofdelijke betalingsverplichting die aan de verdachte is opgelegd ter vergoeding van de door de aangever geleden schade (vierde middel).
2.2
Deze conclusie houdt in dat de middelen falen.
3Het eerste middel en het derde middel
3.1
Het eerste middel is gericht tegen de bewezenverklaring onder 1 primair en 2 primair op de grond dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat geen sprake was van het “oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening” respectievelijk het “oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen” maar van interne rechtspleging en sanctieoplegging. Het derde middel is enkel gericht tegen de bewezenverklaring onder 2 primair, maar verzet zich eveneens tegen de bewezenverklaring van het “oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen” omdat sprake was van interne rechtspleging. De middelen lenen zich om die reden voor een gezamenlijke bespreking.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij op 30 augustus 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hesje en motor- en autopapieren en een paspoort op naam van [betrokkene 1] en een ABN-AMRO bankpas en een creditcard op naam van [betrokkene 1] , in elk geval enig goed, toebehorende aan [betrokkene 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten, die [betrokkene 1] , die destijds president was van de [B] -supportgroep de [A] ,
- naar het clubhuis van [B] te [plaats] heeft ontboden en vervolgens daarbinnen heeft tegengehouden of belet dat clubhuis in vrijheid te verlaten, en
- in een ruimte in dat clubhuis, tussen andere medeverdachten die samen voor die [betrokkene 1] een overmacht vormden, heeft laten plaatsnemen en verwijten heeft gemaakt, en
- onverhoeds bij de kleding heeft vastgepakt en beetgehouden, en
- heeft toegeschreeuwd, en daarbij ook dreigend met een glas heeft gegooid, en
- dreigend gevraagd of verdachte die [betrokkene 1] een pak slaag moest geven, en
- aan dat hesje van die [betrokkene 1] heeft gerukt en aldus zijn hesje heeft uitgetrokken en afgepakt, en
- gezegd dat die [betrokkene 1] zijn motor moest inleveren en 5000 euro diende te betalen, en aldus die [betrokkene 1] een zogenaamde ‘bad standing’ heeft gegeven, en aldus
- door de agressieve of intimiderende houding en wijze van optreden van verdachte en zijn medeverdachten jegens die [betrokkene 1] bij die [betrokkene 1] de vrees opgewekt dat verdachte en/of zijn medeverdachten ernstiger geweld zouden gaan toepassen of door anderen zou laten toepassen indien die [betrokkene 1] niet aan de eisen van verdachte en zijn medeverdachten zou voldoen, en voor die [betrokkene 1] een bedreigende situatie heeft geschapen;
2. primair
hij in de periode van 30 augustus 2014 tot en met 3 september 2014, te [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [betrokkene 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 1000 euro en een motorfiets, merk Harley Davidson, toebehorende aan die [betrokkene 1] , welk geweld en welke bedreiging met geweld onder meer hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten, die [betrokkene 1] , die destijds president was van de [B] -supportgroep de [A] ,
- naar het clubhuis van [B] te [plaats] heeft ontboden en vervolgens daarbinnen heeft tegengehouden of belet dat clubhuis in vrijheid te verlaten, en
- in een ruimte in dat clubhuis, tussen andere medeverdachten die samen voor die [betrokkene 1] een overmacht vormden, heeft doen plaatsnemen en verwijten heeft gemaakt, en
- onverhoeds bij de kleding heeft vastgepakt en beetgehouden, en
- heeft toegeschreeuwd, en daarbij ook dreigend met een glas heeft gegooid, en
- dreigend gevraagd of verdachte die [betrokkene 1] een pak slaag moest geven, en
- aan het hesje van die [betrokkene 1] heeft gerukt, en aldus
- zijn hesje heeft uitgetrokken en afgepakt, en
- gezegd dat die [betrokkene 1] zijn motor moest inleveren en 5000 euro diende te betalen, en aldus die [betrokkene 1] een zogenaamde ‘bad standing’ heeft gegeven, en
- samen met die [betrokkene 1] in een of meer auto's naar de woning van die [betrokkene 1] is gegaan, en aldus door de intimiderende wijze van groepsoptreden jegens die [betrokkene 1] opnieuw die [betrokkene 1] heeft verhinderd om in vrijheid te gaan en staan waar deze wenste, en
- bij en in die woning van die [betrokkene 1] heeft verbleven teneinde te bewerkstelligen en zich ervan te verzekeren dat die [betrokkene 1] geld zou overmaken en zijn motor zou afgeven, en
- met die [betrokkene 1] vervolgens naar een pinautomaat is gereden en die [betrokkene 1] daar 1000 euro, heeft laten opnemen en afgeven, terwijl andere medeverdachten in de woning van die [betrokkene 1] bij de vrouw van [betrokkene 1] en hun kinderen dreigend achterbleven, en
- gezegd dat die [betrokkene 1] bij de garage waar zijn motorfiets ter reparatie stond moest aangeven dat de motorfiets door een ander zou worden opgehaald, en aldus
- door de agressieve of intimiderende houding en wijze van optreden van verdachte en zijn medeverdachten jegens die [betrokkene 1] bij die [betrokkene 1] de vrees heeft opgewekt dat verdachte en/of zijn medeverdachten ernstig geweld zouden toepassen of door anderen zou laten toepassen indien die [betrokkene 1] niet aan de eisen van verdachte en zijn medeverdachten zou voldoen, en voor die [betrokkene 1] een bedreigende situatie heeft geschapen.”
3.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De door verdachte ter terechtzitting van 1 december 2022 - zakelijk weergegeven - afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik was boos op [betrokkene 1] vanwege zijn gedrag. Ik heb eerst [betrokkene 2] gebeld om te vragen hoe hiermee om te gaan. Hij verwees mij naar [betrokkene 3] , president van chapter [plaats] . Ik heb gezegd: als er niks gebeurd, leg ik mijn lidmaatschap neer. Ik heb bij [B] verzocht om [betrokkene 1] van zijn functie te ontheffen, om hem af te zetten als president van de [A] .
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 september 2014, opgenomen op pagina 419 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, zaak 3.05 “ [betrokkene 1] ” d.d. 28 mei 2018, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 1] :
Achternaam: [betrokkene 1]
Postcode plaats: [postcode] [plaats]
Tot 30 augustus 2014 was ik lid van een supportgroep, de [A] . Dit is een supportgroep van [B] in [plaats] . Ik was eerst president van de supportgroep en later penningmeester. Op 28 of 29 augustus 2014, werd ik verzocht om de komende zaterdag naar het clubhuis van [B] in [plaats] te komen. Als je wordt ontboden dan ben je verplicht te komen. Op zaterdag 30 augustus 2014, omstreeks 14.00 uur, was ik ter plaatse bij het clubhuis. Er was op dat moment een groep personen van een man of vijftien. Dit waren onder andere [betrokkene 4] , [verdachte] ( [verdachte] ), [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] . In het clubhuis zijn wij aan tafels gaan zitten. [betrokkene 6] nam het woord en vertelde dat hij boos was over een foto, welke van mij op facebook stond. Hierna gaf [betrokkene 6] [verdachte] het woord. Deze was met een hele boel dingen het niet eens en maakte tegen mij zijn ongenoegen daarover kenbaar. Op een gegeven moment pakte [betrokkene 3] mij bij mijn vest en vroeg of hij mij een pak slaag moest geven. Hij trok mijn vest uit. Hierin zaten het kentekenbewijs van mijn motor, paspoort en het kentekenbewijs van mijn auto. Tevens zei hij dat ik op “bad standing” de club moest verlaten en dat ik daarvoor 5000 euro aan hem zou moeten betalen. Hij zei ook dat ik mijn motor moest inleveren. Omdat ik mijn motor niet bij had, moest ik vertellen waar mijn motor was. Deze stond voor reparatie bij een vriend, genaamd [betrokkene 7] wonende te [plaats] . Ik moest min of meer onder bedreiging van drie leden in mijn auto stappen en hen naar mijn vriend in [plaats] rijden. Ze vertelden mij, dat als ik niet zou meewerken ze mij wel wisten te vinden. Ik heb meegewerkt, omdat ik bang was dat ze mij anders wat aan zouden doen. Ik voelde dat ik niet anders kon, omdat ze ook om mijn auto gingen staan en weten waar ik woon. Bij mijn vriend [betrokkene 7] aangekomen, bleek dat de motor nog niet klaar was. Hierop heb ik [betrokkene 3] gebeld en gevraagd of het goed was om eerst maar 1000 euro te betalen. Hij ging daar mee akkoord. Ik ben met bedoelde personen naar mijn woning gereden, omdat ik geld van mijn spaarrekening naar mijn betaalrekening over moest maken. Hierna ben ik met een van de personen naar de ABN bank in [plaats] gereden en heb daar 1000 euro gepind. Het geld heb ik afgegeven aan de persoon die bij mij in de auto zat. Volgens mij heet hij [betrokkene 8] . De andere twee personen, [verdachte] en ene [betrokkene 9] waren bij mijn woning achtergebleven. Vervolgens kreeg ik diverse SMS-berichten en telefoontjes van [betrokkene 3] en [betrokkene 6] . Ze wilden dat ik mijn vriend [betrokkene 7] in [plaats] moest bellen en hem vertellen, dat mijn motor bij hem zou worden opgehaald door een vriend. Ik heb aan dit verzoek voldaan, omdat ik mij toch wel bedreigd voelde. Ik was namelijk bang dat ze anders mijn gezin of mij wat aan zouden doen. Afgelopen woensdag 3 september 2014, kreeg ik een mailtje van de vrouw van [betrokkene 7] , genaamd [betrokkene 10] , dat ze mijn motor hadden opgehaald. Omdat ik mij min of meer bedreigd voelde had ik toestemming gegeven om mijn motor af te geven. Als ik niet was bedreigd, dan had ik mijn motor nooit afgegeven. Ondanks dat ik kentekenbewijs deel 3 nog in mijn bezit heb, heb ik begrepen dat de motor inmiddels op naam staat van [betrokkene 3] . De 1000 euro die ik heb betaald, heb ik tegen mijn wil betaald. Ik voelde mij bedreigd en daardoor heb ik het geld afgegeven. Ook de 5000 euro “Bad Standing” zou ik nooit uit vrije wil betalen. Ik weet gewoon, dat als je niet aan hun eisen voldoet, dat je dan trammelant krijgt.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 september 2014, opgenomen op pagina 424 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :
[betrokkene 3] zei dat ik met bad standing de club werd uitgezet. Ik hoorde [betrokkene 3] alleen maar schreeuwen en roepen. Ik besloot maar om mee te werken uit angst dat mij anders wat zou worden aangedaan. Ik had geen enkele keus en werd gegijzeld, mede door de andere aanwezige MC leden. Toen we met 4 personen naar mijn motor in [plaats] reden, is [betrokkene 4] ondertussen naar mijn woning gereden. Dit ging in opdracht van [verdachte] . Mijn gevoel zegt dat ze dit deden uit pure bedreiging en intimidatie naar mijn vrouw en kinderen toe.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier, inhoudende als de - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 1] op 1 oktober 2020:
U vraagt naar 30 augustus 2014 en zegt mij dat ik werd uitgenodigd om naar het clubhuis in [plaats] te komen. Ik werd gesommeerd, niet uitgenodigd. [betrokkene 6] belde ineens, hij zei dat ik naar [plaats] moest komen. Ik zei dat ik op het punt stond om naar [plaats] te gaan. Hij zei: “Je komt eerst naar [plaats] , daarna kijken jullie maar.” Ik ging naar binnen, heb een glas water gepakt en ben gaan zitten. Op een gegeven moment stond [betrokkene 3] op. Hij kwam bij me staan. Hij sloeg het glas water uit mijn hand en zei: “Moet ik je slaan?”. [betrokkene 3] trok mijn colours uit, dat ging op een heftige manier. Hij trok me bijna van mijn stoel af, ik kon me net overeind houden. Hij zei: “Je hebt mijn naam door het slijk gehaald, ik wil je nooit meer zien.”. Ik ben vervolgens naar buiten gegaan, ik hoorde hem nog wel tieren. U houdt me voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik werd gegijzeld. Ja, in mijn auto, door drie man. Ik moest en zou naar de garage, waar mijn motor ter reparatie stond. U vraagt hoe de personen bij mij in de auto kwamen. Ze zijn bij mij in de auto gestapt, [betrokkene 3] had ook gezegd dat ze met mij mee moesten. U vraagt of ze overmacht op mij hadden. Ja, wat wil je tegen vijftien man inbrengen? Dan wil je alleen maar zo spoedig mogelijk weg. U houdt me voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik min of meer onder bedreiging van drie leden in mijn auto moest stappen en vraagt mij wat ik daarmee bedoel. Als er achttien man in een hok zijn en je moet maken dat je wegkomt, waar zou die bedreiging dan uit bestaan? Die achttien man straalden die bedreiging uit. U vraagt wie er bij mij in de auto zaten. [betrokkene 8] , [verdachte] , die zat voorin, en een [nationaliteit] uit [plaats] . We reden naar een dorpje boven [plaats] . Daar stond mijn motor. We zijn daarna naar mijn huis gegaan. Ik had [betrokkene 3] geappt of ik eerst 1000 euro mocht betalen. De rest zou ik dan ergens gaan lenen, dit om mijn motor terug te krijgen. Ik had 1000 euro op de bank. [betrokkene 8] ging mee naar binnen. Vervolgens ben ik met [betrokkene 8] naar de bank gegaan om te pinnen. Ik heb het geld aan hem gegeven. De anderen zijn bij mijn woning, bij de auto van [betrokkene 4] , blijven wachten tot [betrokkene 8] en ik terug kwamen van het pinnen. [verdachte] belde me later op, hij zei dat hij mijn motor op zou halen. Dat was nadat we bij mij thuis zijn geweest.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 februari 2017, opgenomen op pagina 463 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 11] :
Van 30 augustus 2014 kan ik me nog herinneren dat [betrokkene 1] met 2 jongens binnen kwam lopen. [betrokkene 1] ging achter de computer zitten en een van de jongens ging achter hem staan. De andere jongen bleef in de deuropening staan. Het viel me op dat [betrokkene 1] erg stil was, timide. Normaal is hij uitbundig en dat was nu niet zo. Ik had daardoor het idee dat er wat aan de hand was. Ik vond het wel een foute sfeer.
6. Een ander schriftelijk bescheid, te weten opgenomen tapgesprekken, opgenomen op pagina 701 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:
Datum: 25-08-2014 te 11:04:03
[betrokkene 6] belt in bij [betrokkene 3]
: Ik heb hem 125 keer gewaarschuwd dat ie niets op facebook moest zetten en dat ie normaal moet doen. En niemand zet meer iets op facebook, alleen hij. (...) Dat ken niet meer. Ik ben er klaar mee.
[betrokkene 6] ; ja, nou klaar toch.
[betrokkene 3] : en al die jongens, zijn 13 of 14 Jongens die het eigenlijk ook niet meer zien zitten, juist ook door zijn eh hoe noem je dat nou, eh
[betrokkene 6] ; gedrag
[betrokkene 3] : Het is een goede jongen, ze hebben een clubhuisje, het is een leuk groepje. Weetje, je hebt op zich, als die [betrokkene 1] gewoon doet wat ie moet doen, heb je er geen, echt geen omkijken naar. Ze hebben zaterdag een aanvaring gehad. Die sergeant en hij, die zegt dat als je nu niet normaal doet, dan lever ik mijn hesje in, toen zeiden er nog een aantal dan ga ik ook weg.
(...)
[betrokkene 3] : Dan ga jij zaterdag mee, ik ga mee, serge gaat mee en [betrokkene 8] neem ik mee
[betrokkene 6] : ok
[betrokkene 3] : Voor het geval dat ie moeilijk gaat doen, wel je wel.
[betrokkene 6] ja
[betrokkene 3] Dat ie dan gewoon eb dan overleg ik wel even met [betrokkene 2] wat ik hem kan geven. Het ken gewoon niet. Hij luistert niet, hij gaat overal tegendraads tegen in, en eh
[betrokkene 6] ja, ik heb ook al een paar keer tegen hem gezegd van die facebook dat ie dat moet weg gieten, en dat heeft ie ook nog niet gedaan.
[betrokkene 3] : Nee. Dus eh
Datum: 26-08-20 14 te 9:52:41
[betrokkene 6] belt in bij [betrokkene 3]
[betrokkene 6] de inkomsten en uitgaven van de reapers weet je wel dat er 1800 euro is gejat
[betrokkene 3] Maakt mij geen reet uit. Ik wil gewoon de inkomsten en uitgaven formuliertje van iedere maand.
Dan komt [betrokkene 12] aan de telefoon en die zegt dat ze bij de IKEA lopen en dat [betrokkene 3] erg agressief en gek in de kop is.
[betrokkene 3] Het voordeel is, die harley staat al bij de reapers he?
[betrokkene 6] Ja, die gaat straks naar de maker
[betrokkene 3] ; Naar de maker?
[betrokkene 6] Ja, dat ding is stuk of zo. want hij brengt hem zo naar de maker.
[betrokkene 3] Maar hij moet gewoon (die harley) dat ding inleveren met zijn auto en zijn papieren, dat is een klus voor de sergeant, daar hoef ik mijzelf niet druk over te maken.
[betrokkene 6] dat moeten jullie maar regelen
[betrokkene 3] Maar [betrokkene 1] ziet de bui ook al hangen ofiet?
[betrokkene 6] Nou, dat weet ik niet. Maar ik vraag me wel af wat daar allemaal speelt. Ik snap nog niet helemaal wat er gebeurd.
[betrokkene 3] Misschien dat ik het vandaag nog niet, dat ik even kijk en dat ik het dan zaterdag de knoop doorhak. Moeten we hoe zeker ik van de zaak ben.
[betrokkene 6] Ja, nou dan ga ik gewoon mee hoor. Dat is geen probleem.
Datum: 28-08-2014 te 13:58:47
[betrokkene 3] wordt gebeld door NN man. NN man zegt dat hij [betrokkene 5] aan de lijn heeft gehad en die was helemaal.... en die [verdachte] was helemaal wild over die [betrokkene 1] , want die had iemand anders beheerder gemaakt van de Facebook pagina. NN man zegt dat die jongens er helemaal klaar mee zijn. NN man zegt dat [verdachte] helemaal klaar is met die [betrokkene 1] en die brengt een hoop onrust.
Datum: 29-08-2014 te 13:57:46
[betrokkene 6] belt in bij [betrokkene 3]
[betrokkene 6] De serge [verdachte] had gebeld. En ik zat op facebook te kijken en daar zag ik dat [betrokkene 1] weer van alles en nog wat te koop zet op facebook. Dus ik zet op de app. Luister even voordat ik wild word, volgens mij hadden we afgesproken dat dat niet zou, Nee, nee en toen kreeg ik [verdachte] aan de telefoon. En die zei, ik wil je toch even wat in vertrouwen vertellen en dat wil ik dan dinsdag zelf vertellen en aangezien we dinsdag toch een vergadering hebben, hij zegt van eh hij is, [betrokkene 1] , die is bij ons geweest en eh die eh nou die had tegen iedereen gezegd dat ie er niet blij mee was hoe het ging en eh dat ie maar vond dat ze dan een clubhuis bij hem in de garage moesten doen. En dat met die 25 euro daar was die het ook niet mee eens. En dan wou die het liefst een dubbele boekhouding doen. [verdachte] wil dit graag zelf tegen [betrokkene 1] zeggen op de vergadering van dinsdag.
[betrokkene 6] Ik ben er wel klaar mee. wat moet je daar nou mee dan? eh ik wil eigenlijk wel gewoon van hem af.
[betrokkene 3] ; ja.
[betrokkene 6] Ik heb ook tegen eh tegen die serge gezegd: zeg moest es luisteren, het lijkt mij gewoon dat ie al zijn schulden weer inleverd en zijn colours weer inleverd en opflikkerd. Ja, want hij wou ook niet elke keer verantwoording afleggen over eb als ie wat op facebook wou zetten of eh weet ik veel wat allemaal en hij probeert het kader weer aan zijn kant te krijgen en eh weet je
[betrokkene 6] wat vind jij er nou van dan?
[betrokkene 3] Ja, ik ook, maar hij gaat er wel bad standing uit. Dit kan natuurlijk niet.
[betrokkene 6] Nee, vind ik ook.
[betrokkene 3] Duseh
[betrokkene 6] ik ben er helemaal klaar mee.
[betrokkene 3] Ik ben er dinsdag niet, dus dat is kut.
[betrokkene 6] Ja, dus hoe moeten we dat aanpakken dan.
[betrokkene 3] Ja, niet weer ofje moet voor het weekend nog even een vergadering dat we hem van het weekend uitkletsen.
[betrokkene 6] Ja, dan zouden we dat eh zaterdag even moeten doen ofzo.
[betrokkene 3] Dus dan wordt het morgenmiddag dan?
[betrokkene 6] Ja, precies, morgenmiddag.
[betrokkene 3] Nou, dat is goed, regel het maar.
[betrokkene 6] Oké
[betrokkene 3] [betrokkene 13] moet er ook bij?
[betrokkene 6] Ja, lijkt mij wel
[betrokkene 3] en eh [betrokkene 8] ook.
[betrokkene 6] ok. Wil jij dat bij hun op de whats app zetten dan? Dan ga ik hier [verdachte] bellen. Dat ie dat [verdachte] dat maar even moet organiseren.
[betrokkene 3] ja, dat is goed. Morgen om 2 uur doe maar
Datum: 30-08-20 14 te 14:54:23
[betrokkene 3] wordt gebeld door [verdachte] . Letterlijk:
[verdachte] [betrokkene 3] , hij vraagt of je een Bad Standing ook gewoon kan betalen?
[betrokkene 3] Ja, dat mag ook. Maar dan wel per direct.
[verdachte] Nou, dat kan niet. Dan moet hij maandag eerst naar de bank om een lening te regelen
[betrokkene 3] Nou, dat wordt hem niet.
[verdachte] Niet?
[betrokkene 3] Nee. Het is of NU of NIET.
[verdachte] Ok.
Datum: 30-08-2014 te 15:25:2 1
[betrokkene 3] wordt gebeld door [betrokkene 1] . Letterlijk:
[betrokkene 6] [betrokkene 3] , kan ik nu duizend euro over maken en maandag de rest?
[betrokkene 3] Eeehhh..........je kan nu eeehh........ duizend meegeven
[betrokkene 6] Eeehhh..... dat moet ik proberen bij de bank
[betrokkene 3] Ja is goed.
[betrokkene 6] Wil je het aan [verdachte] doorgeven dan?
[verdachte] :
[betrokkene 3] Hey [verdachte] , [betrokkene 3] . Hij komt duizend euro nu betalen
[verdachte] Ja
[betrokkene 3] Contant en dan maandag de rest.
[verdachte] Ja.
[betrokkene 3] En dan moetje even tegen [betrokkene 1] zeggen dat ik die motor al heb overgeschreven op mijn naam, dus die staat gewoon op mijn naam en... als onderpand. En als hij maandag die andere vier komt brengen, dan ga ik met hem naar de, naar de postkantoor en dan schrijven we hem weer terug.
[verdachte] Dat is goed.
[betrokkene 3] Alles van wat hij thuis heeft van de [A] moet mee.
[verdachte] Ja, is goed en dan is het gewoon akkoord?
[betrokkene 3] Ok, is goed.
[verdachte] Jo.
Datum: 30-08-2014 te 20:29:21
[betrokkene 3] wordt gebeld door [betrokkene 6] .
[betrokkene 6] ... heb ik gewhatsappt en die belde mij net en die heeft tegen [betrokkene 1] gezegd van die motor, dat ding moet er in en dan wordt je motor opgehaald. Ja, zegt hij, ik ga maandag naar de bank. Nou zegt [verdachte] , je moet eens goed luisteren, je moet zorgen dat die startmotor er in komt en dan die vent bellen en dat die motor door [betrokkene 8] en door mij en nog iemand wordt opgehaald en dan komt hij op het clubhuis en dan betaal je het vrijdag maar en als je de motor niet terug krijgt dan heb je pech. Och och och, nou nou en eeh die motor wordt niet opgehaald. Nou, zegt hij daar moet je wel op rekenen dat die motor wordt opgehaald en ik zeg het ook niet weer, zegt hij. Ja, ik heb een goeie Serge.
[betrokkene 3] Ja, heel goed. Dinges weet war het is. Hoe heet hij? [betrokkene 8] . Die zegt dan rijden we maandag daar gewoon heen en dan halen we hem maandag nog niet in elkaar gezet op. En dan zetten we hem hier.
[betrokkene 6] Ja, dat kan ook. Het staat op jouw naam ja?
[betrokkene 3] Ja, dan moeten we hier iemand zoeken die hem in elkaar zet, ja.
[betrokkene 6] Ja,nou dat kan ook wel, Ja. Maar dan vragen we de kameraad van die Sec.even.
[betrokkene 3] Ja, precies, die kan hem gewoon in elkaar zetten, ja.
[betrokkene 6] Ja, zo lastig kan het toch ook niet zijn ofwel?
[betrokkene 3] Dus maandag halen we die motor.... En ik denk dat […] zegt, dat die motor ook niet meer terug komt. Hij kan gewoon die vier rooien betalen en dan is het klaar.
[betrokkene 6] Nou klaar, ja. Want hij zat nou in de telefoon al weer lekker stoer te doen, dus eehh...
[betrokkene 3] Ja?
[betrokkene 6] Ja, [verdachte] die was er al wel flink klaar mee.
[betrokkene 3] Stoer doen?
[betrokkene 6] Ja, ach die motor wordt niet opgehaald, Ja zegt [verdachte] die motor wordt wel opgehaald en ik zeg het ook niet weer, het is duidelijk geweest, je hebt mazzel dat je er vanmiddag zo mee bent weggekomen. Ik zeg tegen [verdachte] . Ik zeg schrok je ook vanmiddag? Nou nou ik schrok niet snel, ik zeg en [betrokkene 3] met die glazen aan het gooien, ik zeg godverdomme ik had het glas in het haar zitten. Ik zeg en heb er nog wel hartelijk om gelachen. (Gelach) Ik kan er nog steeds om lachen. En dan draai je ook nog om en dan begin je gewoon te lachen, he? Ja mooi. Want ik zag dat wel. Je zat ...je had je bril al afgedaan.
[betrokkene 3] Ja.
[betrokkene 6] Ik denk, die gaat los. (Gelach) Ja mooi. Boefje ben je.
Datum: 02-09-2014 te 11:46:05
[betrokkene 3] belt met [betrokkene 1] . Letterlijk:
[betrokkene 6] Dat ik uit de club gekeild wordt jongen, dat vind ik zo vreselijk. Het is nu zo neergelegd alsof ik alles verkeerd heb gedaan en de boel probeerde te belazeren terwijl het helemaal niet zo is, het laten controleren joh, ik weet wat ik doe. Maar goed, het is goed. Hoe houden we nou contact?
[betrokkene 3] Ik bel jou volgende week of zo. ik bedoel, ik zorg er zelf wel voor dat die motor woensdag bij mij komt te staan. Bij de club. Ik heb ook nog jouw paspoort en die gegevens
[betrokkene 6] ja
[betrokkene 3] Zo gauw we de motor hebben krijg jij die papieren terug en dan is dat in ieder geval klaar en bel ik je daar verder nog over, ja?
[betrokkene 6] Ja, heel graag.
[betrokkene 3] Ja, oké. Maar je moet even tegen die man zeggen of die man bellen waar die motor staat, dat die woensdag opgehaald wordt, dat die wel woensdag klaar moet zijn, dat ding.
[betrokkene 6] Eeehh... ik zal hem vanavond even bellen
[betrokkene 3] Ja, is goed. Regel het maar even, dan halen wij... Dan zorg ik dat ik de motor bij mij heb, dan krijg jij die paspoorten en zo terug
[betrokkene 3] We gaan het zo doen
Datum: 03-09-20 14 te 19:23 :42
[betrokkene 3] belt uit naar [verdachte]
[betrokkene 3] vraagt of [verdachte] naar hem toe komt met de motor.
[verdachte] Nou, [betrokkene 1] , die werkt niet mee
[betrokkene 3] Hoezo [betrokkene 1] werkt niet mee? Waar is die motor dan?
[verdachte] Dat wil hij niet zeggen. Ik was samen met [betrokkene 5] er heen gegaan ja, om hem op te halen. Maar ik weet niet of dat ie in [plaats] staat of bij hem thuis of ergens anders want die motor is wel klaar. Dus ik bel hem op, ik zeg [betrokkene 1] ik zeg eeh, waar staat die motor? Waar kan ik hem weghalen? Nee, het is niet eerlijk en [verdachte] werk daar niet aan mee, dat is diefstal, ja je handen wel aan branden, ik zeg dat maakt me allemaal niet uit me jonge, ik zeg, ik haal die motor op.
Datum: 03-09-20 14 te 20:21:30
[betrokkene 3] belt naar een nn man
[betrokkene 3] geeft de man opdracht dat hij naar die man in [plaats] moet gaan en de motor van [betrokkene 3] moet halen. De man weet waar de man woont in [plaats] .
Datum: 03-09-2014 te 21:46:10 [betrokkene 3] belt uit naar NNman.
De man zegt dat ze hem hebben, hij stond bij die kerel thuis, sleutel erin, hij is gemaakt en rijdt gewoon. [betrokkene 3] zegt dat ze hem moeten inladen en naar het clubhuis moeten brengen.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen verklaring [betrokkene 14] en [betrokkene 15] d.d. 3 november 2017, opgenomen op pagina 470 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als - zakelijk weergegeven - relatering van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Naar aanleiding van de aangifte en aanvullende verklaringen van [betrokkene 1] , hebben wij een onderzoek ingesteld naar het door hem genoemde bedrijf in [plaats] waar zijn Harley Davidson ontvreemd is. Op 02 november 2017 hebben wij een bezoek gebracht aan de [betrokkene 14] en [betrokkene 15] . Over het incident met de Harley Davidson van [betrokkene 1] konden zij zich nog het volgende herinneren: Toen de motor bij ons stond ter reparatie, kregen wij via Facebook messenger het volgende bericht: nou morgen wil een vriend van mij m ophalen. Er kwamen de volgende avond, 3 september 2014, inderdaad twee mannen de motor ophalen.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 januari 2018, opgenomen op pagina 516 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van medeverdachte [betrokkene 3] :
Ik ben nog steeds lid van [B] . Sinds 2014 ben ik president van de [B] , chapter [plaats] . Later, in 2016 ben ik vice president geworden. [betrokkene 1] was lid van de [A] . [betrokkene 1] was eerst president en later penningmeester/treasurer van deze club. [betrokkene 1] was ontboden omdat [verdachte] mij had gebeld en vertelde dat het kasgeld niet klopte van de [A] . Ik vertelde [betrokkene 1] dat hij volgens de jongens niet meer lid kon zijn van de [A] . Ik zei ga maar staan en ik heb hem aan zijn jasje omhoog getrokken om zijn vestje met colors uit te doen. Ik heb bedacht dat [betrokkene 1] een Bad Standing moest krijgen en zijn motor moest in leveren. Ik heb dit in overleg besloten met de overige leden van de [A] . Ik heb het besluit genomen dat [betrokkene 1] de Bad Standing moest krijgen. De [A] viel onder mijn chapter dus ik moest die beslissing nemen. Ik heb [betrokkene 1] ook € 5.000,- boete op gelegd voor de bad Standing die ik hem heb gegeven. Om zijn motor op te halen zijn [betrokkene 16] en [betrokkene 8] en [verdachte] met [betrokkene 1] naar zijn huis gereden. Volgens mij heeft [betrokkene 8] de motor naar het clubhuis gereden. Het klopt dat ik de motor van [betrokkene 1] heb overgeschreven op mijn naam. Het betrof volgens mij een Harley Davidson FDX.
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 januari 2018, opgenomen op pagina 525 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van medeverdachte [betrokkene 3] : Het klopt dat ik een glas heb weggegooid. Omdat ik niet kan slaan of iets dergelijks, wilde ik door het glas weg te gooien iets weergeven.
10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 1 januari 2018, opgenomen op pagina 569 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als - zakelijk weergegeven - verklaring van medeverdachte [verdachte] :
Het klopt dat ik lid ben geweest van de [A] . Dit was in 2013 of 2014. Ik was eerst gewoon lid. Ik ben toen een maand of vier a vijf sergeant at arms geweest. [betrokkene 3] was de pres van de [B] , chapter [plaats] . Er deden zich problemen voor met [betrokkene 1] . Toen heb ik [betrokkene 6] gebeld. Ik moest er voor zorgen dat het kader van de [A] naar het clubhuis van [B] in [plaats] kwam. Ik heb iedereen gebeld van de [A] dat ze die zaterdag naar [plaats] moesten komen. Iedereen is toen ook geweest. Er zou een degradatie van [betrokkene 1] zijn. [betrokkene 3] heeft [betrokkene 1] toen een Bad Standing gegeven en gezegd dat hij zijn colours in moest leveren. Er was veel verbaal geweld. Iedereen had zijn colours aan tijdens de bijeenkomst in [plaats] in verband met de Bad Standing van [betrokkene 1] . Dit hoort ook zo binnen de club. Het klopt dat [betrokkene 1] is aangesproken. Dat waren [betrokkene 3] en [betrokkene 6] . Ik heb [betrokkene 1] ook aangesproken over de dubbele boekhouding. [betrokkene 1] ontkende dat hij mij gesproken over de dubbele boekhouding. Toen werd ik boos en zei tegen [betrokkene 1] als je een man bent ga je recht staan en zegje mij dat ik een leugenaar ben. [betrokkene 13] kwam er toen tussen. Het klopt dat hij een boete van € 5.000,- heeft gekregen. We zijn met vier man bij [betrokkene 1] thuis geweest. Het klopt dat ik bij hem in de auto ben gestapt. De anderen die bij hem in de auto stapten waren van [B] . Het klopt dat ik bij [betrokkene 1] binnen ben geweest. Ik ben in opdracht van [betrokkene 3] naar de woning van [betrokkene 1] gegaan. [betrokkene 3] had de opdracht gegeven om de motor van [betrokkene 1] op te halen. Daar waren wij dus voor bij [betrokkene 1] . Ik weet dat 1 van de leden van [B] met [betrokkene 1] naar een pinautomaat is gereden. Toen ze naar de pin reden zijn ik en [betrokkene 4] achtergebleven bij de woning van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft € 1000,- gepind en afgegeven aan 1 van die jongens van [B] . Het klopt dat [betrokkene 1] zijn motor in moest leveren. Ik wil opmerken dat [betrokkene 1] bij mensen van [B] alles goed vond. Hij was bang voor [B] .
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 februari 2018, opgenomen op pagina 581 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van medeverdachte [betrokkene 8] :
Ik ben ongeveer een halfjaar lid geweest van [B] , chapter [plaats] . Het klopt dat [betrokkene 1] zijn motor in moest leveren. Ik moest dat ding van [betrokkene 3] ophalen. Ik ben samen met [betrokkene 16] daar naartoe geweest. Ik heb de motor binnen een week na de Bad Standing opgehaald. Ik heb hem naar het clubhuis moeten brengen en daar heeft [betrokkene 3] , de president van chapter [plaats] , hem in ontvangst genomen.
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 maart 2018, opgenomen op pagina 621 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 5] : Ik was lid van de [A] . We werden uitgenodigd door [B] in [plaats] op 30 augustus 2014. We moesten allemaal komen. [betrokkene 1] ook. Ineens werd [betrokkene 3] heel boos. Ineens stond hij op en gooide zijn glas drinken over tafel. Hij trok [betrokkene 1] zijn jasje uit en hij gooide [betrokkene 1] naar buiten. Hij ging als een gek tekeer. Van sergeant [verdachte] kreeg ik een paspoort op naam van [betrokkene 1] en bankpassen op die naam. Die moest ik bij me houden. Dit was een opdracht.
13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier, inhoudende de - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 4] op 18 november 2020:
Ik ben in 2014 lid geweest van motorclub de [A] . Op 30 augustus 2014 werden we door [B] gesommeerd om naar [plaats] te komen. Er was een man of 10 aanwezig in het clubhuis. We gingen zitten, [betrokkene 1] ook. [betrokkene 3] , de president van [B] , zat links van mij. Rechts van mij zat [betrokkene 6] . In het midden zat [betrokkene 1] , voor [betrokkene 3] . [verdachte] zat tegenover [betrokkene 1] . Verder waren er nog drie leden van de security van [B] bij, zij stonden. [betrokkene 3] begon over de foto op facebook en over dubbele boekhouding. Het werd best wel grimmig. Dit kwam van de kant van [B] . Ik was beduusd, ik voelde mij niet prettig, ik voelde me wat geïntimideerd. Op een gegeven moment ging [betrokkene 3] zijn stem verheffen en stond hij op. [betrokkene 1] moest ook opstaan. Hij moest zijn hesje uittrekken. [betrokkene 3] zei dat hij een boete kreeg en dat hij zijn motor moest inleveren. Ik ben naar [betrokkene 1] zijn huis gegaan en heb buiten staan wachten. Op een gegeven moment kwam [betrokkene 1] terug, hij werd weer bij zijn huis afgezet. Volgens mij was het [verdachte] die toen met [betrokkene 1] de woning van [betrokkene 1] is binnen gegaan. U vraagt of er nog meer mensen de woning van [betrokkene 1] binnen gingen. Volgens mij ook mensen van [B] .
14. De door verdachte ter terechtzitting van 24 april 2024 - zakelijk weergegeven - afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik niet heb geweigerd om mee te werken aan instructies van [betrokkene 3] . Je wilt jezelf niet in de problemen werken. Bij het kader van [B] dulden ze geen tegenspraak, dat hoort volgens de hiërarchie binnen [B] ook niet.
(...)
Op 30 augustus 2014 wist ik wat een bad standing was.”
3.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 april 2024 blijkt dat de verdachte over de tenlastegelegde feiten als volgt heeft verklaard:
“Het is begonnen toen ik erachter kwam dat de president van de [A] er ten nadele van leden een dubbele boekhouding op nahield. Ik heb dat aangekaart bij de vicepresident van de [A] , dat was [betrokkene 4] . Hij wist ook niet goed wat hij daarmee moest en heeft mij toen geadviseerd om de captain van [B] , [betrokkene 2] , te vragen en dat heb ik gedaan. De captain van [B] gaf mij de opdracht om het neer te leggen bij het chapter in [plaats] , waar wij als [A] onder vielen. [betrokkene 3] heeft toen gezegd dat de [A] bij elkaar moesten komen, met daarbij twee leden van [B] . Ik heb toen die bijeenkomst belegd om het te hebben over die dubbele boekhouding, maar niet voor een bad standing. Tijdens die vergadering liep het uit op een bad standing en achteraf bleek dat [betrokkene 3] belang had bij de motor van [betrokkene 1] . Het klopt dat ik het kader van de [A] bijeen heb geroepen voor de vergadering op 30 augustus 2014 in [plaats] . Ik weet niet waarom de vergadering in het clubhuis in [plaats] moest plaatsvinden. Wij vielen onder het chapter van [plaats] en waren verplicht om één keer per week in het clubhuis in [plaats] te komen. Verder vonden alle gebeurtenissen van enige betekenis altijd in [plaats] plaats. Het klopt dat ik sergeant was bij de [A] , ik was verantwoordelijk voor de veiligheid van de leden.
Tijdens de vergadering op 30 augustus 2014 in [plaats] werd [betrokkene 1] door [betrokkene 3] geconfronteerd met de dubbele boekhouding. [betrokkene 1] ontkende dat in eerste instantie en toen heb ik het woord genomen. Ik heb gezegd dat ik niet anders kon dan het melden, omdat [betrokkene 1] het zelf niet heeft rechtgezet. Tegen het einde van de vergadering werd mij duidelijk dat het om een bad standing ging. [betrokkene 1] kreeg niet echt de ruimte om iets in te brengen en kort daarna veranderde de houding van [betrokkene 3] . Het ging snel de kant op van een bad standing. Ik wist niet wat een bad standing was, ik had mij daarvoor nooit met motorclubs beziggehouden. [betrokkene 1] is bij mij gekomen, omdat ik ruimte had voor een clubhuis en dat gaf mij de mogelijkheid om huurinkomsten te krijgen. Ik heb daarmee ingestemd en [betrokkene 1] heeft mij toen gevraagd om lid te worden van de [A] . Het was voor mij een mooie tijd, het was altijd gezellig en er was binnen de [A] geen sprake van agressie of van een hiërarchie.
[betrokkene 3] begon tijdens de vergadering op 30 augustus 2014 in [plaats] te schreeuwen dat [betrokkene 1] de club moest verlaten en dat hij zijn spullen in moest leveren. Het is verkeerd wat [betrokkene 1] heeft gedaan, maar dat was geen reden om hem een bad standing te geven. Er was weinig ruimte om iets te zeggen, want [betrokkene 3] liet dat niet toe. [betrokkene 3] werd alleen maar bozer en trok op een gegeven moment het jasje van [betrokkene 1] uit en zei dat hij het pand moest verlaten. Ik was het niet eens met die gang van zaken, maar [betrokkene 3] was president van [B] en wij waren daar ondergeschikt aan. Ik heb het nadien aangekaart bij het kader van [B] , maar zij verwezen mij terug naar het chapter in [plaats] . Ik was niet bang om iets te zeggen, maar eerder onzeker. Ik was op dat moment eigenlijk verbluft. Wij moesten naar de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 1] vroeg of ik mee wilde gaan. Nadien bleek dat [betrokkene 1] zich veiliger voelde als ik erbij was, terwijl ik in mijn eentje weinig verschil had gemaakt. Iedere keer als je iets wilde zeggen, werd je overschreeuwd door [betrokkene 3] en dan probeer je het ook niet meer. Wij kregen van [betrokkene 3] de opdracht om naar de woning van [betrokkene 1] te gaan om daar de motor op te halen. Het ging in eerste instantie om de motor, maar zijn motor was er niet en daarom moest [betrokkene 1] € 5.000,00 betalen als een soort borg. U, voorzitter, houdt mij een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en mij voor van 30 augustus 2014 om 14:54 uur. Dat gesprek was bij de woning van [betrokkene 1] , dat was omdat [betrokkene 1] mij zelf had gevraagd om te bemiddelen. [betrokkene 1] moest dat geld direct betalen en ik kreeg toen van [betrokkene 3] de opdracht om de € 100,00 die [betrokkene 1] bij zich had in te nemen en dat heb ik geweigerd. Ik heb het niet zo begrepen dat de motor het onderpand was, zolang door [betrokkene 1] niet volledig werd betaald. Ik heb wel begrepen dat het kentekenbewijs van [betrokkene 1] zijn motor vier dagen voor de vergadering al in [betrokkene 3] zijn bezit was, dat hoorde ik op het politiebureau. Het klopt dat ik van [betrokkene 3] de opdracht kreeg om bij [betrokkene 1] thuis alles van de [A] mee te nemen, dat ging om de boekhouding en colors. Het klopt dat ik van [betrokkene 3] instructies kreeg wat ik tegen [betrokkene 1] moest zeggen over de motor, maar dat wil niet zeggen dat ik het ermee eens ben. Het klopt dat ik niet heb geweigerd om mee te werken aan instructies van [betrokkene 3] . Je wilt jezelf niet in de problemen werken. Bij het kader van [B] dulden ze geen tegenspraak, dat hoort volgens de hiërarchie binnen [B] ook niet.
Hetgeen mij wordt verweten klopt niet. Net zoals dat er wordt beweerd dat ik in de woning van [betrokkene 1] ben geweest, maar ik was buiten de woning bij de auto. Ik was niet alleen bang voor de gevolgen voor mijzelf, maar ook voor [betrokkene 1] . Ik weet niet hoe de situatie voor [betrokkene 1] is geweest. Aan de ene kant leek hij bang, maar aan de andere kant was hij niet bang om dingen te proberen om er alsnog onderuit te komen. Als ik moet antwoorden met de wetenschap van nu, dan klopt het dat het erger had kunnen aflopen. Ik gaf op dat moment aan [betrokkene 3] door wat [betrokkene 1] mij vroeg, ik was eigenlijk een doorgeefluik. Het gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] liep via mij. Ik voelde mij, ook vanwege de veiligheid, op dat moment niet vrij om mijn mening te geven. Ik weet niet hoe mijn rol moet worden gezien. Ik was daar op verzoek van [betrokkene 1] , hij wilde liever niemand van [B] bij zijn huis hebben. Ik begrijp niet dat [betrokkene 1] nadien nog contact heeft gehad met leden en bij het oude clubhuis is geweest. Tijdens het verhoor bij de politie had ik niet de tijd om terug in mijn geheugen te duiken en op een gegeven moment heb ik daarom gezegd dat als zij het zo goed weten, dat ze het maar in moeten vullen. Ik heb bij de politie volgens mij verklaard dat [betrokkene 3] mij ook heeft gevraagd om mee te gaan. Het ging mij om [betrokkene 1] , dat hij vroeg of ik mee wilde gaan. Het zou best kunnen dat [betrokkene 3] die opdracht gaf, maar dat weet ik niet meer. Het is niet dat ik mijn rol kleiner wil maken, want als ik erop terugkijk ben ik zelf de oorzaak hiervan. Ik probeer niets af te zwakken. Het klopt dat er geen ruimte was voor tegenspraak, totdat ik de opdracht kreeg om het laatste geld dat [betrokkene 1] had van hem af te pakken. Dat was mijn grens. U, voorzitter, houdt mij een telefoongesprek met [betrokkene 3] op 3 september 2014 voor dat gaat over de motor van [betrokkene 1] , dat zou kunnen. Ik heb mij bewust afzijdig gehouden van de motor, want daar gingen verschillende verhalen over rond en ik wist niet wat [betrokkene 1] zelf wilde. De context van dat tapgesprek op 3 september 2014 kan ik mij niet herinneren en ook niet of daar leden van [B] bij aanwezig waren. Ik heb op verschillende momenten gezegd dat [betrokkene 1] er niet was, terwijl ik wist dat hij thuis was. Daar waar ik kon, heb ik tegengewerkt en heb ik verschillende keren voorkomen dat ze bij [betrokkene 1] aan de deur stonden. Ik was niet vrij en dat heb ik vanaf het begin gezegd, je bent niet vrij bij [B] . Als [betrokkene 1] het heeft ervaren alsof hij werd gedwongen, dan begrijp ik niet dat [betrokkene 1] nadien nog bij mij is gekomen en mij om hulp heeft gevraagd. Als ik zo door iemand zou zijn behandeld, dan wilde ik diegene nooit meer zien. Het enige dat ik mijzelf verwijt is dat ik een probleem heb aangekaart over die boekhouding, want daar is alles mee begonnen. Ik begrijp niet dat [betrokkene 1] zich bedreigd heeft gevoeld door mijn aanwezigheid, als hij mij zelf vraagt om mee te gaan. Als het alleen in opdracht van [betrokkene 3] was, dan was ik niet bij de woning van [betrokkene 1] geweest.
Zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van alles wat er is gebeurd, wordt mij meer of anders toebedeeld dan waar mijn opzet op was gericht. Als er fysiek geweld gepleegd zou worden, dan had ik de kant van [betrokkene 1] gekozen. Dat heb ik nu niet gedaan, vanuit de gedachte “wie met vuur speelt, brand zijn vingers”. [betrokkene 1] wist wat hij heeft gedaan en dat hij daarmee andere leden benadeelde en heeft van mij meerdere kansen gekregen om dat recht te zetten, zonder dat anderen daarvan wisten. Ik vind dat [betrokkene 1] in die zin niet vrijuit gaat in wat hij over zichzelf heeft afgeroepen. Ik vind niet dat hij het verdiende en het is ook niet mijn opzet geweest om daaraan mee te werken. Het klopt dat ik mij tot op zekere hoogte heb laten meenemen. Voor dit incident waren [betrokkene 1] en ik vrienden. Ik weet niet waarom hij niet heeft verklaard dat hij mij heeft gevraagd om mee te gaan, misschien omdat ik melding heb gemaakt van zijn boekhouding. Het zijn allemaal uitspraken waar een bepaalde conclusie aan wordt verbonden en het is maar net hoe dat wordt geïnterpreteerd, dat wil niet zeggen dat dat mijn intentie is geweest.
De verklaring van [betrokkene 1] over de opdracht die ik aan [betrokkene 4] zou hebben gegeven, kan ik niet volgen. [betrokkene 4] reed in zijn eigen auto, maar is volgens mij continue bij ons gebleven. Voor zover ik mij kan herinneren zijn wij tegelijk vertrokken. De spullen waar [betrokkene 5] over heeft verklaard heb ik nooit in mijn handen gehad. Ik hoorde op het politiebureau pas van die spullen en ik wist niet beter dan dat [betrokkene 3] deze daarvoor al in zijn bezit had. [betrokkene 5] heeft dat misschien verklaard omdat hij de club moest verlaten. U, voorzitter, houdt mijn verklaring bij de politie voor dat wij in opdracht van [betrokkene 3] de motor van [betrokkene 1] op moesten halen, dat zou kunnen. Het enige dat ik uiteindelijk bij hem heb opgehaald zijn de colors en de boekhouding. Het is niet zo dat ik vond dat [betrokkene 1] een lesje moest krijgen. Naar de politie gaan was geen optie, dan zou ik heel [B] over mij heen krijgen. Het klopt dat ik [B] heb ingeschakeld en dat het mijn initiatief was. U, jongste raadsheer, vraagt mij of ik niet had moeten voorzien dat het uit de hand zou kunnen lopen. Wat ik toen wist, is niet wat ik nu allemaal weet. Ik vond dat je dit niet kunt tolereren en dat het onrecht moest ophouden. Het is uiteindelijk groter geworden dan ik zelf had kunnen bedenken en ik wist toen nog niet wat voor [B] was. Ik was op dat moment in de veronderstelling dat [betrokkene 3] als tussenpersoon zou optreden. Achteraf was dat misschien naïef, als ik alles van tevoren had geweten. Op 30 augustus 2014 wist ik wat een bad standing was.
Ik heb [betrokkene 1] in het verleden nog wel eens gesproken. Het beeld dat ik van [betrokkene 1] had, was dat hij stoer was vooral als ik de verhalen over zijn periode bij andere motorclubs hoorde dan was hij iemand waar ik tegenop keek. Ik zag [betrokkene 1] niet als een bang iemand en hij was de enige die aansluiting met [B] wilde. Ik heb [B] betrokken, omdat de vicepresident mij verwees naar de captain van [B] en vervolgens ben ik bij [betrokkene 3] terechtgekomen en is het een eigen leven gaan leiden. Het contact met [betrokkene 3] vind ik moeilijk om te beschrijven. Toen ik werd opgepakt door de politie, heb ik dat nooit begrepen. Ik heb uiteindelijk de club verlaten en heb nadien nog contact gehad met [betrokkene 1] . Ik heb nooit de indruk gehad dat hij mij iets verwijt.”
3.5
Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in:
“Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer naar voren gebracht dat verdachte aanwezig was, maar dat verdachte niet wist dat aangever een bad standing ging krijgen en daardoor geen opzet heeft gehad op de diefstal en de bad standing. Volgens de raadsvrouw bevat het dossier daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte heeft verklaard dat hij bij het tenlastegelegde aanwezig was, maar dat zijn rol door de rechtbank verkeerd is beoordeeld en dat hij niet als medepleger dan wel als medeplichtige kan worden aangewezen. Verdachte erkent dat hij het bestuur van [B] heeft ingeschakeld, waardoor uiteindelijk de bad standing heeft plaatsgevonden, maar ontkent dat hij dat vooraf wist en daar opzet op heeft gehad. Verder heeft verdachte verklaard dat hij - op verzoek van aangever - mee zou zijn gegaan naar de woning om spullen over te nemen en dat aangever zich daar veiliger bij zou voelen.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze in dit arrest zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
De feiten en omstandigheden
Het hof stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting - in het kort - de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 30 augustus 2014 wordt [betrokkene 1] (hierna: aangever) ontboden om te verschijnen in het clubhuis van [B] in [plaats] . Aangever was op dat moment de president van een aan [B] gelieerde support- en motorclub, genaamd de ‘ [A] ’. De aanleiding voor deze bijeenkomst was dat verdachte contact had gezocht met het bestuur van [B] [plaats] , vanwege het gedrag van aangever en de verdenking van het door deze erop nahouden van een dubbele boekhouding. Verdachte was op dat moment zelf ‘Sergeant at Arms’ bij de [A] en heeft voor de bijeenkomst op 30 augustus 2014 - in opdracht van [betrokkene 6] , een [B] lid - verschillende leden bijeen geroepen. Aangever verschijnt vervolgens in het clubhuis in [plaats] en krijgt daar een zogenoemde ‘bad standing’, dat houdt - kort gezegd - in dat een lid uit de motorclub wordt gezet, daarvoor dient te betalen en zijn spullen, waaronder de eigendommen van de club, zijn ‘colors’ (clubemblemen) en zijn motor, moet inleveren.
Tijdens de bad standing waren er meerdere leden in het clubhuis aanwezig en is er tegen aangever geschreeuwd, is er een glas uit zijn handen geslagen en is zijn hesje met colors met daarin zijn persoonlijke spullen hardhandig afgenomen. [betrokkene 3] - president van [B] in [plaats] - heeft aangever aan zijn hesje omhoog getrokken en heeft met kracht zijn hesje met colors uitgetrokken en afgepakt. Verdachte is daarna samen met twee anderen in opdracht van [betrokkene 3] met aangever in de auto gestapt om de motor van aangever, die op dat moment ter reparatie in [plaats] stond, op te halen. Omdat de motor nog niet gerepareerd was, diende aangever eerst een geldbedrag te betalen. Aangever moest daarvoor samen met de anderen naar zijn huis om via internet geld over te boeken en is toen samen met [betrokkene 8] - een [B] lid - naar de bank gereden om daar het geld te pinnen. In de tussentijd waren er steeds andere leden zichtbaar aanwezig in en rondom de woning van aangever, waar op dat moment ook zijn vrouw en kinderen waren. Daarnaast heeft aangever zijn motor - een Harley Davidson - af moeten staan, die uiteindelijk is overgeschreven op naam van [betrokkene 3] .
Diefstal met geweld en bedreiging met geweld
Nadat aangever in het clubhuis in [plaats] verschijnt, wordt aangever omringd door ongeveer tien tot vijftien leden van de [A] respectievelijk [B] . Aangever heeft verklaard dat hij, mede door de daar andere aanwezige clubleden, het gevoel had dat hij werd gegijzeld. In het clubhuis worden er vervolgens verwijten gemaakt gericht tegen aangever en wordt er een glas uit zijn hand geslagen. Er wordt door de president van [B] [plaats] tegen aangever geschreeuwd en er wordt dreigend gevraagd en toegeschreeuwd of hij aangever een pak slaag moet geven. Vervolgens wordt aangever bij zijn hesje gepakt en wordt zijn hesje met daarin zijn persoonlijke spullen met veel kracht uitgetrokken en afgenomen. Tijdens de bijeenkomst wordt medegedeeld dat hij - aangever - op ‘bad standing’ de club moet verlaten, dat hij daarvoor € 5.000,00 moet betalen en dat hij zijn motor in moet leveren. Aangever heeft op dat moment zijn motor niet bij zich en moet vertellen waar zijn motor op dat moment is.
Het hof stelt, op basis van het voorgaande, vast dat de diefstal is voorafgegaan en vergezeld van geweld en de bedreiging met geweld. Er is bedreigd met geweld door te schreeuwen en dreigend toe te schreeuwen of aangever een pak slaag moet krijgen en er is geweld toegepast door een glas uit de handen van aangever te slaan, door aangever hardhandig bij zijn hesje te pakken en deze met kracht uit te trekken in combinatie met het verbale geweld, waarbij er verwijten zijn gemaakt en tegen aangever is geschreeuwd. Bovendien ging er van de groep - vanwege het zichtbare groepsoptreden en de wijze van insluiting - waarin aangever zich bevond een duidelijk dreigende werking uit. Daardoor is er voor aangever in het clubhuis een bedreigende en intimiderende situatie ontstaan en is er bij aangever de vrees opgewekt dat er (ernstig) geweld zou worden toegepast, indien hij niet mee zou werken. Dat blijkt ook uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] , waarin hij over de situatie in het clubhuis heeft verklaard dat [betrokkene 3] “als een gek tekeer ging” en ook uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] waarin hij heeft verklaard dat de sfeer grimmig was en dat (ook) hij zich geïntimideerd voelde. Bovendien heeft verdachte zelf bij de politie verklaard dat aangever bang was voor [B] .
Opzet op het tenlastegelegde handelen
Volgens verdachte liep het pas tijdens de door hem georganiseerde bijeenkomst uit op een bad standing voor aangever en was vooraf niet bekend dat het zo zou gaan. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet wist van de bad standing en daarom geen opzet heeft gehad op de bad standing en de diefstal met geweld en dreiging met geweld. Volgens de raadsvrouw is het inschakelen van [B] , het organiseren van de vergadering en het daarbij aanwezig zijn onvoldoende om van opzet op het tenlastegelegde handelen te kunnen spreken.
Het hof acht bedoeld opzet wel aanwezig bij verdachte. Allereerst stelt het hof vast dat verdachte degene is geweest die de bijeenkomst in het clubhuis in [plaats] heeft georganiseerd. Verdachte heeft uit onvrede over aangever zijn gedrag uit eigen initiatief contact gezocht met de ‘captain’ van [B] [plaats] en heeft daar zijn ongenoegen over aangever geuit en verzocht om aangever uit zijn functie te ontheffen en hem af te zetten als president van de [A] . Verdachte heeft daarvoor ook (telefonisch) contact gehad met [betrokkene 6] , een bestuurslid van [B] . Uit een tapgesprek van 29 augustus 2014 tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 6] volgt dat [betrokkene 6] tegen ‘serge [verdachte] ’ (het hof begrijpt: verdachte) heeft gezegd dat aangever zijn schulden en colors moet inleveren en moet ‘opflikkeren’. In datzelfde gesprek wordt besproken dat aangever er met ‘bad standing’ uit zal gaan en dat daarvoor een vergadering op 30 augustus 2014 zal worden georganiseerd. Vervolgens wordt door [betrokkene 6] gezegd dat hij [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) gaat bellen en dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) dat maar even moet organiseren. Dat heeft verdachte vervolgens gedaan. Het hof merkt daarbij op dat op dat moment, de dag ervoor, al bekend was dat aangever met een ‘bad standing’ de club zou verlaten. Verdachte heeft daarvoor vervolgens verschillende leden opgeroepen, die op 30 augustus 2014 in [plaats] zijn verschenen. Vervolgens heeft aangever tijdens die door verdachte georganiseerde vergadering daadwerkelijk een bad standing gekregen.
Het hof overweegt dat verdachte zelf de bewuste keuze heeft gemaakt om [B] in te schakelen en daarmee redelijkerwijs kon voorzien dat [B] bij zijn conflict met aangever betrokken zou raken. Gelet op het feit dat binnen [B] - ook naar verdachte wist en door hem ter zitting bij het hof is bevestigd - een angstcultuur heerste en geweld en intimidatie niet werd geschuwd - was met het door hem inschakelen van [B] , vanwege het (vermeende) wangedrag van aangever, een bad standing of een vergelijkbaar andere harde sanctie jegens aangever voorzienbaar. Verdachte heeft immers zelf bij [B] het verzoek gedaan om aangever wegens malversaties met de boekhouding uit zijn functie te ontheffen en hem af te zetten als president. Verdachte heeft ook ter zitting bij het hof erkend als lid van de aan [B] gelieerde [A] en vanuit zijn functie als ‘Sergeant at Arms’ binnen die club bekend te zijn geweest met het bestaan van bad standings bij [B] en met wat zo’n bad standing zoal kan inhouden. Uit een eerdere verklaring van verdachte bij de politie volgt bovendien dat hij ook wist dat aangever bang was voor [B] .
Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij niets van de aankomende bad standing af wist en niet kon vermoeden dat het tijdens de bijeenkomst in [plaats] die kant uit zou gaan, gelet op het voorgaande, dan ook niet geloofwaardig. Het hof heeft geconstateerd dat verdachte eerder bij de politie heeft verklaard dat er een “degradatie” van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: aangever) zou zijn en dat iedereen zijn colors aan had tijdens de bijeenkomst in verband met de bad standing van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: aangever) en dat dat zo hoort binnen de club. Daarnaast heeft [betrokkene 3] tijdens zijn verhoor verklaard dat hij in overleg met de overige leden van de [A] (het hof begrijpt: de [A] ) tot de bad standing van aangever heeft besloten. Ook daaruit volgt dat er voorafgaand tussen verdachte en de andere betrokkenen is gesproken over de voorgenomen bad standing van aangever.
Ten slotte merkt het hof op dat ook nadat [betrokkene 3] het hesje van aangever met veel kracht uittrekt en verdachte de situatie (verder) ziet escaleren, verdachte (actief) blijft deelnemen en zich niet aan de situatie onttrekt of zich van de situatie distantieert. In het bijzonder volgt uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] dat verdachte tijdens de bad standing tegenover aangever zat en volgt uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] dat hij – [betrokkene 5] - tijdens de bad standing in het clubhuis van ‘sergeant [verdachte] ’ (het hof begrijpt: verdachte) een paspoort en bankpassen op naam van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: aangever) kreeg met de opdracht om deze bij zich te houden. Ten slotte merkt het hof op dat, hoewel verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij het niet eens was met de gang van zaken, uit het dossier ook niet blijkt dat verdachte zich tegen de bad standing heeft verzet.
Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat uit voorgaande feiten en omstandigheden het opzet van verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de bad standing en de diefstal is komen vast te staan.
Afpersing van het geldbedrag en de motor
Naast dat aangever zijn hesje met daarin zijn persoonlijke spullen moest afstaan, is tijdens de bad standing ook dwingend aan aangever medegedeeld dat deze een geldbedrag van € 5.000,00 moest betalen en zijn motor in moest leveren. Aangever is daarop vanaf het clubhuis samen met verdachte en twee [B] leden in zijn auto gestapt om zijn motor op te gaan halen. Aangever heeft daarover verklaard dat hij min of meer onder bedreiging van drie leden - waaronder verdachte - in zijn auto moest stappen en naar [plaats] moest rijden. Ondertussen is medeverdachte [betrokkene 4] - in opdracht van verdachte - naar de woning van aangever gereden. In de auto werd gedreigd dat als aangever niet mee zou werken, ze hem wel wisten te vinden.
De motor van aangever stond ter reparatie in [plaats] , maar omdat deze nog niet klaar was en daardoor niet kon worden meegenomen, werd afgesproken dat aangever daarvoor een geldbedrag van € 1.000,00 moest betalen. Aangever is daarvoor langs zijn woning in [plaats] gegaan om daar via internet geld van zijn spaarrekening over te boeken. De vrouw van aangever - getuige [betrokkene 11] - was op dat moment thuis en beschrijft dat haar opviel dat aangever in de woning, in de aanwezigheid van andere leden, stil en timide was en dat hij dat normaal niet is en dat zij het een foute sfeer vond. Zij verklaarde dat aangever achter de computer zat en er een jongen achter hem ging staan en dat de andere jongen in de deuropening bleef staan. Uit het dossier en voornoemde omstandigheden volgt dat aangever in redelijkheid geen keuze had en dat hij uit angst en onder druk de betreffende handelingen heeft verricht. Dit stemt overeen met de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hem bekend was dat [B] geen tegenspraak duldde. Aangever is vervolgens samen met [betrokkene 8] , een [B] lid, naar de ABN bank in [plaats] gereden om daar het geld op te nemen en dat geldbedrag van € 1.000,00 vervolgens af te geven, terwijl er in de tussentijd leden bij zijn woning aanwezig waren. Daarnaast is er contact geweest over de motor en heeft aangever de opdracht gekregen om aan de reparateur door te geven dat zijn motor door iemand anders zou worden opgehaaid, hetgeen aangever vervolgens heeft gedaan. Aangever heeft verklaard dat hij aan dit verzoek heeft voldaan, omdat hij zich bedreigd voelde en bang was dat ze hem of zijn gezin iets aan zouden doen. De motor van aangever blijkt vervolgens op 3 september 2014 door twee leden van [B] te zijn opgehaald en is overgeschreven op naam van [betrokkene 3] .
Het hof overweegt dat voorafgaand aan deze afpersing al een zeer bedreigende situatie heeft plaatsgevonden in het clubhuis, waarbij geweld is toegepast en met geweld is gedreigd. Dat in aanmerking genomen is voor aangever in de auto en daarna opnieuw een gerechtvaardigde vrees ontstaan dat er (ernstig) geweld zou worden toegepast indien hij niet zou doen wat hem werd opgedragen. Tijdens het vervolg van de bad standing waren er meerdere leden aanwezig in en rondom de woning van aangever. Dat is voor aangever zeer intimiderend en bedreigend geweest, ook omdat zijn vrouw en kinderen op dat moment thuis waren. Aangever is psychisch zwaar onder druk gezet en begaf zich in een situatie waaraan hij, mede vanwege het groepsoptreden, in redelijkheid geen tegenwicht kon bieden. Aangever kon onder die omstandigheden niet anders dan bevelen opvolgen en zijn spullen afgeven en werd daarom gedwongen tot afgifte van zijn geld en zijn motor. Bovendien was aangever zich erg bewust van de consequenties indien hij niet mee zou werken of niet zou voldoen aan hetgeen hem werd opgedragen.
Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat verdachte ook betrokkenheid heeft gehad bij de afgifte van de motor. Weliswaar heeft verdachte de motor uiteindelijk niet fysiek opgehaald, maar hij heeft een actieve rol gespeeld in de afhandeling daarvan en zou aanvankelijk, zoals dat volgt uit een tapgesprek van 3 september 2014, samen met een ander de motor ophalen. De enkele omstandigheid dat zij toen niet wisten waar de motor was en deze daarom niet mee hebben kunnen nemen, maakt dat niet anders. Verdachte heeft na afloop van de bad standing contact met aangever en [betrokkene 3] onderhouden over de afhandeling van de motor. Bovendien is verdachte in eerste instantie bij aangever in de auto gestapt, samen met twee [B] leden, om de motor van aangever op te halen. Dat de motor uiteindelijk door twee andere leden is opgehaald, doet aan het voorgaande dan ook niets af.
Gelet op voorgaande overwegingen is het hof van oordeel dat aangever door geweld en bedreiging met geweld is gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 1.000,00 en van zijn motor.
Medeplegen
Vaststaat dat verdachte [B] heeft ingeschakeld, hetgeen aanleiding is geweest voor de uiteindelijke bad standing van aangever. Vervolgens is verdachte in het clubhuis in [plaats] aanwezig, heeft verdachte daar het woord gekregen, heeft hij aangever toegesproken en is hij boos op hem geworden. Vervolgens is er geschreeuwd, is er een glas uit de handen van aangever geslagen en is het hesje van aangever hardhandig uitgetrokken, waarna verdachte vervolgens over persoonlijke spullen van aangever beschikt, namelijk over een paspoort en bankpassen op naam van aangever. Uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] volgt dat verdachte deze spullen vervolgens aan hem heeft gegeven met de opdracht dat hij - [betrokkene 5] - deze moet bewaren.
Verdachtes betrokkenheid gaat vervolgens door op het moment dat verdachte - in opdracht van [betrokkene 3] - samen met anderen in de auto stapt bij aangever om de motor van aangever op te halen. Uit de verklaring van aangever volgt dat verdachte toen medeverdachte [betrokkene 4] de opdracht heeft gegeven om naar de woning van aangever te rijden. Dat sluit aan bij de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] , waarin hij verklaart dat hij naar de woning van aangever is gegaan en daar buiten heeft gewacht. Vervolgens is verdachte meegegaan naar de woning van aangever en heeft verdachte daar gewacht, totdat aangever met medeverdachte [betrokkene 8] terug kwam van de bank. In de tussentijd heeft verdachte steeds contact onderhouden met [betrokkene 3] over het verloop van de bad standing van aangever, zoals over het betalen van het geldbedrag, het ophalen van spullen van de [A] bij aangever thuis en de motor.
Uit de tapgesprekken volgt onder meer dat verdachte van [betrokkene 3] de opdracht krijgt om alle spullen van de [A] bij aangever thuis mee te nemen, waar verdachte vervolgens mee akkoord gaat. Bovendien krijgt verdachte de opdracht om informatie over het overschrijven van de motor door te geven aan aangever en informeert verdachte telefonisch bij [betrokkene 3] of aangever de bad standing ook kan betalen. Uit een gesprek op 30 augustus 2014, de dag van de bad standing, volgt ook dat aangever aan [betrokkene 3] vraagt of hij eerst een deel kan betalen, dat [betrokkene 3] daarmee akkoord gaat en dat aangever vervolgens vraagt of hij - [betrokkene 3] - dat aan verdachte wil doorgeven. Uit de tapgesprekken volgt dan dat [betrokkene 3] verdachte vervolgens belt om dat door te geven. Uit die tapgesprekken volgt ook dat verdachte na afloop van de bad standing betrokken blijft en een aantal dagen later, op 3 september 2014, nog contact heeft met [betrokkene 3] over de motor, waarbij verdachte aangeeft dat aangever niet meewerkt en dat hij - verdachte - samen met [betrokkene 5] de motor op wilde halen. Daaruit volgt ook dat verdachte na de bad standing nog contact heeft met aangever over het verdere verloop en het afgeven van zijn motor.
Uit het voorgaande leidt het hof, anders dan de verdediging, af dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan zowel de diefstal als de afpersing. Hoewel verdachte zijn eigen rol zelf kennelijk anders ziet, volgt uit de inhoud van het dossier dat verdachte constant heeft samengewerkt met andere leden van de motorclub, waarbij hij opdrachten heeft uitgevoerd en ook heeft gegeven. Zowel in de voorfase, door het inschakelen van [B] en de organisatie van de vergadering, als daarna en in de eindfase waarin de laatste zaken rondom de motor worden geregeld heeft verdachte zijn (actieve) bijdrage geleverd. Gelet op alle handelingen die verdachte, samen met anderen, heeft verricht en de opdrachten die hij heeft uitgevoerd is verdachtes rol omvangrijker geweest dan wat hij daar zelf over te berde brengt. Weliswaar was verdachte ondergeschikt aan [betrokkene 3] en heeft verdachte - vanuit die hiërarchische verhouding - opdrachten moeten uitvoeren, maar verdachte heeft ook zelf de leiding genomen en opdrachten aan anderen gegeven. Het hof stelt op basis daarvan vast dat er sprake is geweest van een, voor medeplegen vereiste, nauwe en bewuste samenwerking.
De lezing van verdachte dat hij op verzoek van aangever en voor diens veiligheid is meegegaan acht het hof gelet op voorgaande overwegingen niet aannemelijk geworden. Bovendien vindt dat op geen enkele wijze steun in het dossier en evenmin in de verklaringen van aangever. Van het begin tot het einde is verdachte aanwezig en nauw betrokken geweest en heeft hij, samen met anderen, een wezenlijke rol bij hetgeen ten laste is gelegd vervuld. Dat is al begonnen op het moment dat verdachte uit eigen initiatief [B] heeft ingeschakeld en iedereen bijeen heeft geroepen, maar ook tijdens het verdere verloop van de bad standing en daarna heeft verdachte - mede in zijn rol als ‘Sergeant at Arms’ - een belangrijk aandeel in de situatie gehad. Een aandeel dat verdachte op dat moment ook heeft aanvaard. Gelet op die mate van betrokkenheid, afstemming en samenwerking en het daaraan uitvoering geven, heeft verdachte naar het oordeel van het hof een substantiële bijdrage geleverd en daarmee een rol als medepleger vervuld.
Conclusie
Gelet op voorgaande overwegingen, acht het hof het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt derhalve verworpen.”
3.6
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 310 Sr:
“Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”
- Art. 312 lid 1 Sr:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.”
- Art. 317 lid 1 Sr:
“Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens, wordt, als schuldig aan afpersing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
3.7
In de delictsomschrijvingen van art. 312 jo. 310 Sr en art. 317 Sr is de wederrechtelijkheid als bestanddeel opgenomen. Bij art. 312 Sr gaat het om het in art. 310 Sr uitgedrukte oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en bij art. 317 Sr om het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.
3.8
In HR 9 februari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4227, NJ 1972/1 m.nt. Bronkhorst – het Dreigbrief-arrest – had de verdachte dreigbrieven verzonden waarin hij de ontvangers onder bedreiging van geweld onder druk zette om geldbedragen op zijn rekening over te maken. Door de verdediging was het verweer gevoerd dat de verdachte recht had op het geld en dat daarom geen sprake was van wederrechtelijke bevoordeling zoals bedoeld in art. 317 Sr. De Hoge Raad overwoog dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen had kunnen afleiden dat de verdachte had gehandeld met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen nu “hetgeen req. tot het behalen van die beoogde bevoordeling heeft verricht van zodanige aard is en op zodanige wijze is geschied, dat daaruit door het Hof kon worden afgeleid, dat req. moet hebben beseft, dat hij […] de grenzen van het maatschappelijk betamelijke daarmede verre overschreed”.
3.9
In de literatuur wordt uit dit arrest en ook uit andere jurisprudentie afgeleid dat de Hoge Raad min of meer uitgaat van een algemene, ruime invulling van het bestanddeel wederrechtelijk in de betekenis van “in strijd met het recht”. Volgens Kelk en De Jong, die in het bijzonder de wederrechtelijkheid als bestanddeel in de context van vermogensdelicten bespreken, wordt de ruime opvatting van wederrechtelijkheid als bestanddeel toegepast in gevallen waarin de daders van een vermogensdelict − ook indien zij (eventueel) over een eigen recht beschikken − gebruik maken “van een methode die op zichzelf onbehoorlijk is, zodat van de gehele gang van zaken rond het feitelijk gebeurde niet kan worden gezegd dat deze de toets van het recht en wel het recht ‘in de ruimste zin van het woord’ kan doorstaan”.
3.10
De steller van het middel voert in de toelichting op het eerste middel kort samengevat aan dat royement, het innen van clubsymbolen, het betalen van een boete en het in beslag nemen van de motor, motor- en autopapieren, creditcard en bankpas sancties zijn die passen bij het eigen recht van de motorclub, dat het lid zijn van de club het conformeren aan het interne recht inhoudt en dat het handelen conform de interne rechtspleging en sanctieoplegging “in beginsel” niet wederrechtelijk is. Het handhandige gedrag en intimidatie zouden volledig in de clubcultuur passen en kunnen als “ceremonieel” worden beschouwd. Het andersluidende oordeel van het hof zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk zijn. In de toelichting op het derde middel wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat de uitvoering “niet geheel zachtzinnig ging” niet tot het oordeel leidt dat sprake is van wederrechtelijk handelen in aanmerking genomen dat die wijze van uitvoering in lijn was met de tradities en gebruiken die golden binnen het verband van de motorclub. Het oordeel van het hof waarin volgens de steller van het middel deze specifieke context niet is meegewogen zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk zijn.
3.11
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat [A] meer een familie/gezelligheidsclub was en dat de feiten in de context van de gewelddadige cultuur van motorclubs zou worden geplaats niet terecht zou zijn. Over feit 1 heeft zij onder meer aangevoerd dat geen sprake was van een situatie waarbij aangever in het clubhuis is gehouden of gegijzeld, dat er geen handgemeen geweest, geweld is gebruikt of gedreigd met geweld, alleen dat [betrokkene 3] het vest van aangever heeft uitgetrokken. Over feit 2 heeft zij onder meer naar voren gebracht dat de rechtbank hier een sfeer om creëert die door de aangever zelf niet wordt gegeven, dat uit de feiten en omstandigheden volgt dat geen sprake was van een dreigende of intimiderende sfeer, onder meer blijkend uit de instemming die de aangever nog had, zijn verklaring dat hij blij was dat alles zo vreedzaam was gelopen en het gegeven dat de verdachte het nog opneemt voor de aangever en een regeling voor hem probeert te treffen.
3.12
Het hof stelt in het bestreden arrest onder “De feiten en omstandigheden” onder meer vast dat de verdachte als “Sergeant at Arms” van de [A] , een aan [B] gelieerde supportclub, klachten heeft ingediend bij [B] over de aangever en dat de aangever naar aanleiding daarvan een “bad standing” heeft gekregen. Daarmee wordt volgens het hof bedoeld dat “een lid uit de motorclub wordt gezet, daarvoor dient te betalen en zijn spullen, waaronder de eigendommen van de club, zijn ‘colors’ (clubemblemen) en zijn motor, moet inleveren.” Onder het tussenkopje “Diefstal met geweld en bedreiging met geweld” stelt het hof vast dat de diefstal in het clubhuis (van het hesje met daarin de persoonlijke spullen) is voorafgegaan en vergezeld met geweld en bedreigingen met geweld. Het hof noemt in dat verband onder meer het dreigen met geweld door te schreeuwen en dreigend toe te schreeuwen of aangever een pak slaag moet krijgen, de omstandigheid dat een glas uit de handen van aangever is geslagen, dat aangever handhandig bij zijn hesje is gepakt en dat deze met kracht is uitgetrokken, het verbale geweld, het groepsoptreden en de wijze van insluiting. Het hof overweegt dat er voor aangever in het clubhuis een bedreigende en intimiderende situatie ontstaan en de vrees opgewerkt dat er bij niet meewerken geweld zou volgen, zo blijkt volgens het hof ook uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] dat [betrokkene 3] “als een gek tekeer ging”, de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] dat de sfeer grimmig was en dat hij zich geïntimideerd voelde en de verklaring van verdachte zelf bij de politie dat hij bang was voor [B] . Onder het tussenkopje “Afpersing van het geldbedrag en de motor” stelt het hof onder meer vast dat nadat de aangever zijn hesje met daarin zijn persoonlijke spullen moest afstaan ook dwingend aan hem is medegedeeld dat hij € 5.000,- moest betalen en zijn motor moest inleveren, dat hij vanaf het clubhuis met verdachte en twee [B] leden in de auto is gestapt op zijn motor op te halen en daarover heeft verklaard dat hij min of meer onder bedreiging van drie leden waaronder verdachte in zijn auto moest stappen terwijl medeverdachte [betrokkene 4] in opdracht van de verdachte naar de woning van aangever is gereden en dat in de auto is gedreigd dat als hij niet zou meewerken, ze hem wel wisten te vinden. Het hof stelt dan vast dat de motor niet opgehaald kon worden omdat deze moest worden gerepareerd, dat de verdachte daar € 1000,- voor moest betalen en dat langs zijn huis is gegaan, waarover zijn vrouw onder meer heeft verklaard dat de aangever daarbij stil en timide was en dat zij het een foute sfeer vond, dat toen de aangever achter de computer zat er iemand achter hem ging staan en een andere persoon in de deuropening. Volgens het hof zou hieruit volgen dat aangever in redelijkheid geen keuze had en dat hij angst en onder druk de handelingen heeft verricht. In dat verband haalt het hof ook de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aan dat [B] geen tegenspraak duldde. Na het huisbezoek is aangever met iemand van [B] naar de bank gegaan om het geld te pinnen terwijl er leden bij zijn woning aanwezig waren, ook moest hij aan de reparateur doorgegeven dat de motor door iemand anders zou worden opgehaald waarbij de aangever heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan omdat hij zich bedreigd voelde en bang was dat ze hem of zijn gezin iets aan zouden doen. Het hof overweegt dan dat voorafgaand aan de afpersing een zeer bedreigende situatie heeft plaatsgevonden in het clubhuis waarbij geweld is toegepast en met geweld is gedreigd, dat voor de aangever in de auto en daarna opnieuw een gerechtvaardigde vrees ontstaan dat er (ernstig) geweld zou worden toegepast indien hij niet zou doen wat hem werd opgedragen, dat tijdens het vervolg van de “bad standing” meerdere leden aanwezig waren in en rondom de woning van aangever, dat dit zeer intimiderend en bedreigend is geweest omdat zij vrouw en kinderen op dat moment thuis waren. Het hof overweegt ten slotte dat aangever psychisch zwaar onder druk is gezet en zich in een situatie begaf waaraan hij – mede gezien het groepsoptreden en zijn bewustzijn van de consequenties indien hij niet mee zou werken − niet anders kon dan bevelen opvolgen en zijn spullen afgeven en daarom werd gedwongen tot afgifte van zijn geld en zijn motor.
3.13
Dat het hof tot het oordeel is gekomen dat bij de bewezenverklaarde feiten sprake is van wederrechtelijk handelen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Ik kom tot deze beoordeling op grond van het volgende.
3.14
Over de diefstal met geweld en bedreiging met geweld heeft het hof vastgesteld en is in cassatie niet betwist dat de aangever is ontboden op de club, waar hij is omringd door een groep, waarbij tegen hem is geschreeuwd, is gedreigd hem een pak slaag te geven, een glas uit zijn hand is geslagen en zijn hesje met veel kracht is uitgetrokken. Het wegnemen van het hesje met daarin de persoonlijke spullen is op zodanige wijze geschied dat sprake is van een wederrechtelijke toe-eigening. Voor zover het eerste middel inhoudt dat de gedragingen vallen binnen de clubregels en dat om die reden het bewezenverklaarde handelen niet wederrechtelijk is faalt het. Pas in cassatie is aangevoerd dat de sancties passen binnen het eigen recht van de motorclub, dat leden zich hiernaar conformeren en dat het hardhandige gedrag en intimidatie passen binnen de clubcultuur. Reeds daarom kan deze klacht niet slagen. Niettemin merk ik op dat nog daargelaten of de verschillende sancties op zichzelf inderdaad conform de binnen de club geldende regels waren (een onderbouwing daarvoor ontbreekt), de wijze waarop de oplegging van de sancties en het afdwingen daarvan heeft plaatsgevonden, dermate verregaand in strijd is met de rechtsorde en als wederrechtelijk heeft te gelden, dat zelfs wanneer daarvoor toestemming zou zijn verleend door de aangever dit het handelen niet kan rechtvaardigen.
3.15
Hetzelfde geldt voor de afpersing van het geldbedrag en de motor. Zelfs al zou de afgifte van de motor en het geld in beginsel een rechtmatige grondslag hebben, namelijk het handhaven van clubregels, dan neemt dat niet weg dat de wijze waarop die afgifte heeft plaatsgevonden de grenzen van het maatschappelijk betamelijk in dusdanige mate heeft overschreden dat daarmee sprake is van het “oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling”. Anders dan de steller van het middel aanvoert is de in zijn woorden “niet geheel zachtzinnige” wijze waarop de uitvoering heeft plaatsgevonden mede gelet op het onder 3.9 vooropgestelde wel degelijk relevant voor de beoordeling van het “oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling”. Nu de niet in cassatie betwiste overwegingen door het hof onder meer inhouden dat voorafgaand aan de afpersing een zeer bedreigende situatie heeft plaatsgevonden in het clubhuis waarbij geweld is gebruikt en is gedreigd met geweld, dat daaropvolgend in de auto is gedreigd dat als aangever niet mee zou werken, “ze hem wel wisten te vinden”, dat er meerdere leden aanwezig waren in en rondom de woning waar op dat moment ook zijn vrouw en kinderen aanwezig waren, kan niet worden gezegd dat de bevoordeling op een rechtmatige manier heeft plaatsgevonden.
3.16
Het eerste en het derde middel falen.
4Het tweede middel
4.1
Het middel is gericht tegen het onder 1 primair bewezenverklaarde en houdt in dat het oordeel van het hof dat sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de “bad standing” en de diefstal blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
4.2
Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat voor medeplegen een dubbel opzetvereiste geldt: opzet op het medeplegen en opzet op het grondfeit. Wat betreft het opzet op het grondfeit is het uitgangspunt dat de medepleger opzet op ten minste de delictsgedraging dient te hebben en verder dat hij de pleger volgt in die zin dat op de door opzet bestreken delictsbestanddelen van het grondfeit ook de medepleger opzet moet hebben en wel in de opzetvorm die voor de pleger van het delict geldt. Voor een bewezenverklaring van art. 312 Sr is vereist dat de verdachte het goed “met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening” heeft weggenomen (zie het eerste middel). Daarnaast moet het opzet van de verdachte gericht zijn op het geweld en/of de bedreiging met geweld, waarvoor voorwaardelijk opzet de ondergrens is, en moet het geweld en/of de bedreiging met geweld gepleegd zijn met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Het opzet op het grondfeit mag globaal ingevuld worden bij medeplegen, dat wil zeggen dat een wat andere afloop en invulling van het grondfeit dan de verdachte voor ogen stond in de rol van de deelnemer is ingebakken.
4.3
Uit de toelichting blijkt dat het middel zich verzet tegen het oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op de “bad standing” en de diefstal. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de interne rechtspleging zou uitlopen op een “bad standing” en dat er gelet op de groepsdynamiek voor hem geen reële mogelijkheid was om zich daarvan te distantiëren. Aangevoerd wordt dat de verdachte wist dat het handelen van de aangever zou worden besproken, dat de vergadering een officieel karakter zou hebben, dat alle leden hun “colors” moesten dragen en dat de aangever waarschijnlijk uit zijn functie zou worden gezet, maar niet dat het zou uitlopen op een “bad standing”. Volgens de steller van het middel zou dit ook niet uit de bewijsmiddelen volgen. Dat anderen over de “bad standing” hebben gesproken zou nog niet meebrengen dat de verdachte daarvan op de hoogte was. De “bad standing” kwam voor de verdachte volkomen onverwacht en de omstandigheid dat er binnen een motorclub een machocultuur bestond dwingt niet tot het oordeel dat een “bad standing” – een ongebruikelijke, zware sanctie − voorzienbaar was. Over het niet-distantiëren voert de steller van het middel aan dat het hof miskent dat een “bad standing” de uitkomst is van een interne rechtspleging, waarbij er voor de individuele leden geen ruimte is om afstand te nemen van het collectieve oordeel.
4.4
Voor zover het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist van de “bad standing” faalt het. Daartoe is het volgende van belang.
4.5
Het hof heeft onder het kopje “Opzet op het tenlastegelegde handelen” geoordeeld dat het opzet van de verdachte op de bad standing en de diefstal is komen vast te staan. Dit oordeel heeft het hof onder meer gestoeld op de volgende omstandigheden:
(i) de verdachte heeft uit eigen initiatief contact gezocht met [B] en heeft aan hen verzocht om aangever af te zetten als president van de [A] ;
(ii) een telefoongesprek tussen medeverdachte [B] -leden [betrokkene 3] en medeverdachte [betrokkene 6] waarin zij bespreken dat de aangever er met een “bad standing” uit moet gaan, dat [betrokkene 6] de verdachte zou bellen dat hij het moet organiseren en dat de verdachte heeft gezegd dat de aangever zijn schulden en “colors” moet inleveren en moet “opflikkeren”;
(iii) de verdachte heeft de bijeenkomst georganiseerd, heeft in dat verband verschillende leden opgeroepen die zijn verschenen en de aangever heeft daadwerkelijk een “bad standing” gekregen;
(iv) de verdachte wist als lid van [A] en als “Sergeant at Arms” wat een bad standing inhield en heeft zelf bevestigd dat binnen [B] een angstcultuur heerste en geweld en intimidatie niet werden geschuwd. Hij wist ook dat aangever bang was voor [B] ;
(v) De verdachte heeft bij de politie verklaard dat er een “degradatie” van aangever zou plaatsvinden, dat iedereen zijn “colors” aanhad tijdens de bad standing en dat dat zo hoort binnen de club. [betrokkene 3] heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij in overleg met de overige leden (het hof begrijpt: [A] ) tot de “bad standing” van aangever heeft besloten;
(v) tijdens de bijeenkomst in het clubhuis, nadat [betrokkene 3] met veel kracht het hesje van aangever uittrekt en de verdachte de situatie “(verder) ziet escaleren” blijft de verdachte actief deelnemen en onttrekt zich niet aan of distantieert zich niet van de situatie en aan medeverdachte [betrokkene 5] geeft hij tijdens de bad standing een het paspoort en bankpassen op naam van de aangever gegeven met de opdracht deze zich bij te houden;
(vi) uit het dossier blijkt niet dat de verdachte zich tegen de “bad standing” heeft verzet.
4.6
Het hof overweegt dat de verdachte zelf de “bewuste keuze” heeft gemaakt om [B] in te schakelen en “daarmee redelijkerwijs kon voorzien” dat [B] bij zijn conflict met aangever betrokken zou raken en dat gelet op het door de verdachte bevestigde feit dat er binnen [B] een angstcultuur heerste en geweld en intimidatie niet werd geschuwd, met het inschakelen van [B] “een bad standing of een vergelijkbaar andere harde sanctie” jegens aangever “voorzienbaar” was. Het hof overweegt ook dat het de verklaring van de verdachte dat hij niets van de “bad standing” afwist en niet kon vermoeden dat het daarop zou uitlopen niet geloofwaardig acht, gelet op zijn eigen verklaring over onder meer de “degradatie” van aangever en de omstandigheid dat voorafgaand tussen de verdachte en andere betrokkenen is gesproken over de voorgenomen “bad standing”.
4.7
Het hof overweegt dat de “bad standing of een vergelijkbaar andere harde sanctie” voor de verdachte voorzienbaar was. Hoewel voorzienbaarheid ook wel kan worden gebruikt in de zin van het bestaan van slechts een mogelijkheid, volgt uit het geheel van de bewijsvoering dat het hof hiermee kennelijk heeft bedoeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de “bad standing” voorzag en daarvan dus wist. In lijn daarmee liggen onder meer de overwegingen van het hof dat op initiatief van de verdachte de bijeenkomst heeft plaatsgevonden, dat de verdachte de bijeenkomst heeft georganiseerd en (in ieder geval) een dag van tevoren wist wat een “bad standing” was, dat in een gesprek tussen [betrokkene 6] en [betrokkene 3] is gezegd dat verdachte heeft gezegd dat aangever zijn “colors” moest inleveren en moest “opflikkeren” en het door het hof gebezigde bewijsmiddel 10 waaruit blijkt dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij iedereen had gebeld van de [A] dat ze die zaterdag naar [plaats] moesten komen, dat er een degradatie van aangever zou zijn en dat “ [betrokkene 3] […] [betrokkene 1] toen een Bad Standing [heeft] gegeven en gezegd dat hij zijn colours in moest leveren”, dat iedereen zijn colours aan had tijdens de bijeenkomst in [plaats] in verband met de “bad standing” van aangever en dat “dit zo hoorde binnen de club”. Dat het hof uit het geheel van deze feiten en omstandigheden tot het oordeel is gekomen dat de verdachte wist van de “bad standing” getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. In de bewijsvoering van het hof ligt bovendien besloten dat de verdachte ook wist dat dat de aangever bij zo’n “bad standing” spullen moest inleveren en dat dit − gelet op de cultuur binnen [B] − gepaard zou kunnen gaan met geweld en dat hij desondanks [B] heeft ingeschakeld.
4.8
Voor zover het middel klaagt dat niet-distantiëren gelet op de interne rechtspleging niet mogelijk was faalt het eveneens. Ten eerste volgt uit de onder 4.5 en 4.7 genoemde omstandigheden dat de verdachte de bijeenkomst met een flink aantal aanwezigen zelf heeft georganiseerd, dat deze bijeenkomst erop was gericht de aangever ter verantwoording te roepen en dat de verdachte moet hebben voorzien dat het daarbij zou gaan om toepassing van een “bad standing of een vergelijkbaar andere harde sanctie”. Verder zijn hier de vaststellingen van belang die het hof heeft gedaan over niet alleen de rol van de verdachte in het ontlokken en het organiseren van de “bad standing” maar ook zijn rol ten tijde van het plegen van het delict, in aanmerking genomen dat de verdachte tijdens de “bad standing” tegenover de aangever zat, dat hij naar eigen zeggen het woord heeft genomen, dat hij het paspoort en de bankpassen aan medeverdachte [betrokkene 5] heeft gegeven met de opdracht deze bij zich te houden en dat de verdachte aan de zich verder escalerende situatie niet heeft onttrokken of zich daarvan heeft gedistantieerd. Hieruit volgt dat de rol van de verdachte volgens het hof niet alleen bestond uit het veroorzaken, organiseren en bijwonen van de bijeenkomst maar dat hij ook actieve gedragingen heeft verricht. Daartegenover staat in feite niets: terwijl de verdachte toch “Sergeant at Arms” van [A] was, initiator van het contact met [B] over het gedrag van de aangever en bovendien organisator van de bijeenkomst, heeft hij zelfs niet getracht om op een meer gematigde reactie aan te dringen, noch tijdens de bijeenkomst noch daaraan voorafgaand.
4.9
Het in reactie op het opzetverweer van de verdediging gegeven oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op diefstal met geweld en bedreiging met geweld getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
4.10
Ten overvloede merk ik op dat noch in hoger beroep noch in cassatie er uitdrukkelijk specifiek over wordt geklaagd dat bij de verdachte oogmerk op de diefstal en/of afpersing ontbreekt. Ook een klacht daarover had echter niet kunnen slagen. Uit de bewijsvoering door het hof blijkt in voldoende mate dat de verdachte de bedoeling had om de aangever in een situatie te plaatsen waarvan de verdachte wist dat daarin een bad standing of een vergelijkbaar andere harde sanctie jegens de verdachte zou worden toegepast, terwijl de verdachte actief is blijven deelnemen bij het uitvoeren van die sancties c.q. de wederrechtelijke toe-eigening/bevoordeling.
4.11
Het tweede middel faalt.
5Het vierde middel
5.1
Het middel verzet zich tegen de hoofdelijke betalingsverplichting die is opgelegd bij de toegewezen vordering benadeelde partij en de daaraan verbonden schadevergoedingsmaatregel, op de grond dat die betalingsverplichting niet aan een of meer mededader(s) is opgelegd waardoor de verdachte zijn regresrecht niet kan uitoefenen.
5.2
Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in:
“Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.432,32. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 293,33. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gevorderd om deze toe te wijzen conform de beslissing van de rechtbank. Dat houdt in dat een bedrag van € 293,33 hoofdelijk kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, mede gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is - hoofdelijk - tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Materiële schade
Anders dan de rechtbank, overweegt het hof ten aanzien van de gevorderde materiële schade dat verdachte als medepleger van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde verantwoordelijk kan worden gehouden voor de daaruit voortgekomen en geleden schade. Verdachte heeft deze schade - samen met zijn medeverdachten - veroorzaakt. Dat het geld en de motor vervolgens niet ten gunste van verdachte zou zijn gekomen, hoeft op zichzelf genomen geen reden te zijn om de vordering af te wijzen.
Het hof zal daarom de volgende materiële schade - hoofdelijk - toewijzen:
Harley Davidson € 6.750,00
Gepind geld € 1.000,00
Mobiele telefoon met beltegoed € 350,00
Club emblemen € 160,00
Leren vest € 45,00
Kentekenbewijs € 31,50
ID-kaart € 56,83
Totale materiële schade € 8.393,33
Voor wat betreft de kosten voor het rijbewijs - betreffende € 38,99 - is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor dat bedrag in de vordering niet worden ontvangen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft eveneens immateriële schadevergoeding gevorderd, wegens de psychische gevolgen ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen. Het betreft een vordering van € 1.000,00. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering tot immateriële schade voldoende is onderbouwd. Het hof is van oordeel dat voor dit bewezenverklaarde handelen het bedrag, zoals dat is gevorderd, hoofdelijk kan worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze
[…]
BESLISSING
[…]
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.393,33 (negenduizend driehonderddrieënnegentig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 8.393,33 (achtduizend driehonderddrieënnegentig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.393,33 (negenduizend driehonderddrieënnegentig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 8.393,33 (achtduizend driehonderddrieënnegentig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 81 (eenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 september 2014.”
5.3
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wetsartikelen van belang:
- Art. 6:162 lid 1 BW
“Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.”
- Art. 6:102 lid 1 BW
“Rust op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade, dan zijn zij hoofdelijk verbonden. Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 10 in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 101, tenzij uit de wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit.”
- Art. 36f lid 2 Sr:
“2. De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”
5.4
Daarnaast heeft de Hoge Raad in HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:3 het volgende vooropgesteld (met weglating van de voetnoten):
“2.7 In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld:
“Hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat indien en voor zover meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade (art. 6:102 BW), hetgeen doorgaans het geval is indien de schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen. (...)
Indien de rechter oordeelt dat sprake is van hoofdelijkheid moet hij dit bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel tevens in het dictum tot uitdrukking brengen. Aldus wordt duidelijk dat de door de wet aan hoofdelijkheid verbonden gevolgen - waaronder de bevrijding van de schuldenaar in geval van betaling door een medeschuldenaar (art. 6:7, tweede lid, BW) - intreden.
(...)
Indien sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid kan ook de schadevergoedingsmaatregel voor het totale schadebedrag worden opgelegd. Zoals hiervoor onder 2.6 is overwogen dient eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel tot uitdrukking te worden gebracht.”
[…]
2.9
Opmerking verdient dat indien en voor zover meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade, hun hoofdelijke aansprakelijkheid en de gevolgen daarvan voortvloeien uit de wet (artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek). Als de rechter in de vordering en de door hem daarover vastgestelde omstandigheden aanleiding vindt die hoofdelijkheid in de beslissing vast te stellen, kan hij op de hiervoor onder 2.7 aangegeven wijze daartoe overgaan. Hij is daartoe echter niet ambtshalve verplicht.”
5.5
Het middel houdt in dat het hof een hoofdelijke betalingsverplichting heeft opgelegd in verband met de toegewezen vordering van de benadeelde partij en de daaraan gekoppelde schadevergoedingsmaatregel, terwijl die betalingsverplichting niet aan een of meer mededader(s) is opgelegd en dus niet gezegd kan worden dat meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade conform art. 6:102 lid 1 BW. De verdachte zou hierdoor zijn regresrecht niet kunnen uitoefenen. Volgens de steller van het middel brengt redelijke wetstoepassing en in het bijzonder art. 6:166 lid 2 BW mee dat het hof slechts een partiële schadevergoeding had moeten toekennen, nu uit dit artikel blijkt dat de daders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen. De beslissing van het hof dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige schade zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk zijn.
5.6
Het oordeel van het hof dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden en dat om die reden de betalingsverplichting die voortvloeit uit de toegewezen vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden opgelegd en de schadevergoedingsmaatregel voor het totale schadebedrag kan worden opgelegd, geeft − mede gelet op de wet en het onder 5.4 vooropgestelde − geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daartoe is het volgende van belang. Volgens het hof heeft de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade geleden. Uit de bewezenverklaring onder 1 primair en 2 primair blijkt dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd. Hieruit volgt dat de geleden schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen die verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade waartoe zij op basis van art. 6:102 BW hoofdelijk verbonden zijn en waarvoor ingevolge art. 36f lid 2 Sr de schadevergoedingsmaatregel voor het totale schadebedrag aan de verdachte kan worden opgelegd. De omstandigheid dat medeverdachten wel of niet strafrechtelijk zijn vervolgd maakt dat niet anders nu de hoofdelijke aansprakelijkheid en de gevolgen daarvan voortvloeien uit de wet en de deelnemers dus, los van het strafproces, in civielrechtelijke zin aansprakelijk zijn voor de geleden schade.
5.7
Voor zover het middel klaagt dat redelijke wetstoepassing meebrengt dat slechts een partiële schadevergoeding aan de verdachte had moeten worden toegekend omdat art. 6:166 lid 2 BW bepaalt dat de deelnemers onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, gaat het eraan voorbij art. 6:166 lid 2 BW het onderlinge regres regelt tussen de groepsleden bij aansprakelijkheid in groepsverband zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW. Dit onderlinge regres houdt kort gezegd in dat een via 6:166 lid 1 BW hoofdelijk aangesproken verdachte in een civiele procedure kan eisen dat zijn mede schadeveroorzakers hun deel van de schade aan hem terug te betalen.
5.8
Het middel faalt.
6Afronding
6.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 15 mei 2024. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het hof legt het begrip in het bestreden arrest onder “Oordeel van het hof” als volgt uit: “een zogenoemde ‘bad standing’, dat houdt – kort gezegd – in dat een lid uit de motorclub wordt gezet, daarvoor dient te betalen en zijn spullen, waaronder de eigendommen van de club, zijn ‘colors’ (clubemblemen) en zijn motor moet inleveren.”
Zie bijv. J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer, p. 218. Volgens de auteurs blijft – ondanks een ogenschijnlijke hoofdlijn van één wederrechtelijkheidsbegrip − een zekere variatie per bijzonder delict zichtbaar en onvermijdelijk, p. 217. Zie ook K. Lindenberg en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 103-104, waarbij de auteurs opmerken dat niet zeker is dat de ruime uitleg van de Hoge Raad voor alle delicten geldt. En zie ten slotte C. Kelk en F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 157.
Ter illustratie noemen Kelk en De Jong − naast het Dreigbrief-arrest − HR 29 april 1935, NJ 1936/50 (Medemblikse schoolhoofd) en HR 21 februari 1938, NJ 1938/929 (Hohner muziekinstrumenten); zie C. Kelk en F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 157, met verwijzing naar T.J. Noyon/G.E. Langemeijer, Het Wetboek van Strafrecht, deel I, zesde druk, Arnhem: Gouda Quint 1954, p. 15 en J.M. van Bemmelen en W.F.C. van Hattum, Hand- en leerboek van het Nederlandse strafrecht, Arnhem: Gouda Quint 1953-1954, p. 226. Ook J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer, p. 219 verwijzen naar deze rechtspraak: “In gevallen zoals die van het Dreigbrief-arrest bestaat de wederrechtelijkheid in gedragingen (hier de bedreiging) die blijkens het strafrecht zelf relevant zijn en dus niet louter op een schending van een niet-strafrechtelijke rechtsregel. Datzelfde geldt voor de oudere rechtspraak in het Medemblikse schoolhoofd, over het verkrijgen van achterstallig salaris door een ‘listige en bedriegelijke wijze’ van handelen en in Hohner muziekinstrumenten, waarin het gaat om een ‘listig’ handelen door aanneming van een ‘valse hoedanigheid’ […].”
Zie bijv. HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0267, NJ 2012/677, r.o. 2.3.
Of “om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren”.
Zie bijv. HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0325, NJ 1996/304.
Onder 1 primair is “tezamen en in vereniging met anderen” bewezenverklaard en onder 2 primair “tezamen en in vereniging met een ander of anderen”.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.6.2 onder A.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01926
Zitting 1 september 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte
1Inleiding
1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden bij arrest van 8 mei 2024 (parketnr. 21-000249-23) veroordeeld wegens onder 1 primair “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en onder 2 primair “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”. Het hof heeft daarvoor een taakstraf opgelegd voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis. Verder heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van € 9.393,33 – bestaande uit € 8.393,33 materiële schade en € 1.000,- immateriële schade – en voor dat bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd waarbij de duur van de gijzeling is bepaald op ten hoogste 81 dagen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat in Leeuwarden, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01879. In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep op 7 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard.
2Waar het in cassatie om gaat
2.1
De verdachte is in hoger beroep veroordeeld wegens het in vereniging plegen van diefstal met geweld en bedreiging met geweld en het in vereniging plegen van afpersing. De feiten hebben zich afgespeeld in de context van een “bad standing” van de aangever, de toenmalige president van de [A] , een supportclub van [B] . In cassatie wordt − kort gezegd − geklaagd dat bij bewezenverklaarde feiten geen sprake was van wederrechtelijk handelen maar van interne rechtspleging en sanctieoplegging van de motorclub (eerste en derde middel). Daarnaast is het cassatieberoep gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op de “bad standing” en de diefstal (tweede middel). Ten slotte verzet de cassatie zich tegen de hoofdelijke betalingsverplichting die aan de verdachte is opgelegd ter vergoeding van de door de aangever geleden schade (vierde middel).
2.2
Deze conclusie houdt in dat de middelen falen.
3Het eerste middel en het derde middel
3.1
Het eerste middel is gericht tegen de bewezenverklaring onder 1 primair en 2 primair op de grond dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat geen sprake was van het “oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening” respectievelijk het “oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen” maar van interne rechtspleging en sanctieoplegging. Het derde middel is enkel gericht tegen de bewezenverklaring onder 2 primair, maar verzet zich eveneens tegen de bewezenverklaring van het “oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen” omdat sprake was van interne rechtspleging. De middelen lenen zich om die reden voor een gezamenlijke bespreking.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij op 30 augustus 2014 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hesje en motor- en autopapieren en een paspoort op naam van [betrokkene 1] en een ABN-AMRO bankpas en een creditcard op naam van [betrokkene 1] , in elk geval enig goed, toebehorende aan [betrokkene 1] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [betrokkene 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten, die [betrokkene 1] , die destijds president was van de [B] -supportgroep de [A] ,
- naar het clubhuis van [B] te [plaats] heeft ontboden en vervolgens daarbinnen heeft tegengehouden of belet dat clubhuis in vrijheid te verlaten, en
- in een ruimte in dat clubhuis, tussen andere medeverdachten die samen voor die [betrokkene 1] een overmacht vormden, heeft laten plaatsnemen en verwijten heeft gemaakt, en
- onverhoeds bij de kleding heeft vastgepakt en beetgehouden, en
- heeft toegeschreeuwd, en daarbij ook dreigend met een glas heeft gegooid, en
- dreigend gevraagd of verdachte die [betrokkene 1] een pak slaag moest geven, en
- aan dat hesje van die [betrokkene 1] heeft gerukt en aldus zijn hesje heeft uitgetrokken en afgepakt, en
- gezegd dat die [betrokkene 1] zijn motor moest inleveren en 5000 euro diende te betalen, en aldus die [betrokkene 1] een zogenaamde ‘bad standing’ heeft gegeven, en aldus
- door de agressieve of intimiderende houding en wijze van optreden van verdachte en zijn medeverdachten jegens die [betrokkene 1] bij die [betrokkene 1] de vrees opgewekt dat verdachte en/of zijn medeverdachten ernstiger geweld zouden gaan toepassen of door anderen zou laten toepassen indien die [betrokkene 1] niet aan de eisen van verdachte en zijn medeverdachten zou voldoen, en voor die [betrokkene 1] een bedreigende situatie heeft geschapen;
2. primair
hij in de periode van 30 augustus 2014 tot en met 3 september 2014, te [plaats] en [plaats] en [plaats] en [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [betrokkene 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 1000 euro en een motorfiets, merk Harley Davidson, toebehorende aan die [betrokkene 1] , welk geweld en welke bedreiging met geweld onder meer hierin bestonden dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten, die [betrokkene 1] , die destijds president was van de [B] -supportgroep de [A] ,
- naar het clubhuis van [B] te [plaats] heeft ontboden en vervolgens daarbinnen heeft tegengehouden of belet dat clubhuis in vrijheid te verlaten, en
- in een ruimte in dat clubhuis, tussen andere medeverdachten die samen voor die [betrokkene 1] een overmacht vormden, heeft doen plaatsnemen en verwijten heeft gemaakt, en
- onverhoeds bij de kleding heeft vastgepakt en beetgehouden, en
- heeft toegeschreeuwd, en daarbij ook dreigend met een glas heeft gegooid, en
- dreigend gevraagd of verdachte die [betrokkene 1] een pak slaag moest geven, en
- aan het hesje van die [betrokkene 1] heeft gerukt, en aldus
- zijn hesje heeft uitgetrokken en afgepakt, en
- gezegd dat die [betrokkene 1] zijn motor moest inleveren en 5000 euro diende te betalen, en aldus die [betrokkene 1] een zogenaamde ‘bad standing’ heeft gegeven, en
- samen met die [betrokkene 1] in een of meer auto's naar de woning van die [betrokkene 1] is gegaan, en aldus door de intimiderende wijze van groepsoptreden jegens die [betrokkene 1] opnieuw die [betrokkene 1] heeft verhinderd om in vrijheid te gaan en staan waar deze wenste, en
- bij en in die woning van die [betrokkene 1] heeft verbleven teneinde te bewerkstelligen en zich ervan te verzekeren dat die [betrokkene 1] geld zou overmaken en zijn motor zou afgeven, en
- met die [betrokkene 1] vervolgens naar een pinautomaat is gereden en die [betrokkene 1] daar 1000 euro, heeft laten opnemen en afgeven, terwijl andere medeverdachten in de woning van die [betrokkene 1] bij de vrouw van [betrokkene 1] en hun kinderen dreigend achterbleven, en
- gezegd dat die [betrokkene 1] bij de garage waar zijn motorfiets ter reparatie stond moest aangeven dat de motorfiets door een ander zou worden opgehaald, en aldus
- door de agressieve of intimiderende houding en wijze van optreden van verdachte en zijn medeverdachten jegens die [betrokkene 1] bij die [betrokkene 1] de vrees heeft opgewekt dat verdachte en/of zijn medeverdachten ernstig geweld zouden toepassen of door anderen zou laten toepassen indien die [betrokkene 1] niet aan de eisen van verdachte en zijn medeverdachten zou voldoen, en voor die [betrokkene 1] een bedreigende situatie heeft geschapen.”
3.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De door verdachte ter terechtzitting van 1 december 2022 - zakelijk weergegeven - afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik was boos op [betrokkene 1] vanwege zijn gedrag. Ik heb eerst [betrokkene 2] gebeld om te vragen hoe hiermee om te gaan. Hij verwees mij naar [betrokkene 3] , president van chapter [plaats] . Ik heb gezegd: als er niks gebeurd, leg ik mijn lidmaatschap neer. Ik heb bij [B] verzocht om [betrokkene 1] van zijn functie te ontheffen, om hem af te zetten als president van de [A] .
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 september 2014, opgenomen op pagina 419 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland, zaak 3.05 “ [betrokkene 1] ” d.d. 28 mei 2018, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 1] :
Achternaam: [betrokkene 1]
Postcode plaats: [postcode] [plaats]
Tot 30 augustus 2014 was ik lid van een supportgroep, de [A] . Dit is een supportgroep van [B] in [plaats] . Ik was eerst president van de supportgroep en later penningmeester. Op 28 of 29 augustus 2014, werd ik verzocht om de komende zaterdag naar het clubhuis van [B] in [plaats] te komen. Als je wordt ontboden dan ben je verplicht te komen. Op zaterdag 30 augustus 2014, omstreeks 14.00 uur, was ik ter plaatse bij het clubhuis. Er was op dat moment een groep personen van een man of vijftien. Dit waren onder andere [betrokkene 4] , [verdachte] ( [verdachte] ), [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] . In het clubhuis zijn wij aan tafels gaan zitten. [betrokkene 6] nam het woord en vertelde dat hij boos was over een foto, welke van mij op facebook stond. Hierna gaf [betrokkene 6] [verdachte] het woord. Deze was met een hele boel dingen het niet eens en maakte tegen mij zijn ongenoegen daarover kenbaar. Op een gegeven moment pakte [betrokkene 3] mij bij mijn vest en vroeg of hij mij een pak slaag moest geven. Hij trok mijn vest uit. Hierin zaten het kentekenbewijs van mijn motor, paspoort en het kentekenbewijs van mijn auto. Tevens zei hij dat ik op “bad standing” de club moest verlaten en dat ik daarvoor 5000 euro aan hem zou moeten betalen. Hij zei ook dat ik mijn motor moest inleveren. Omdat ik mijn motor niet bij had, moest ik vertellen waar mijn motor was. Deze stond voor reparatie bij een vriend, genaamd [betrokkene 7] wonende te [plaats] . Ik moest min of meer onder bedreiging van drie leden in mijn auto stappen en hen naar mijn vriend in [plaats] rijden. Ze vertelden mij, dat als ik niet zou meewerken ze mij wel wisten te vinden. Ik heb meegewerkt, omdat ik bang was dat ze mij anders wat aan zouden doen. Ik voelde dat ik niet anders kon, omdat ze ook om mijn auto gingen staan en weten waar ik woon. Bij mijn vriend [betrokkene 7] aangekomen, bleek dat de motor nog niet klaar was. Hierop heb ik [betrokkene 3] gebeld en gevraagd of het goed was om eerst maar 1000 euro te betalen. Hij ging daar mee akkoord. Ik ben met bedoelde personen naar mijn woning gereden, omdat ik geld van mijn spaarrekening naar mijn betaalrekening over moest maken. Hierna ben ik met een van de personen naar de ABN bank in [plaats] gereden en heb daar 1000 euro gepind. Het geld heb ik afgegeven aan de persoon die bij mij in de auto zat. Volgens mij heet hij [betrokkene 8] . De andere twee personen, [verdachte] en ene [betrokkene 9] waren bij mijn woning achtergebleven. Vervolgens kreeg ik diverse SMS-berichten en telefoontjes van [betrokkene 3] en [betrokkene 6] . Ze wilden dat ik mijn vriend [betrokkene 7] in [plaats] moest bellen en hem vertellen, dat mijn motor bij hem zou worden opgehaald door een vriend. Ik heb aan dit verzoek voldaan, omdat ik mij toch wel bedreigd voelde. Ik was namelijk bang dat ze anders mijn gezin of mij wat aan zouden doen. Afgelopen woensdag 3 september 2014, kreeg ik een mailtje van de vrouw van [betrokkene 7] , genaamd [betrokkene 10] , dat ze mijn motor hadden opgehaald. Omdat ik mij min of meer bedreigd voelde had ik toestemming gegeven om mijn motor af te geven. Als ik niet was bedreigd, dan had ik mijn motor nooit afgegeven. Ondanks dat ik kentekenbewijs deel 3 nog in mijn bezit heb, heb ik begrepen dat de motor inmiddels op naam staat van [betrokkene 3] . De 1000 euro die ik heb betaald, heb ik tegen mijn wil betaald. Ik voelde mij bedreigd en daardoor heb ik het geld afgegeven. Ook de 5000 euro “Bad Standing” zou ik nooit uit vrije wil betalen. Ik weet gewoon, dat als je niet aan hun eisen voldoet, dat je dan trammelant krijgt.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 september 2014, opgenomen op pagina 424 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :
[betrokkene 3] zei dat ik met bad standing de club werd uitgezet. Ik hoorde [betrokkene 3] alleen maar schreeuwen en roepen. Ik besloot maar om mee te werken uit angst dat mij anders wat zou worden aangedaan. Ik had geen enkele keus en werd gegijzeld, mede door de andere aanwezige MC leden. Toen we met 4 personen naar mijn motor in [plaats] reden, is [betrokkene 4] ondertussen naar mijn woning gereden. Dit ging in opdracht van [verdachte] . Mijn gevoel zegt dat ze dit deden uit pure bedreiging en intimidatie naar mijn vrouw en kinderen toe.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier, inhoudende als de - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 1] op 1 oktober 2020:
U vraagt naar 30 augustus 2014 en zegt mij dat ik werd uitgenodigd om naar het clubhuis in [plaats] te komen. Ik werd gesommeerd, niet uitgenodigd. [betrokkene 6] belde ineens, hij zei dat ik naar [plaats] moest komen. Ik zei dat ik op het punt stond om naar [plaats] te gaan. Hij zei: “Je komt eerst naar [plaats] , daarna kijken jullie maar.” Ik ging naar binnen, heb een glas water gepakt en ben gaan zitten. Op een gegeven moment stond [betrokkene 3] op. Hij kwam bij me staan. Hij sloeg het glas water uit mijn hand en zei: “Moet ik je slaan?”. [betrokkene 3] trok mijn colours uit, dat ging op een heftige manier. Hij trok me bijna van mijn stoel af, ik kon me net overeind houden. Hij zei: “Je hebt mijn naam door het slijk gehaald, ik wil je nooit meer zien.”. Ik ben vervolgens naar buiten gegaan, ik hoorde hem nog wel tieren. U houdt me voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik werd gegijzeld. Ja, in mijn auto, door drie man. Ik moest en zou naar de garage, waar mijn motor ter reparatie stond. U vraagt hoe de personen bij mij in de auto kwamen. Ze zijn bij mij in de auto gestapt, [betrokkene 3] had ook gezegd dat ze met mij mee moesten. U vraagt of ze overmacht op mij hadden. Ja, wat wil je tegen vijftien man inbrengen? Dan wil je alleen maar zo spoedig mogelijk weg. U houdt me voor dat ik bij de politie heb verklaard dat ik min of meer onder bedreiging van drie leden in mijn auto moest stappen en vraagt mij wat ik daarmee bedoel. Als er achttien man in een hok zijn en je moet maken dat je wegkomt, waar zou die bedreiging dan uit bestaan? Die achttien man straalden die bedreiging uit. U vraagt wie er bij mij in de auto zaten. [betrokkene 8] , [verdachte] , die zat voorin, en een [nationaliteit] uit [plaats] . We reden naar een dorpje boven [plaats] . Daar stond mijn motor. We zijn daarna naar mijn huis gegaan. Ik had [betrokkene 3] geappt of ik eerst 1000 euro mocht betalen. De rest zou ik dan ergens gaan lenen, dit om mijn motor terug te krijgen. Ik had 1000 euro op de bank. [betrokkene 8] ging mee naar binnen. Vervolgens ben ik met [betrokkene 8] naar de bank gegaan om te pinnen. Ik heb het geld aan hem gegeven. De anderen zijn bij mijn woning, bij de auto van [betrokkene 4] , blijven wachten tot [betrokkene 8] en ik terug kwamen van het pinnen. [verdachte] belde me later op, hij zei dat hij mijn motor op zou halen. Dat was nadat we bij mij thuis zijn geweest.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 23 februari 2017, opgenomen op pagina 463 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 11] :
Van 30 augustus 2014 kan ik me nog herinneren dat [betrokkene 1] met 2 jongens binnen kwam lopen. [betrokkene 1] ging achter de computer zitten en een van de jongens ging achter hem staan. De andere jongen bleef in de deuropening staan. Het viel me op dat [betrokkene 1] erg stil was, timide. Normaal is hij uitbundig en dat was nu niet zo. Ik had daardoor het idee dat er wat aan de hand was. Ik vond het wel een foute sfeer.
6. Een ander schriftelijk bescheid, te weten opgenomen tapgesprekken, opgenomen op pagina 701 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:
Datum: 25-08-2014 te 11:04:03
[betrokkene 6] belt in bij [betrokkene 3]
: Ik heb hem 125 keer gewaarschuwd dat ie niets op facebook moest zetten en dat ie normaal moet doen. En niemand zet meer iets op facebook, alleen hij. (...) Dat ken niet meer. Ik ben er klaar mee.
[betrokkene 6] ; ja, nou klaar toch.
[betrokkene 3] : en al die jongens, zijn 13 of 14 Jongens die het eigenlijk ook niet meer zien zitten, juist ook door zijn eh hoe noem je dat nou, eh
[betrokkene 6] ; gedrag
[betrokkene 3] : Het is een goede jongen, ze hebben een clubhuisje, het is een leuk groepje. Weetje, je hebt op zich, als die [betrokkene 1] gewoon doet wat ie moet doen, heb je er geen, echt geen omkijken naar. Ze hebben zaterdag een aanvaring gehad. Die sergeant en hij, die zegt dat als je nu niet normaal doet, dan lever ik mijn hesje in, toen zeiden er nog een aantal dan ga ik ook weg.
(...)
[betrokkene 3] : Dan ga jij zaterdag mee, ik ga mee, serge gaat mee en [betrokkene 8] neem ik mee
[betrokkene 6] : ok
[betrokkene 3] : Voor het geval dat ie moeilijk gaat doen, wel je wel.
[betrokkene 6] ja
[betrokkene 3] Dat ie dan gewoon eb dan overleg ik wel even met [betrokkene 2] wat ik hem kan geven. Het ken gewoon niet. Hij luistert niet, hij gaat overal tegendraads tegen in, en eh
[betrokkene 6] ja, ik heb ook al een paar keer tegen hem gezegd van die facebook dat ie dat moet weg gieten, en dat heeft ie ook nog niet gedaan.
[betrokkene 3] : Nee. Dus eh
Datum: 26-08-20 14 te 9:52:41
[betrokkene 6] belt in bij [betrokkene 3]
[betrokkene 6] de inkomsten en uitgaven van de reapers weet je wel dat er 1800 euro is gejat
[betrokkene 3] Maakt mij geen reet uit. Ik wil gewoon de inkomsten en uitgaven formuliertje van iedere maand.
Dan komt [betrokkene 12] aan de telefoon en die zegt dat ze bij de IKEA lopen en dat [betrokkene 3] erg agressief en gek in de kop is.
[betrokkene 3] Het voordeel is, die harley staat al bij de reapers he?
[betrokkene 6] Ja, die gaat straks naar de maker
[betrokkene 3] ; Naar de maker?
[betrokkene 6] Ja, dat ding is stuk of zo. want hij brengt hem zo naar de maker.
[betrokkene 3] Maar hij moet gewoon (die harley) dat ding inleveren met zijn auto en zijn papieren, dat is een klus voor de sergeant, daar hoef ik mijzelf niet druk over te maken.
[betrokkene 6] dat moeten jullie maar regelen
[betrokkene 3] Maar [betrokkene 1] ziet de bui ook al hangen ofiet?
[betrokkene 6] Nou, dat weet ik niet. Maar ik vraag me wel af wat daar allemaal speelt. Ik snap nog niet helemaal wat er gebeurd.
[betrokkene 3] Misschien dat ik het vandaag nog niet, dat ik even kijk en dat ik het dan zaterdag de knoop doorhak. Moeten we hoe zeker ik van de zaak ben.
[betrokkene 6] Ja, nou dan ga ik gewoon mee hoor. Dat is geen probleem.
Datum: 28-08-2014 te 13:58:47
[betrokkene 3] wordt gebeld door NN man. NN man zegt dat hij [betrokkene 5] aan de lijn heeft gehad en die was helemaal.... en die [verdachte] was helemaal wild over die [betrokkene 1] , want die had iemand anders beheerder gemaakt van de Facebook pagina. NN man zegt dat die jongens er helemaal klaar mee zijn. NN man zegt dat [verdachte] helemaal klaar is met die [betrokkene 1] en die brengt een hoop onrust.
Datum: 29-08-2014 te 13:57:46
[betrokkene 6] belt in bij [betrokkene 3]
[betrokkene 6] De serge [verdachte] had gebeld. En ik zat op facebook te kijken en daar zag ik dat [betrokkene 1] weer van alles en nog wat te koop zet op facebook. Dus ik zet op de app. Luister even voordat ik wild word, volgens mij hadden we afgesproken dat dat niet zou, Nee, nee en toen kreeg ik [verdachte] aan de telefoon. En die zei, ik wil je toch even wat in vertrouwen vertellen en dat wil ik dan dinsdag zelf vertellen en aangezien we dinsdag toch een vergadering hebben, hij zegt van eh hij is, [betrokkene 1] , die is bij ons geweest en eh die eh nou die had tegen iedereen gezegd dat ie er niet blij mee was hoe het ging en eh dat ie maar vond dat ze dan een clubhuis bij hem in de garage moesten doen. En dat met die 25 euro daar was die het ook niet mee eens. En dan wou die het liefst een dubbele boekhouding doen. [verdachte] wil dit graag zelf tegen [betrokkene 1] zeggen op de vergadering van dinsdag.
[betrokkene 6] Ik ben er wel klaar mee. wat moet je daar nou mee dan? eh ik wil eigenlijk wel gewoon van hem af.
[betrokkene 3] ; ja.
[betrokkene 6] Ik heb ook tegen eh tegen die serge gezegd: zeg moest es luisteren, het lijkt mij gewoon dat ie al zijn schulden weer inleverd en zijn colours weer inleverd en opflikkerd. Ja, want hij wou ook niet elke keer verantwoording afleggen over eb als ie wat op facebook wou zetten of eh weet ik veel wat allemaal en hij probeert het kader weer aan zijn kant te krijgen en eh weet je
[betrokkene 6] wat vind jij er nou van dan?
[betrokkene 3] Ja, ik ook, maar hij gaat er wel bad standing uit. Dit kan natuurlijk niet.
[betrokkene 6] Nee, vind ik ook.
[betrokkene 3] Duseh
[betrokkene 6] ik ben er helemaal klaar mee.
[betrokkene 3] Ik ben er dinsdag niet, dus dat is kut.
[betrokkene 6] Ja, dus hoe moeten we dat aanpakken dan.
[betrokkene 3] Ja, niet weer ofje moet voor het weekend nog even een vergadering dat we hem van het weekend uitkletsen.
[betrokkene 6] Ja, dan zouden we dat eh zaterdag even moeten doen ofzo.
[betrokkene 3] Dus dan wordt het morgenmiddag dan?
[betrokkene 6] Ja, precies, morgenmiddag.
[betrokkene 3] Nou, dat is goed, regel het maar.
[betrokkene 6] Oké
[betrokkene 3] [betrokkene 13] moet er ook bij?
[betrokkene 6] Ja, lijkt mij wel
[betrokkene 3] en eh [betrokkene 8] ook.
[betrokkene 6] ok. Wil jij dat bij hun op de whats app zetten dan? Dan ga ik hier [verdachte] bellen. Dat ie dat [verdachte] dat maar even moet organiseren.
[betrokkene 3] ja, dat is goed. Morgen om 2 uur doe maar
Datum: 30-08-20 14 te 14:54:23
[betrokkene 3] wordt gebeld door [verdachte] . Letterlijk:
[verdachte] [betrokkene 3] , hij vraagt of je een Bad Standing ook gewoon kan betalen?
[betrokkene 3] Ja, dat mag ook. Maar dan wel per direct.
[verdachte] Nou, dat kan niet. Dan moet hij maandag eerst naar de bank om een lening te regelen
[betrokkene 3] Nou, dat wordt hem niet.
[verdachte] Niet?
[betrokkene 3] Nee. Het is of NU of NIET.
[verdachte] Ok.
Datum: 30-08-2014 te 15:25:2 1
[betrokkene 3] wordt gebeld door [betrokkene 1] . Letterlijk:
[betrokkene 6] [betrokkene 3] , kan ik nu duizend euro over maken en maandag de rest?
[betrokkene 3] Eeehhh..........je kan nu eeehh........ duizend meegeven
[betrokkene 6] Eeehhh..... dat moet ik proberen bij de bank
[betrokkene 3] Ja is goed.
[betrokkene 6] Wil je het aan [verdachte] doorgeven dan?
[verdachte] :
[betrokkene 3] Hey [verdachte] , [betrokkene 3] . Hij komt duizend euro nu betalen
[verdachte] Ja
[betrokkene 3] Contant en dan maandag de rest.
[verdachte] Ja.
[betrokkene 3] En dan moetje even tegen [betrokkene 1] zeggen dat ik die motor al heb overgeschreven op mijn naam, dus die staat gewoon op mijn naam en... als onderpand. En als hij maandag die andere vier komt brengen, dan ga ik met hem naar de, naar de postkantoor en dan schrijven we hem weer terug.
[verdachte] Dat is goed.
[betrokkene 3] Alles van wat hij thuis heeft van de [A] moet mee.
[verdachte] Ja, is goed en dan is het gewoon akkoord?
[betrokkene 3] Ok, is goed.
[verdachte] Jo.
Datum: 30-08-2014 te 20:29:21
[betrokkene 3] wordt gebeld door [betrokkene 6] .
[betrokkene 6] ... heb ik gewhatsappt en die belde mij net en die heeft tegen [betrokkene 1] gezegd van die motor, dat ding moet er in en dan wordt je motor opgehaald. Ja, zegt hij, ik ga maandag naar de bank. Nou zegt [verdachte] , je moet eens goed luisteren, je moet zorgen dat die startmotor er in komt en dan die vent bellen en dat die motor door [betrokkene 8] en door mij en nog iemand wordt opgehaald en dan komt hij op het clubhuis en dan betaal je het vrijdag maar en als je de motor niet terug krijgt dan heb je pech. Och och och, nou nou en eeh die motor wordt niet opgehaald. Nou, zegt hij daar moet je wel op rekenen dat die motor wordt opgehaald en ik zeg het ook niet weer, zegt hij. Ja, ik heb een goeie Serge.
[betrokkene 3] Ja, heel goed. Dinges weet war het is. Hoe heet hij? [betrokkene 8] . Die zegt dan rijden we maandag daar gewoon heen en dan halen we hem maandag nog niet in elkaar gezet op. En dan zetten we hem hier.
[betrokkene 6] Ja, dat kan ook. Het staat op jouw naam ja?
[betrokkene 3] Ja, dan moeten we hier iemand zoeken die hem in elkaar zet, ja.
[betrokkene 6] Ja,nou dat kan ook wel, Ja. Maar dan vragen we de kameraad van die Sec.even.
[betrokkene 3] Ja, precies, die kan hem gewoon in elkaar zetten, ja.
[betrokkene 6] Ja, zo lastig kan het toch ook niet zijn ofwel?
[betrokkene 3] Dus maandag halen we die motor.... En ik denk dat […] zegt, dat die motor ook niet meer terug komt. Hij kan gewoon die vier rooien betalen en dan is het klaar.
[betrokkene 6] Nou klaar, ja. Want hij zat nou in de telefoon al weer lekker stoer te doen, dus eehh...
[betrokkene 3] Ja?
[betrokkene 6] Ja, [verdachte] die was er al wel flink klaar mee.
[betrokkene 3] Stoer doen?
[betrokkene 6] Ja, ach die motor wordt niet opgehaald, Ja zegt [verdachte] die motor wordt wel opgehaald en ik zeg het ook niet weer, het is duidelijk geweest, je hebt mazzel dat je er vanmiddag zo mee bent weggekomen. Ik zeg tegen [verdachte] . Ik zeg schrok je ook vanmiddag? Nou nou ik schrok niet snel, ik zeg en [betrokkene 3] met die glazen aan het gooien, ik zeg godverdomme ik had het glas in het haar zitten. Ik zeg en heb er nog wel hartelijk om gelachen. (Gelach) Ik kan er nog steeds om lachen. En dan draai je ook nog om en dan begin je gewoon te lachen, he? Ja mooi. Want ik zag dat wel. Je zat ...je had je bril al afgedaan.
[betrokkene 3] Ja.
[betrokkene 6] Ik denk, die gaat los. (Gelach) Ja mooi. Boefje ben je.
Datum: 02-09-2014 te 11:46:05
[betrokkene 3] belt met [betrokkene 1] . Letterlijk:
[betrokkene 6] Dat ik uit de club gekeild wordt jongen, dat vind ik zo vreselijk. Het is nu zo neergelegd alsof ik alles verkeerd heb gedaan en de boel probeerde te belazeren terwijl het helemaal niet zo is, het laten controleren joh, ik weet wat ik doe. Maar goed, het is goed. Hoe houden we nou contact?
[betrokkene 3] Ik bel jou volgende week of zo. ik bedoel, ik zorg er zelf wel voor dat die motor woensdag bij mij komt te staan. Bij de club. Ik heb ook nog jouw paspoort en die gegevens
[betrokkene 6] ja
[betrokkene 3] Zo gauw we de motor hebben krijg jij die papieren terug en dan is dat in ieder geval klaar en bel ik je daar verder nog over, ja?
[betrokkene 6] Ja, heel graag.
[betrokkene 3] Ja, oké. Maar je moet even tegen die man zeggen of die man bellen waar die motor staat, dat die woensdag opgehaald wordt, dat die wel woensdag klaar moet zijn, dat ding.
[betrokkene 6] Eeehh... ik zal hem vanavond even bellen
[betrokkene 3] Ja, is goed. Regel het maar even, dan halen wij... Dan zorg ik dat ik de motor bij mij heb, dan krijg jij die paspoorten en zo terug
[betrokkene 3] We gaan het zo doen
Datum: 03-09-20 14 te 19:23 :42
[betrokkene 3] belt uit naar [verdachte]
[betrokkene 3] vraagt of [verdachte] naar hem toe komt met de motor.
[verdachte] Nou, [betrokkene 1] , die werkt niet mee
[betrokkene 3] Hoezo [betrokkene 1] werkt niet mee? Waar is die motor dan?
[verdachte] Dat wil hij niet zeggen. Ik was samen met [betrokkene 5] er heen gegaan ja, om hem op te halen. Maar ik weet niet of dat ie in [plaats] staat of bij hem thuis of ergens anders want die motor is wel klaar. Dus ik bel hem op, ik zeg [betrokkene 1] ik zeg eeh, waar staat die motor? Waar kan ik hem weghalen? Nee, het is niet eerlijk en [verdachte] werk daar niet aan mee, dat is diefstal, ja je handen wel aan branden, ik zeg dat maakt me allemaal niet uit me jonge, ik zeg, ik haal die motor op.
Datum: 03-09-20 14 te 20:21:30
[betrokkene 3] belt naar een nn man
[betrokkene 3] geeft de man opdracht dat hij naar die man in [plaats] moet gaan en de motor van [betrokkene 3] moet halen. De man weet waar de man woont in [plaats] .
Datum: 03-09-2014 te 21:46:10 [betrokkene 3] belt uit naar NNman.
De man zegt dat ze hem hebben, hij stond bij die kerel thuis, sleutel erin, hij is gemaakt en rijdt gewoon. [betrokkene 3] zegt dat ze hem moeten inladen en naar het clubhuis moeten brengen.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen verklaring [betrokkene 14] en [betrokkene 15] d.d. 3 november 2017, opgenomen op pagina 470 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als - zakelijk weergegeven - relatering van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] : Naar aanleiding van de aangifte en aanvullende verklaringen van [betrokkene 1] , hebben wij een onderzoek ingesteld naar het door hem genoemde bedrijf in [plaats] waar zijn Harley Davidson ontvreemd is. Op 02 november 2017 hebben wij een bezoek gebracht aan de [betrokkene 14] en [betrokkene 15] . Over het incident met de Harley Davidson van [betrokkene 1] konden zij zich nog het volgende herinneren: Toen de motor bij ons stond ter reparatie, kregen wij via Facebook messenger het volgende bericht: nou morgen wil een vriend van mij m ophalen. Er kwamen de volgende avond, 3 september 2014, inderdaad twee mannen de motor ophalen.
8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 januari 2018, opgenomen op pagina 516 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van medeverdachte [betrokkene 3] :
Ik ben nog steeds lid van [B] . Sinds 2014 ben ik president van de [B] , chapter [plaats] . Later, in 2016 ben ik vice president geworden. [betrokkene 1] was lid van de [A] . [betrokkene 1] was eerst president en later penningmeester/treasurer van deze club. [betrokkene 1] was ontboden omdat [verdachte] mij had gebeld en vertelde dat het kasgeld niet klopte van de [A] . Ik vertelde [betrokkene 1] dat hij volgens de jongens niet meer lid kon zijn van de [A] . Ik zei ga maar staan en ik heb hem aan zijn jasje omhoog getrokken om zijn vestje met colors uit te doen. Ik heb bedacht dat [betrokkene 1] een Bad Standing moest krijgen en zijn motor moest in leveren. Ik heb dit in overleg besloten met de overige leden van de [A] . Ik heb het besluit genomen dat [betrokkene 1] de Bad Standing moest krijgen. De [A] viel onder mijn chapter dus ik moest die beslissing nemen. Ik heb [betrokkene 1] ook € 5.000,- boete op gelegd voor de bad Standing die ik hem heb gegeven. Om zijn motor op te halen zijn [betrokkene 16] en [betrokkene 8] en [verdachte] met [betrokkene 1] naar zijn huis gereden. Volgens mij heeft [betrokkene 8] de motor naar het clubhuis gereden. Het klopt dat ik de motor van [betrokkene 1] heb overgeschreven op mijn naam. Het betrof volgens mij een Harley Davidson FDX.
9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 januari 2018, opgenomen op pagina 525 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van medeverdachte [betrokkene 3] : Het klopt dat ik een glas heb weggegooid. Omdat ik niet kan slaan of iets dergelijks, wilde ik door het glas weg te gooien iets weergeven.
10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 1 januari 2018, opgenomen op pagina 569 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als - zakelijk weergegeven - verklaring van medeverdachte [verdachte] :
Het klopt dat ik lid ben geweest van de [A] . Dit was in 2013 of 2014. Ik was eerst gewoon lid. Ik ben toen een maand of vier a vijf sergeant at arms geweest. [betrokkene 3] was de pres van de [B] , chapter [plaats] . Er deden zich problemen voor met [betrokkene 1] . Toen heb ik [betrokkene 6] gebeld. Ik moest er voor zorgen dat het kader van de [A] naar het clubhuis van [B] in [plaats] kwam. Ik heb iedereen gebeld van de [A] dat ze die zaterdag naar [plaats] moesten komen. Iedereen is toen ook geweest. Er zou een degradatie van [betrokkene 1] zijn. [betrokkene 3] heeft [betrokkene 1] toen een Bad Standing gegeven en gezegd dat hij zijn colours in moest leveren. Er was veel verbaal geweld. Iedereen had zijn colours aan tijdens de bijeenkomst in [plaats] in verband met de Bad Standing van [betrokkene 1] . Dit hoort ook zo binnen de club. Het klopt dat [betrokkene 1] is aangesproken. Dat waren [betrokkene 3] en [betrokkene 6] . Ik heb [betrokkene 1] ook aangesproken over de dubbele boekhouding. [betrokkene 1] ontkende dat hij mij gesproken over de dubbele boekhouding. Toen werd ik boos en zei tegen [betrokkene 1] als je een man bent ga je recht staan en zegje mij dat ik een leugenaar ben. [betrokkene 13] kwam er toen tussen. Het klopt dat hij een boete van € 5.000,- heeft gekregen. We zijn met vier man bij [betrokkene 1] thuis geweest. Het klopt dat ik bij hem in de auto ben gestapt. De anderen die bij hem in de auto stapten waren van [B] . Het klopt dat ik bij [betrokkene 1] binnen ben geweest. Ik ben in opdracht van [betrokkene 3] naar de woning van [betrokkene 1] gegaan. [betrokkene 3] had de opdracht gegeven om de motor van [betrokkene 1] op te halen. Daar waren wij dus voor bij [betrokkene 1] . Ik weet dat 1 van de leden van [B] met [betrokkene 1] naar een pinautomaat is gereden. Toen ze naar de pin reden zijn ik en [betrokkene 4] achtergebleven bij de woning van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft € 1000,- gepind en afgegeven aan 1 van die jongens van [B] . Het klopt dat [betrokkene 1] zijn motor in moest leveren. Ik wil opmerken dat [betrokkene 1] bij mensen van [B] alles goed vond. Hij was bang voor [B] .
11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 februari 2018, opgenomen op pagina 581 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van medeverdachte [betrokkene 8] :
Ik ben ongeveer een halfjaar lid geweest van [B] , chapter [plaats] . Het klopt dat [betrokkene 1] zijn motor in moest leveren. Ik moest dat ding van [betrokkene 3] ophalen. Ik ben samen met [betrokkene 16] daar naartoe geweest. Ik heb de motor binnen een week na de Bad Standing opgehaald. Ik heb hem naar het clubhuis moeten brengen en daar heeft [betrokkene 3] , de president van chapter [plaats] , hem in ontvangst genomen.
12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 9 maart 2018, opgenomen op pagina 621 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 5] : Ik was lid van de [A] . We werden uitgenodigd door [B] in [plaats] op 30 augustus 2014. We moesten allemaal komen. [betrokkene 1] ook. Ineens werd [betrokkene 3] heel boos. Ineens stond hij op en gooide zijn glas drinken over tafel. Hij trok [betrokkene 1] zijn jasje uit en hij gooide [betrokkene 1] naar buiten. Hij ging als een gek tekeer. Van sergeant [verdachte] kreeg ik een paspoort op naam van [betrokkene 1] en bankpassen op die naam. Die moest ik bij me houden. Dit was een opdracht.
13. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor, opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris en de griffier, inhoudende de - zakelijk weergegeven - verklaring van [betrokkene 4] op 18 november 2020:
Ik ben in 2014 lid geweest van motorclub de [A] . Op 30 augustus 2014 werden we door [B] gesommeerd om naar [plaats] te komen. Er was een man of 10 aanwezig in het clubhuis. We gingen zitten, [betrokkene 1] ook. [betrokkene 3] , de president van [B] , zat links van mij. Rechts van mij zat [betrokkene 6] . In het midden zat [betrokkene 1] , voor [betrokkene 3] . [verdachte] zat tegenover [betrokkene 1] . Verder waren er nog drie leden van de security van [B] bij, zij stonden. [betrokkene 3] begon over de foto op facebook en over dubbele boekhouding. Het werd best wel grimmig. Dit kwam van de kant van [B] . Ik was beduusd, ik voelde mij niet prettig, ik voelde me wat geïntimideerd. Op een gegeven moment ging [betrokkene 3] zijn stem verheffen en stond hij op. [betrokkene 1] moest ook opstaan. Hij moest zijn hesje uittrekken. [betrokkene 3] zei dat hij een boete kreeg en dat hij zijn motor moest inleveren. Ik ben naar [betrokkene 1] zijn huis gegaan en heb buiten staan wachten. Op een gegeven moment kwam [betrokkene 1] terug, hij werd weer bij zijn huis afgezet. Volgens mij was het [verdachte] die toen met [betrokkene 1] de woning van [betrokkene 1] is binnen gegaan. U vraagt of er nog meer mensen de woning van [betrokkene 1] binnen gingen. Volgens mij ook mensen van [B] .
14. De door verdachte ter terechtzitting van 24 april 2024 - zakelijk weergegeven - afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik niet heb geweigerd om mee te werken aan instructies van [betrokkene 3] . Je wilt jezelf niet in de problemen werken. Bij het kader van [B] dulden ze geen tegenspraak, dat hoort volgens de hiërarchie binnen [B] ook niet.
(...)
Op 30 augustus 2014 wist ik wat een bad standing was.”
3.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 april 2024 blijkt dat de verdachte over de tenlastegelegde feiten als volgt heeft verklaard:
“Het is begonnen toen ik erachter kwam dat de president van de [A] er ten nadele van leden een dubbele boekhouding op nahield. Ik heb dat aangekaart bij de vicepresident van de [A] , dat was [betrokkene 4] . Hij wist ook niet goed wat hij daarmee moest en heeft mij toen geadviseerd om de captain van [B] , [betrokkene 2] , te vragen en dat heb ik gedaan. De captain van [B] gaf mij de opdracht om het neer te leggen bij het chapter in [plaats] , waar wij als [A] onder vielen. [betrokkene 3] heeft toen gezegd dat de [A] bij elkaar moesten komen, met daarbij twee leden van [B] . Ik heb toen die bijeenkomst belegd om het te hebben over die dubbele boekhouding, maar niet voor een bad standing. Tijdens die vergadering liep het uit op een bad standing en achteraf bleek dat [betrokkene 3] belang had bij de motor van [betrokkene 1] . Het klopt dat ik het kader van de [A] bijeen heb geroepen voor de vergadering op 30 augustus 2014 in [plaats] . Ik weet niet waarom de vergadering in het clubhuis in [plaats] moest plaatsvinden. Wij vielen onder het chapter van [plaats] en waren verplicht om één keer per week in het clubhuis in [plaats] te komen. Verder vonden alle gebeurtenissen van enige betekenis altijd in [plaats] plaats. Het klopt dat ik sergeant was bij de [A] , ik was verantwoordelijk voor de veiligheid van de leden.
Tijdens de vergadering op 30 augustus 2014 in [plaats] werd [betrokkene 1] door [betrokkene 3] geconfronteerd met de dubbele boekhouding. [betrokkene 1] ontkende dat in eerste instantie en toen heb ik het woord genomen. Ik heb gezegd dat ik niet anders kon dan het melden, omdat [betrokkene 1] het zelf niet heeft rechtgezet. Tegen het einde van de vergadering werd mij duidelijk dat het om een bad standing ging. [betrokkene 1] kreeg niet echt de ruimte om iets in te brengen en kort daarna veranderde de houding van [betrokkene 3] . Het ging snel de kant op van een bad standing. Ik wist niet wat een bad standing was, ik had mij daarvoor nooit met motorclubs beziggehouden. [betrokkene 1] is bij mij gekomen, omdat ik ruimte had voor een clubhuis en dat gaf mij de mogelijkheid om huurinkomsten te krijgen. Ik heb daarmee ingestemd en [betrokkene 1] heeft mij toen gevraagd om lid te worden van de [A] . Het was voor mij een mooie tijd, het was altijd gezellig en er was binnen de [A] geen sprake van agressie of van een hiërarchie.
[betrokkene 3] begon tijdens de vergadering op 30 augustus 2014 in [plaats] te schreeuwen dat [betrokkene 1] de club moest verlaten en dat hij zijn spullen in moest leveren. Het is verkeerd wat [betrokkene 1] heeft gedaan, maar dat was geen reden om hem een bad standing te geven. Er was weinig ruimte om iets te zeggen, want [betrokkene 3] liet dat niet toe. [betrokkene 3] werd alleen maar bozer en trok op een gegeven moment het jasje van [betrokkene 1] uit en zei dat hij het pand moest verlaten. Ik was het niet eens met die gang van zaken, maar [betrokkene 3] was president van [B] en wij waren daar ondergeschikt aan. Ik heb het nadien aangekaart bij het kader van [B] , maar zij verwezen mij terug naar het chapter in [plaats] . Ik was niet bang om iets te zeggen, maar eerder onzeker. Ik was op dat moment eigenlijk verbluft. Wij moesten naar de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 1] vroeg of ik mee wilde gaan. Nadien bleek dat [betrokkene 1] zich veiliger voelde als ik erbij was, terwijl ik in mijn eentje weinig verschil had gemaakt. Iedere keer als je iets wilde zeggen, werd je overschreeuwd door [betrokkene 3] en dan probeer je het ook niet meer. Wij kregen van [betrokkene 3] de opdracht om naar de woning van [betrokkene 1] te gaan om daar de motor op te halen. Het ging in eerste instantie om de motor, maar zijn motor was er niet en daarom moest [betrokkene 1] € 5.000,00 betalen als een soort borg. U, voorzitter, houdt mij een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en mij voor van 30 augustus 2014 om 14:54 uur. Dat gesprek was bij de woning van [betrokkene 1] , dat was omdat [betrokkene 1] mij zelf had gevraagd om te bemiddelen. [betrokkene 1] moest dat geld direct betalen en ik kreeg toen van [betrokkene 3] de opdracht om de € 100,00 die [betrokkene 1] bij zich had in te nemen en dat heb ik geweigerd. Ik heb het niet zo begrepen dat de motor het onderpand was, zolang door [betrokkene 1] niet volledig werd betaald. Ik heb wel begrepen dat het kentekenbewijs van [betrokkene 1] zijn motor vier dagen voor de vergadering al in [betrokkene 3] zijn bezit was, dat hoorde ik op het politiebureau. Het klopt dat ik van [betrokkene 3] de opdracht kreeg om bij [betrokkene 1] thuis alles van de [A] mee te nemen, dat ging om de boekhouding en colors. Het klopt dat ik van [betrokkene 3] instructies kreeg wat ik tegen [betrokkene 1] moest zeggen over de motor, maar dat wil niet zeggen dat ik het ermee eens ben. Het klopt dat ik niet heb geweigerd om mee te werken aan instructies van [betrokkene 3] . Je wilt jezelf niet in de problemen werken. Bij het kader van [B] dulden ze geen tegenspraak, dat hoort volgens de hiërarchie binnen [B] ook niet.
Hetgeen mij wordt verweten klopt niet. Net zoals dat er wordt beweerd dat ik in de woning van [betrokkene 1] ben geweest, maar ik was buiten de woning bij de auto. Ik was niet alleen bang voor de gevolgen voor mijzelf, maar ook voor [betrokkene 1] . Ik weet niet hoe de situatie voor [betrokkene 1] is geweest. Aan de ene kant leek hij bang, maar aan de andere kant was hij niet bang om dingen te proberen om er alsnog onderuit te komen. Als ik moet antwoorden met de wetenschap van nu, dan klopt het dat het erger had kunnen aflopen. Ik gaf op dat moment aan [betrokkene 3] door wat [betrokkene 1] mij vroeg, ik was eigenlijk een doorgeefluik. Het gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] liep via mij. Ik voelde mij, ook vanwege de veiligheid, op dat moment niet vrij om mijn mening te geven. Ik weet niet hoe mijn rol moet worden gezien. Ik was daar op verzoek van [betrokkene 1] , hij wilde liever niemand van [B] bij zijn huis hebben. Ik begrijp niet dat [betrokkene 1] nadien nog contact heeft gehad met leden en bij het oude clubhuis is geweest. Tijdens het verhoor bij de politie had ik niet de tijd om terug in mijn geheugen te duiken en op een gegeven moment heb ik daarom gezegd dat als zij het zo goed weten, dat ze het maar in moeten vullen. Ik heb bij de politie volgens mij verklaard dat [betrokkene 3] mij ook heeft gevraagd om mee te gaan. Het ging mij om [betrokkene 1] , dat hij vroeg of ik mee wilde gaan. Het zou best kunnen dat [betrokkene 3] die opdracht gaf, maar dat weet ik niet meer. Het is niet dat ik mijn rol kleiner wil maken, want als ik erop terugkijk ben ik zelf de oorzaak hiervan. Ik probeer niets af te zwakken. Het klopt dat er geen ruimte was voor tegenspraak, totdat ik de opdracht kreeg om het laatste geld dat [betrokkene 1] had van hem af te pakken. Dat was mijn grens. U, voorzitter, houdt mij een telefoongesprek met [betrokkene 3] op 3 september 2014 voor dat gaat over de motor van [betrokkene 1] , dat zou kunnen. Ik heb mij bewust afzijdig gehouden van de motor, want daar gingen verschillende verhalen over rond en ik wist niet wat [betrokkene 1] zelf wilde. De context van dat tapgesprek op 3 september 2014 kan ik mij niet herinneren en ook niet of daar leden van [B] bij aanwezig waren. Ik heb op verschillende momenten gezegd dat [betrokkene 1] er niet was, terwijl ik wist dat hij thuis was. Daar waar ik kon, heb ik tegengewerkt en heb ik verschillende keren voorkomen dat ze bij [betrokkene 1] aan de deur stonden. Ik was niet vrij en dat heb ik vanaf het begin gezegd, je bent niet vrij bij [B] . Als [betrokkene 1] het heeft ervaren alsof hij werd gedwongen, dan begrijp ik niet dat [betrokkene 1] nadien nog bij mij is gekomen en mij om hulp heeft gevraagd. Als ik zo door iemand zou zijn behandeld, dan wilde ik diegene nooit meer zien. Het enige dat ik mijzelf verwijt is dat ik een probleem heb aangekaart over die boekhouding, want daar is alles mee begonnen. Ik begrijp niet dat [betrokkene 1] zich bedreigd heeft gevoeld door mijn aanwezigheid, als hij mij zelf vraagt om mee te gaan. Als het alleen in opdracht van [betrokkene 3] was, dan was ik niet bij de woning van [betrokkene 1] geweest.
Zonder afbreuk te willen doen aan de ernst van alles wat er is gebeurd, wordt mij meer of anders toebedeeld dan waar mijn opzet op was gericht. Als er fysiek geweld gepleegd zou worden, dan had ik de kant van [betrokkene 1] gekozen. Dat heb ik nu niet gedaan, vanuit de gedachte “wie met vuur speelt, brand zijn vingers”. [betrokkene 1] wist wat hij heeft gedaan en dat hij daarmee andere leden benadeelde en heeft van mij meerdere kansen gekregen om dat recht te zetten, zonder dat anderen daarvan wisten. Ik vind dat [betrokkene 1] in die zin niet vrijuit gaat in wat hij over zichzelf heeft afgeroepen. Ik vind niet dat hij het verdiende en het is ook niet mijn opzet geweest om daaraan mee te werken. Het klopt dat ik mij tot op zekere hoogte heb laten meenemen. Voor dit incident waren [betrokkene 1] en ik vrienden. Ik weet niet waarom hij niet heeft verklaard dat hij mij heeft gevraagd om mee te gaan, misschien omdat ik melding heb gemaakt van zijn boekhouding. Het zijn allemaal uitspraken waar een bepaalde conclusie aan wordt verbonden en het is maar net hoe dat wordt geïnterpreteerd, dat wil niet zeggen dat dat mijn intentie is geweest.
De verklaring van [betrokkene 1] over de opdracht die ik aan [betrokkene 4] zou hebben gegeven, kan ik niet volgen. [betrokkene 4] reed in zijn eigen auto, maar is volgens mij continue bij ons gebleven. Voor zover ik mij kan herinneren zijn wij tegelijk vertrokken. De spullen waar [betrokkene 5] over heeft verklaard heb ik nooit in mijn handen gehad. Ik hoorde op het politiebureau pas van die spullen en ik wist niet beter dan dat [betrokkene 3] deze daarvoor al in zijn bezit had. [betrokkene 5] heeft dat misschien verklaard omdat hij de club moest verlaten. U, voorzitter, houdt mijn verklaring bij de politie voor dat wij in opdracht van [betrokkene 3] de motor van [betrokkene 1] op moesten halen, dat zou kunnen. Het enige dat ik uiteindelijk bij hem heb opgehaald zijn de colors en de boekhouding. Het is niet zo dat ik vond dat [betrokkene 1] een lesje moest krijgen. Naar de politie gaan was geen optie, dan zou ik heel [B] over mij heen krijgen. Het klopt dat ik [B] heb ingeschakeld en dat het mijn initiatief was. U, jongste raadsheer, vraagt mij of ik niet had moeten voorzien dat het uit de hand zou kunnen lopen. Wat ik toen wist, is niet wat ik nu allemaal weet. Ik vond dat je dit niet kunt tolereren en dat het onrecht moest ophouden. Het is uiteindelijk groter geworden dan ik zelf had kunnen bedenken en ik wist toen nog niet wat voor [B] was. Ik was op dat moment in de veronderstelling dat [betrokkene 3] als tussenpersoon zou optreden. Achteraf was dat misschien naïef, als ik alles van tevoren had geweten. Op 30 augustus 2014 wist ik wat een bad standing was.
Ik heb [betrokkene 1] in het verleden nog wel eens gesproken. Het beeld dat ik van [betrokkene 1] had, was dat hij stoer was vooral als ik de verhalen over zijn periode bij andere motorclubs hoorde dan was hij iemand waar ik tegenop keek. Ik zag [betrokkene 1] niet als een bang iemand en hij was de enige die aansluiting met [B] wilde. Ik heb [B] betrokken, omdat de vicepresident mij verwees naar de captain van [B] en vervolgens ben ik bij [betrokkene 3] terechtgekomen en is het een eigen leven gaan leiden. Het contact met [betrokkene 3] vind ik moeilijk om te beschrijven. Toen ik werd opgepakt door de politie, heb ik dat nooit begrepen. Ik heb uiteindelijk de club verlaten en heb nadien nog contact gehad met [betrokkene 1] . Ik heb nooit de indruk gehad dat hij mij iets verwijt.”
3.5
Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in:
“Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer naar voren gebracht dat verdachte aanwezig was, maar dat verdachte niet wist dat aangever een bad standing ging krijgen en daardoor geen opzet heeft gehad op de diefstal en de bad standing. Volgens de raadsvrouw bevat het dossier daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Verdachte heeft verklaard dat hij bij het tenlastegelegde aanwezig was, maar dat zijn rol door de rechtbank verkeerd is beoordeeld en dat hij niet als medepleger dan wel als medeplichtige kan worden aangewezen. Verdachte erkent dat hij het bestuur van [B] heeft ingeschakeld, waardoor uiteindelijk de bad standing heeft plaatsgevonden, maar ontkent dat hij dat vooraf wist en daar opzet op heeft gehad. Verder heeft verdachte verklaard dat hij - op verzoek van aangever - mee zou zijn gegaan naar de woning om spullen over te nemen en dat aangever zich daar veiliger bij zou voelen.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze in dit arrest zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
De feiten en omstandigheden
Het hof stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting - in het kort - de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 30 augustus 2014 wordt [betrokkene 1] (hierna: aangever) ontboden om te verschijnen in het clubhuis van [B] in [plaats] . Aangever was op dat moment de president van een aan [B] gelieerde support- en motorclub, genaamd de ‘ [A] ’. De aanleiding voor deze bijeenkomst was dat verdachte contact had gezocht met het bestuur van [B] [plaats] , vanwege het gedrag van aangever en de verdenking van het door deze erop nahouden van een dubbele boekhouding. Verdachte was op dat moment zelf ‘Sergeant at Arms’ bij de [A] en heeft voor de bijeenkomst op 30 augustus 2014 - in opdracht van [betrokkene 6] , een [B] lid - verschillende leden bijeen geroepen. Aangever verschijnt vervolgens in het clubhuis in [plaats] en krijgt daar een zogenoemde ‘bad standing’, dat houdt - kort gezegd - in dat een lid uit de motorclub wordt gezet, daarvoor dient te betalen en zijn spullen, waaronder de eigendommen van de club, zijn ‘colors’ (clubemblemen) en zijn motor, moet inleveren.
Tijdens de bad standing waren er meerdere leden in het clubhuis aanwezig en is er tegen aangever geschreeuwd, is er een glas uit zijn handen geslagen en is zijn hesje met colors met daarin zijn persoonlijke spullen hardhandig afgenomen. [betrokkene 3] - president van [B] in [plaats] - heeft aangever aan zijn hesje omhoog getrokken en heeft met kracht zijn hesje met colors uitgetrokken en afgepakt. Verdachte is daarna samen met twee anderen in opdracht van [betrokkene 3] met aangever in de auto gestapt om de motor van aangever, die op dat moment ter reparatie in [plaats] stond, op te halen. Omdat de motor nog niet gerepareerd was, diende aangever eerst een geldbedrag te betalen. Aangever moest daarvoor samen met de anderen naar zijn huis om via internet geld over te boeken en is toen samen met [betrokkene 8] - een [B] lid - naar de bank gereden om daar het geld te pinnen. In de tussentijd waren er steeds andere leden zichtbaar aanwezig in en rondom de woning van aangever, waar op dat moment ook zijn vrouw en kinderen waren. Daarnaast heeft aangever zijn motor - een Harley Davidson - af moeten staan, die uiteindelijk is overgeschreven op naam van [betrokkene 3] .
Diefstal met geweld en bedreiging met geweld
Nadat aangever in het clubhuis in [plaats] verschijnt, wordt aangever omringd door ongeveer tien tot vijftien leden van de [A] respectievelijk [B] . Aangever heeft verklaard dat hij, mede door de daar andere aanwezige clubleden, het gevoel had dat hij werd gegijzeld. In het clubhuis worden er vervolgens verwijten gemaakt gericht tegen aangever en wordt er een glas uit zijn hand geslagen. Er wordt door de president van [B] [plaats] tegen aangever geschreeuwd en er wordt dreigend gevraagd en toegeschreeuwd of hij aangever een pak slaag moet geven. Vervolgens wordt aangever bij zijn hesje gepakt en wordt zijn hesje met daarin zijn persoonlijke spullen met veel kracht uitgetrokken en afgenomen. Tijdens de bijeenkomst wordt medegedeeld dat hij - aangever - op ‘bad standing’ de club moet verlaten, dat hij daarvoor € 5.000,00 moet betalen en dat hij zijn motor in moet leveren. Aangever heeft op dat moment zijn motor niet bij zich en moet vertellen waar zijn motor op dat moment is.
Het hof stelt, op basis van het voorgaande, vast dat de diefstal is voorafgegaan en vergezeld van geweld en de bedreiging met geweld. Er is bedreigd met geweld door te schreeuwen en dreigend toe te schreeuwen of aangever een pak slaag moet krijgen en er is geweld toegepast door een glas uit de handen van aangever te slaan, door aangever hardhandig bij zijn hesje te pakken en deze met kracht uit te trekken in combinatie met het verbale geweld, waarbij er verwijten zijn gemaakt en tegen aangever is geschreeuwd. Bovendien ging er van de groep - vanwege het zichtbare groepsoptreden en de wijze van insluiting - waarin aangever zich bevond een duidelijk dreigende werking uit. Daardoor is er voor aangever in het clubhuis een bedreigende en intimiderende situatie ontstaan en is er bij aangever de vrees opgewekt dat er (ernstig) geweld zou worden toegepast, indien hij niet mee zou werken. Dat blijkt ook uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] , waarin hij over de situatie in het clubhuis heeft verklaard dat [betrokkene 3] “als een gek tekeer ging” en ook uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] waarin hij heeft verklaard dat de sfeer grimmig was en dat (ook) hij zich geïntimideerd voelde. Bovendien heeft verdachte zelf bij de politie verklaard dat aangever bang was voor [B] .
Opzet op het tenlastegelegde handelen
Volgens verdachte liep het pas tijdens de door hem georganiseerde bijeenkomst uit op een bad standing voor aangever en was vooraf niet bekend dat het zo zou gaan. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet wist van de bad standing en daarom geen opzet heeft gehad op de bad standing en de diefstal met geweld en dreiging met geweld. Volgens de raadsvrouw is het inschakelen van [B] , het organiseren van de vergadering en het daarbij aanwezig zijn onvoldoende om van opzet op het tenlastegelegde handelen te kunnen spreken.
Het hof acht bedoeld opzet wel aanwezig bij verdachte. Allereerst stelt het hof vast dat verdachte degene is geweest die de bijeenkomst in het clubhuis in [plaats] heeft georganiseerd. Verdachte heeft uit onvrede over aangever zijn gedrag uit eigen initiatief contact gezocht met de ‘captain’ van [B] [plaats] en heeft daar zijn ongenoegen over aangever geuit en verzocht om aangever uit zijn functie te ontheffen en hem af te zetten als president van de [A] . Verdachte heeft daarvoor ook (telefonisch) contact gehad met [betrokkene 6] , een bestuurslid van [B] . Uit een tapgesprek van 29 augustus 2014 tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 6] volgt dat [betrokkene 6] tegen ‘serge [verdachte] ’ (het hof begrijpt: verdachte) heeft gezegd dat aangever zijn schulden en colors moet inleveren en moet ‘opflikkeren’. In datzelfde gesprek wordt besproken dat aangever er met ‘bad standing’ uit zal gaan en dat daarvoor een vergadering op 30 augustus 2014 zal worden georganiseerd. Vervolgens wordt door [betrokkene 6] gezegd dat hij [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) gaat bellen en dat [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) dat maar even moet organiseren. Dat heeft verdachte vervolgens gedaan. Het hof merkt daarbij op dat op dat moment, de dag ervoor, al bekend was dat aangever met een ‘bad standing’ de club zou verlaten. Verdachte heeft daarvoor vervolgens verschillende leden opgeroepen, die op 30 augustus 2014 in [plaats] zijn verschenen. Vervolgens heeft aangever tijdens die door verdachte georganiseerde vergadering daadwerkelijk een bad standing gekregen.
Het hof overweegt dat verdachte zelf de bewuste keuze heeft gemaakt om [B] in te schakelen en daarmee redelijkerwijs kon voorzien dat [B] bij zijn conflict met aangever betrokken zou raken. Gelet op het feit dat binnen [B] - ook naar verdachte wist en door hem ter zitting bij het hof is bevestigd - een angstcultuur heerste en geweld en intimidatie niet werd geschuwd - was met het door hem inschakelen van [B] , vanwege het (vermeende) wangedrag van aangever, een bad standing of een vergelijkbaar andere harde sanctie jegens aangever voorzienbaar. Verdachte heeft immers zelf bij [B] het verzoek gedaan om aangever wegens malversaties met de boekhouding uit zijn functie te ontheffen en hem af te zetten als president. Verdachte heeft ook ter zitting bij het hof erkend als lid van de aan [B] gelieerde [A] en vanuit zijn functie als ‘Sergeant at Arms’ binnen die club bekend te zijn geweest met het bestaan van bad standings bij [B] en met wat zo’n bad standing zoal kan inhouden. Uit een eerdere verklaring van verdachte bij de politie volgt bovendien dat hij ook wist dat aangever bang was voor [B] .
Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij niets van de aankomende bad standing af wist en niet kon vermoeden dat het tijdens de bijeenkomst in [plaats] die kant uit zou gaan, gelet op het voorgaande, dan ook niet geloofwaardig. Het hof heeft geconstateerd dat verdachte eerder bij de politie heeft verklaard dat er een “degradatie” van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: aangever) zou zijn en dat iedereen zijn colors aan had tijdens de bijeenkomst in verband met de bad standing van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: aangever) en dat dat zo hoort binnen de club. Daarnaast heeft [betrokkene 3] tijdens zijn verhoor verklaard dat hij in overleg met de overige leden van de [A] (het hof begrijpt: de [A] ) tot de bad standing van aangever heeft besloten. Ook daaruit volgt dat er voorafgaand tussen verdachte en de andere betrokkenen is gesproken over de voorgenomen bad standing van aangever.
Ten slotte merkt het hof op dat ook nadat [betrokkene 3] het hesje van aangever met veel kracht uittrekt en verdachte de situatie (verder) ziet escaleren, verdachte (actief) blijft deelnemen en zich niet aan de situatie onttrekt of zich van de situatie distantieert. In het bijzonder volgt uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] dat verdachte tijdens de bad standing tegenover aangever zat en volgt uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] dat hij – [betrokkene 5] - tijdens de bad standing in het clubhuis van ‘sergeant [verdachte] ’ (het hof begrijpt: verdachte) een paspoort en bankpassen op naam van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: aangever) kreeg met de opdracht om deze bij zich te houden. Ten slotte merkt het hof op dat, hoewel verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij het niet eens was met de gang van zaken, uit het dossier ook niet blijkt dat verdachte zich tegen de bad standing heeft verzet.
Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat uit voorgaande feiten en omstandigheden het opzet van verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de bad standing en de diefstal is komen vast te staan.
Afpersing van het geldbedrag en de motor
Naast dat aangever zijn hesje met daarin zijn persoonlijke spullen moest afstaan, is tijdens de bad standing ook dwingend aan aangever medegedeeld dat deze een geldbedrag van € 5.000,00 moest betalen en zijn motor in moest leveren. Aangever is daarop vanaf het clubhuis samen met verdachte en twee [B] leden in zijn auto gestapt om zijn motor op te gaan halen. Aangever heeft daarover verklaard dat hij min of meer onder bedreiging van drie leden - waaronder verdachte - in zijn auto moest stappen en naar [plaats] moest rijden. Ondertussen is medeverdachte [betrokkene 4] - in opdracht van verdachte - naar de woning van aangever gereden. In de auto werd gedreigd dat als aangever niet mee zou werken, ze hem wel wisten te vinden.
De motor van aangever stond ter reparatie in [plaats] , maar omdat deze nog niet klaar was en daardoor niet kon worden meegenomen, werd afgesproken dat aangever daarvoor een geldbedrag van € 1.000,00 moest betalen. Aangever is daarvoor langs zijn woning in [plaats] gegaan om daar via internet geld van zijn spaarrekening over te boeken. De vrouw van aangever - getuige [betrokkene 11] - was op dat moment thuis en beschrijft dat haar opviel dat aangever in de woning, in de aanwezigheid van andere leden, stil en timide was en dat hij dat normaal niet is en dat zij het een foute sfeer vond. Zij verklaarde dat aangever achter de computer zat en er een jongen achter hem ging staan en dat de andere jongen in de deuropening bleef staan. Uit het dossier en voornoemde omstandigheden volgt dat aangever in redelijkheid geen keuze had en dat hij uit angst en onder druk de betreffende handelingen heeft verricht. Dit stemt overeen met de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hem bekend was dat [B] geen tegenspraak duldde. Aangever is vervolgens samen met [betrokkene 8] , een [B] lid, naar de ABN bank in [plaats] gereden om daar het geld op te nemen en dat geldbedrag van € 1.000,00 vervolgens af te geven, terwijl er in de tussentijd leden bij zijn woning aanwezig waren. Daarnaast is er contact geweest over de motor en heeft aangever de opdracht gekregen om aan de reparateur door te geven dat zijn motor door iemand anders zou worden opgehaaid, hetgeen aangever vervolgens heeft gedaan. Aangever heeft verklaard dat hij aan dit verzoek heeft voldaan, omdat hij zich bedreigd voelde en bang was dat ze hem of zijn gezin iets aan zouden doen. De motor van aangever blijkt vervolgens op 3 september 2014 door twee leden van [B] te zijn opgehaald en is overgeschreven op naam van [betrokkene 3] .
Het hof overweegt dat voorafgaand aan deze afpersing al een zeer bedreigende situatie heeft plaatsgevonden in het clubhuis, waarbij geweld is toegepast en met geweld is gedreigd. Dat in aanmerking genomen is voor aangever in de auto en daarna opnieuw een gerechtvaardigde vrees ontstaan dat er (ernstig) geweld zou worden toegepast indien hij niet zou doen wat hem werd opgedragen. Tijdens het vervolg van de bad standing waren er meerdere leden aanwezig in en rondom de woning van aangever. Dat is voor aangever zeer intimiderend en bedreigend geweest, ook omdat zijn vrouw en kinderen op dat moment thuis waren. Aangever is psychisch zwaar onder druk gezet en begaf zich in een situatie waaraan hij, mede vanwege het groepsoptreden, in redelijkheid geen tegenwicht kon bieden. Aangever kon onder die omstandigheden niet anders dan bevelen opvolgen en zijn spullen afgeven en werd daarom gedwongen tot afgifte van zijn geld en zijn motor. Bovendien was aangever zich erg bewust van de consequenties indien hij niet mee zou werken of niet zou voldoen aan hetgeen hem werd opgedragen.
Anders dan de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat verdachte ook betrokkenheid heeft gehad bij de afgifte van de motor. Weliswaar heeft verdachte de motor uiteindelijk niet fysiek opgehaald, maar hij heeft een actieve rol gespeeld in de afhandeling daarvan en zou aanvankelijk, zoals dat volgt uit een tapgesprek van 3 september 2014, samen met een ander de motor ophalen. De enkele omstandigheid dat zij toen niet wisten waar de motor was en deze daarom niet mee hebben kunnen nemen, maakt dat niet anders. Verdachte heeft na afloop van de bad standing contact met aangever en [betrokkene 3] onderhouden over de afhandeling van de motor. Bovendien is verdachte in eerste instantie bij aangever in de auto gestapt, samen met twee [B] leden, om de motor van aangever op te halen. Dat de motor uiteindelijk door twee andere leden is opgehaald, doet aan het voorgaande dan ook niets af.
Gelet op voorgaande overwegingen is het hof van oordeel dat aangever door geweld en bedreiging met geweld is gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van € 1.000,00 en van zijn motor.
Medeplegen
Vaststaat dat verdachte [B] heeft ingeschakeld, hetgeen aanleiding is geweest voor de uiteindelijke bad standing van aangever. Vervolgens is verdachte in het clubhuis in [plaats] aanwezig, heeft verdachte daar het woord gekregen, heeft hij aangever toegesproken en is hij boos op hem geworden. Vervolgens is er geschreeuwd, is er een glas uit de handen van aangever geslagen en is het hesje van aangever hardhandig uitgetrokken, waarna verdachte vervolgens over persoonlijke spullen van aangever beschikt, namelijk over een paspoort en bankpassen op naam van aangever. Uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] volgt dat verdachte deze spullen vervolgens aan hem heeft gegeven met de opdracht dat hij - [betrokkene 5] - deze moet bewaren.
Verdachtes betrokkenheid gaat vervolgens door op het moment dat verdachte - in opdracht van [betrokkene 3] - samen met anderen in de auto stapt bij aangever om de motor van aangever op te halen. Uit de verklaring van aangever volgt dat verdachte toen medeverdachte [betrokkene 4] de opdracht heeft gegeven om naar de woning van aangever te rijden. Dat sluit aan bij de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] , waarin hij verklaart dat hij naar de woning van aangever is gegaan en daar buiten heeft gewacht. Vervolgens is verdachte meegegaan naar de woning van aangever en heeft verdachte daar gewacht, totdat aangever met medeverdachte [betrokkene 8] terug kwam van de bank. In de tussentijd heeft verdachte steeds contact onderhouden met [betrokkene 3] over het verloop van de bad standing van aangever, zoals over het betalen van het geldbedrag, het ophalen van spullen van de [A] bij aangever thuis en de motor.
Uit de tapgesprekken volgt onder meer dat verdachte van [betrokkene 3] de opdracht krijgt om alle spullen van de [A] bij aangever thuis mee te nemen, waar verdachte vervolgens mee akkoord gaat. Bovendien krijgt verdachte de opdracht om informatie over het overschrijven van de motor door te geven aan aangever en informeert verdachte telefonisch bij [betrokkene 3] of aangever de bad standing ook kan betalen. Uit een gesprek op 30 augustus 2014, de dag van de bad standing, volgt ook dat aangever aan [betrokkene 3] vraagt of hij eerst een deel kan betalen, dat [betrokkene 3] daarmee akkoord gaat en dat aangever vervolgens vraagt of hij - [betrokkene 3] - dat aan verdachte wil doorgeven. Uit de tapgesprekken volgt dan dat [betrokkene 3] verdachte vervolgens belt om dat door te geven. Uit die tapgesprekken volgt ook dat verdachte na afloop van de bad standing betrokken blijft en een aantal dagen later, op 3 september 2014, nog contact heeft met [betrokkene 3] over de motor, waarbij verdachte aangeeft dat aangever niet meewerkt en dat hij - verdachte - samen met [betrokkene 5] de motor op wilde halen. Daaruit volgt ook dat verdachte na de bad standing nog contact heeft met aangever over het verdere verloop en het afgeven van zijn motor.
Uit het voorgaande leidt het hof, anders dan de verdediging, af dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan zowel de diefstal als de afpersing. Hoewel verdachte zijn eigen rol zelf kennelijk anders ziet, volgt uit de inhoud van het dossier dat verdachte constant heeft samengewerkt met andere leden van de motorclub, waarbij hij opdrachten heeft uitgevoerd en ook heeft gegeven. Zowel in de voorfase, door het inschakelen van [B] en de organisatie van de vergadering, als daarna en in de eindfase waarin de laatste zaken rondom de motor worden geregeld heeft verdachte zijn (actieve) bijdrage geleverd. Gelet op alle handelingen die verdachte, samen met anderen, heeft verricht en de opdrachten die hij heeft uitgevoerd is verdachtes rol omvangrijker geweest dan wat hij daar zelf over te berde brengt. Weliswaar was verdachte ondergeschikt aan [betrokkene 3] en heeft verdachte - vanuit die hiërarchische verhouding - opdrachten moeten uitvoeren, maar verdachte heeft ook zelf de leiding genomen en opdrachten aan anderen gegeven. Het hof stelt op basis daarvan vast dat er sprake is geweest van een, voor medeplegen vereiste, nauwe en bewuste samenwerking.
De lezing van verdachte dat hij op verzoek van aangever en voor diens veiligheid is meegegaan acht het hof gelet op voorgaande overwegingen niet aannemelijk geworden. Bovendien vindt dat op geen enkele wijze steun in het dossier en evenmin in de verklaringen van aangever. Van het begin tot het einde is verdachte aanwezig en nauw betrokken geweest en heeft hij, samen met anderen, een wezenlijke rol bij hetgeen ten laste is gelegd vervuld. Dat is al begonnen op het moment dat verdachte uit eigen initiatief [B] heeft ingeschakeld en iedereen bijeen heeft geroepen, maar ook tijdens het verdere verloop van de bad standing en daarna heeft verdachte - mede in zijn rol als ‘Sergeant at Arms’ - een belangrijk aandeel in de situatie gehad. Een aandeel dat verdachte op dat moment ook heeft aanvaard. Gelet op die mate van betrokkenheid, afstemming en samenwerking en het daaraan uitvoering geven, heeft verdachte naar het oordeel van het hof een substantiële bijdrage geleverd en daarmee een rol als medepleger vervuld.
Conclusie
Gelet op voorgaande overwegingen, acht het hof het onder 1 primair en onder 2 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Het verweer strekkende tot vrijspraak wordt derhalve verworpen.”
3.6
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- Art. 310 Sr:
“Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”
- Art. 312 lid 1 Sr:
“Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.”
- Art. 317 lid 1 Sr:
“Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van enig goed dat geheel of ten dele aan deze of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens, wordt, als schuldig aan afpersing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie.”
3.7
In de delictsomschrijvingen van art. 312 jo. 310 Sr en art. 317 Sr is de wederrechtelijkheid als bestanddeel opgenomen. Bij art. 312 Sr gaat het om het in art. 310 Sr uitgedrukte oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en bij art. 317 Sr om het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.
3.8
In HR 9 februari 1971, ECLI:NL:HR:1971:AB4227, NJ 1972/1 m.nt. Bronkhorst – het Dreigbrief-arrest – had de verdachte dreigbrieven verzonden waarin hij de ontvangers onder bedreiging van geweld onder druk zette om geldbedragen op zijn rekening over te maken. Door de verdediging was het verweer gevoerd dat de verdachte recht had op het geld en dat daarom geen sprake was van wederrechtelijke bevoordeling zoals bedoeld in art. 317 Sr. De Hoge Raad overwoog dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen had kunnen afleiden dat de verdachte had gehandeld met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen nu “hetgeen req. tot het behalen van die beoogde bevoordeling heeft verricht van zodanige aard is en op zodanige wijze is geschied, dat daaruit door het Hof kon worden afgeleid, dat req. moet hebben beseft, dat hij […] de grenzen van het maatschappelijk betamelijke daarmede verre overschreed”.
3.9
In de literatuur wordt uit dit arrest en ook uit andere jurisprudentie afgeleid dat de Hoge Raad min of meer uitgaat van een algemene, ruime invulling van het bestanddeel wederrechtelijk in de betekenis van “in strijd met het recht”. Volgens Kelk en De Jong, die in het bijzonder de wederrechtelijkheid als bestanddeel in de context van vermogensdelicten bespreken, wordt de ruime opvatting van wederrechtelijkheid als bestanddeel toegepast in gevallen waarin de daders van een vermogensdelict − ook indien zij (eventueel) over een eigen recht beschikken − gebruik maken “van een methode die op zichzelf onbehoorlijk is, zodat van de gehele gang van zaken rond het feitelijk gebeurde niet kan worden gezegd dat deze de toets van het recht en wel het recht ‘in de ruimste zin van het woord’ kan doorstaan”.
3.10
De steller van het middel voert in de toelichting op het eerste middel kort samengevat aan dat royement, het innen van clubsymbolen, het betalen van een boete en het in beslag nemen van de motor, motor- en autopapieren, creditcard en bankpas sancties zijn die passen bij het eigen recht van de motorclub, dat het lid zijn van de club het conformeren aan het interne recht inhoudt en dat het handelen conform de interne rechtspleging en sanctieoplegging “in beginsel” niet wederrechtelijk is. Het handhandige gedrag en intimidatie zouden volledig in de clubcultuur passen en kunnen als “ceremonieel” worden beschouwd. Het andersluidende oordeel van het hof zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk zijn. In de toelichting op het derde middel wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat de uitvoering “niet geheel zachtzinnig ging” niet tot het oordeel leidt dat sprake is van wederrechtelijk handelen in aanmerking genomen dat die wijze van uitvoering in lijn was met de tradities en gebruiken die golden binnen het verband van de motorclub. Het oordeel van het hof waarin volgens de steller van het middel deze specifieke context niet is meegewogen zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk zijn.
3.11
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat [A] meer een familie/gezelligheidsclub was en dat de feiten in de context van de gewelddadige cultuur van motorclubs zou worden geplaats niet terecht zou zijn. Over feit 1 heeft zij onder meer aangevoerd dat geen sprake was van een situatie waarbij aangever in het clubhuis is gehouden of gegijzeld, dat er geen handgemeen geweest, geweld is gebruikt of gedreigd met geweld, alleen dat [betrokkene 3] het vest van aangever heeft uitgetrokken. Over feit 2 heeft zij onder meer naar voren gebracht dat de rechtbank hier een sfeer om creëert die door de aangever zelf niet wordt gegeven, dat uit de feiten en omstandigheden volgt dat geen sprake was van een dreigende of intimiderende sfeer, onder meer blijkend uit de instemming die de aangever nog had, zijn verklaring dat hij blij was dat alles zo vreedzaam was gelopen en het gegeven dat de verdachte het nog opneemt voor de aangever en een regeling voor hem probeert te treffen.
3.12
Het hof stelt in het bestreden arrest onder “De feiten en omstandigheden” onder meer vast dat de verdachte als “Sergeant at Arms” van de [A] , een aan [B] gelieerde supportclub, klachten heeft ingediend bij [B] over de aangever en dat de aangever naar aanleiding daarvan een “bad standing” heeft gekregen. Daarmee wordt volgens het hof bedoeld dat “een lid uit de motorclub wordt gezet, daarvoor dient te betalen en zijn spullen, waaronder de eigendommen van de club, zijn ‘colors’ (clubemblemen) en zijn motor, moet inleveren.” Onder het tussenkopje “Diefstal met geweld en bedreiging met geweld” stelt het hof vast dat de diefstal in het clubhuis (van het hesje met daarin de persoonlijke spullen) is voorafgegaan en vergezeld met geweld en bedreigingen met geweld. Het hof noemt in dat verband onder meer het dreigen met geweld door te schreeuwen en dreigend toe te schreeuwen of aangever een pak slaag moet krijgen, de omstandigheid dat een glas uit de handen van aangever is geslagen, dat aangever handhandig bij zijn hesje is gepakt en dat deze met kracht is uitgetrokken, het verbale geweld, het groepsoptreden en de wijze van insluiting. Het hof overweegt dat er voor aangever in het clubhuis een bedreigende en intimiderende situatie ontstaan en de vrees opgewerkt dat er bij niet meewerken geweld zou volgen, zo blijkt volgens het hof ook uit de verklaring van medeverdachte [betrokkene 5] dat [betrokkene 3] “als een gek tekeer ging”, de verklaring van medeverdachte [betrokkene 4] dat de sfeer grimmig was en dat hij zich geïntimideerd voelde en de verklaring van verdachte zelf bij de politie dat hij bang was voor [B] . Onder het tussenkopje “Afpersing van het geldbedrag en de motor” stelt het hof onder meer vast dat nadat de aangever zijn hesje met daarin zijn persoonlijke spullen moest afstaan ook dwingend aan hem is medegedeeld dat hij € 5.000,- moest betalen en zijn motor moest inleveren, dat hij vanaf het clubhuis met verdachte en twee [B] leden in de auto is gestapt op zijn motor op te halen en daarover heeft verklaard dat hij min of meer onder bedreiging van drie leden waaronder verdachte in zijn auto moest stappen terwijl medeverdachte [betrokkene 4] in opdracht van de verdachte naar de woning van aangever is gereden en dat in de auto is gedreigd dat als hij niet zou meewerken, ze hem wel wisten te vinden. Het hof stelt dan vast dat de motor niet opgehaald kon worden omdat deze moest worden gerepareerd, dat de verdachte daar € 1000,- voor moest betalen en dat langs zijn huis is gegaan, waarover zijn vrouw onder meer heeft verklaard dat de aangever daarbij stil en timide was en dat zij het een foute sfeer vond, dat toen de aangever achter de computer zat er iemand achter hem ging staan en een andere persoon in de deuropening. Volgens het hof zou hieruit volgen dat aangever in redelijkheid geen keuze had en dat hij angst en onder druk de handelingen heeft verricht. In dat verband haalt het hof ook de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aan dat [B] geen tegenspraak duldde. Na het huisbezoek is aangever met iemand van [B] naar de bank gegaan om het geld te pinnen terwijl er leden bij zijn woning aanwezig waren, ook moest hij aan de reparateur doorgegeven dat de motor door iemand anders zou worden opgehaald waarbij de aangever heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan omdat hij zich bedreigd voelde en bang was dat ze hem of zijn gezin iets aan zouden doen. Het hof overweegt dan dat voorafgaand aan de afpersing een zeer bedreigende situatie heeft plaatsgevonden in het clubhuis waarbij geweld is toegepast en met geweld is gedreigd, dat voor de aangever in de auto en daarna opnieuw een gerechtvaardigde vrees ontstaan dat er (ernstig) geweld zou worden toegepast indien hij niet zou doen wat hem werd opgedragen, dat tijdens het vervolg van de “bad standing” meerdere leden aanwezig waren in en rondom de woning van aangever, dat dit zeer intimiderend en bedreigend is geweest omdat zij vrouw en kinderen op dat moment thuis waren. Het hof overweegt ten slotte dat aangever psychisch zwaar onder druk is gezet en zich in een situatie begaf waaraan hij – mede gezien het groepsoptreden en zijn bewustzijn van de consequenties indien hij niet mee zou werken − niet anders kon dan bevelen opvolgen en zijn spullen afgeven en daarom werd gedwongen tot afgifte van zijn geld en zijn motor.
3.13
Dat het hof tot het oordeel is gekomen dat bij de bewezenverklaarde feiten sprake is van wederrechtelijk handelen getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Ik kom tot deze beoordeling op grond van het volgende.
3.14
Over de diefstal met geweld en bedreiging met geweld heeft het hof vastgesteld en is in cassatie niet betwist dat de aangever is ontboden op de club, waar hij is omringd door een groep, waarbij tegen hem is geschreeuwd, is gedreigd hem een pak slaag te geven, een glas uit zijn hand is geslagen en zijn hesje met veel kracht is uitgetrokken. Het wegnemen van het hesje met daarin de persoonlijke spullen is op zodanige wijze geschied dat sprake is van een wederrechtelijke toe-eigening. Voor zover het eerste middel inhoudt dat de gedragingen vallen binnen de clubregels en dat om die reden het bewezenverklaarde handelen niet wederrechtelijk is faalt het. Pas in cassatie is aangevoerd dat de sancties passen binnen het eigen recht van de motorclub, dat leden zich hiernaar conformeren en dat het hardhandige gedrag en intimidatie passen binnen de clubcultuur. Reeds daarom kan deze klacht niet slagen. Niettemin merk ik op dat nog daargelaten of de verschillende sancties op zichzelf inderdaad conform de binnen de club geldende regels waren (een onderbouwing daarvoor ontbreekt), de wijze waarop de oplegging van de sancties en het afdwingen daarvan heeft plaatsgevonden, dermate verregaand in strijd is met de rechtsorde en als wederrechtelijk heeft te gelden, dat zelfs wanneer daarvoor toestemming zou zijn verleend door de aangever dit het handelen niet kan rechtvaardigen.
3.15
Hetzelfde geldt voor de afpersing van het geldbedrag en de motor. Zelfs al zou de afgifte van de motor en het geld in beginsel een rechtmatige grondslag hebben, namelijk het handhaven van clubregels, dan neemt dat niet weg dat de wijze waarop die afgifte heeft plaatsgevonden de grenzen van het maatschappelijk betamelijk in dusdanige mate heeft overschreden dat daarmee sprake is van het “oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling”. Anders dan de steller van het middel aanvoert is de in zijn woorden “niet geheel zachtzinnige” wijze waarop de uitvoering heeft plaatsgevonden mede gelet op het onder 3.9 vooropgestelde wel degelijk relevant voor de beoordeling van het “oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling”. Nu de niet in cassatie betwiste overwegingen door het hof onder meer inhouden dat voorafgaand aan de afpersing een zeer bedreigende situatie heeft plaatsgevonden in het clubhuis waarbij geweld is gebruikt en is gedreigd met geweld, dat daaropvolgend in de auto is gedreigd dat als aangever niet mee zou werken, “ze hem wel wisten te vinden”, dat er meerdere leden aanwezig waren in en rondom de woning waar op dat moment ook zijn vrouw en kinderen aanwezig waren, kan niet worden gezegd dat de bevoordeling op een rechtmatige manier heeft plaatsgevonden.
3.16
Het eerste en het derde middel falen.
4Het tweede middel
4.1
Het middel is gericht tegen het onder 1 primair bewezenverklaarde en houdt in dat het oordeel van het hof dat sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de “bad standing” en de diefstal blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is.
4.2
Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat voor medeplegen een dubbel opzetvereiste geldt: opzet op het medeplegen en opzet op het grondfeit. Wat betreft het opzet op het grondfeit is het uitgangspunt dat de medepleger opzet op ten minste de delictsgedraging dient te hebben en verder dat hij de pleger volgt in die zin dat op de door opzet bestreken delictsbestanddelen van het grondfeit ook de medepleger opzet moet hebben en wel in de opzetvorm die voor de pleger van het delict geldt. Voor een bewezenverklaring van art. 312 Sr is vereist dat de verdachte het goed “met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening” heeft weggenomen (zie het eerste middel). Daarnaast moet het opzet van de verdachte gericht zijn op het geweld en/of de bedreiging met geweld, waarvoor voorwaardelijk opzet de ondergrens is, en moet het geweld en/of de bedreiging met geweld gepleegd zijn met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Het opzet op het grondfeit mag globaal ingevuld worden bij medeplegen, dat wil zeggen dat een wat andere afloop en invulling van het grondfeit dan de verdachte voor ogen stond in de rol van de deelnemer is ingebakken.
4.3
Uit de toelichting blijkt dat het middel zich verzet tegen het oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op de “bad standing” en de diefstal. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist dat de interne rechtspleging zou uitlopen op een “bad standing” en dat er gelet op de groepsdynamiek voor hem geen reële mogelijkheid was om zich daarvan te distantiëren. Aangevoerd wordt dat de verdachte wist dat het handelen van de aangever zou worden besproken, dat de vergadering een officieel karakter zou hebben, dat alle leden hun “colors” moesten dragen en dat de aangever waarschijnlijk uit zijn functie zou worden gezet, maar niet dat het zou uitlopen op een “bad standing”. Volgens de steller van het middel zou dit ook niet uit de bewijsmiddelen volgen. Dat anderen over de “bad standing” hebben gesproken zou nog niet meebrengen dat de verdachte daarvan op de hoogte was. De “bad standing” kwam voor de verdachte volkomen onverwacht en de omstandigheid dat er binnen een motorclub een machocultuur bestond dwingt niet tot het oordeel dat een “bad standing” – een ongebruikelijke, zware sanctie − voorzienbaar was. Over het niet-distantiëren voert de steller van het middel aan dat het hof miskent dat een “bad standing” de uitkomst is van een interne rechtspleging, waarbij er voor de individuele leden geen ruimte is om afstand te nemen van het collectieve oordeel.
4.4
Voor zover het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte wist van de “bad standing” faalt het. Daartoe is het volgende van belang.
4.5
Het hof heeft onder het kopje “Opzet op het tenlastegelegde handelen” geoordeeld dat het opzet van de verdachte op de bad standing en de diefstal is komen vast te staan. Dit oordeel heeft het hof onder meer gestoeld op de volgende omstandigheden:
(i) de verdachte heeft uit eigen initiatief contact gezocht met [B] en heeft aan hen verzocht om aangever af te zetten als president van de [A] ;
(ii) een telefoongesprek tussen medeverdachte [B] -leden [betrokkene 3] en medeverdachte [betrokkene 6] waarin zij bespreken dat de aangever er met een “bad standing” uit moet gaan, dat [betrokkene 6] de verdachte zou bellen dat hij het moet organiseren en dat de verdachte heeft gezegd dat de aangever zijn schulden en “colors” moet inleveren en moet “opflikkeren”;
(iii) de verdachte heeft de bijeenkomst georganiseerd, heeft in dat verband verschillende leden opgeroepen die zijn verschenen en de aangever heeft daadwerkelijk een “bad standing” gekregen;
(iv) de verdachte wist als lid van [A] en als “Sergeant at Arms” wat een bad standing inhield en heeft zelf bevestigd dat binnen [B] een angstcultuur heerste en geweld en intimidatie niet werden geschuwd. Hij wist ook dat aangever bang was voor [B] ;
(v) De verdachte heeft bij de politie verklaard dat er een “degradatie” van aangever zou plaatsvinden, dat iedereen zijn “colors” aanhad tijdens de bad standing en dat dat zo hoort binnen de club. [betrokkene 3] heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij in overleg met de overige leden (het hof begrijpt: [A] ) tot de “bad standing” van aangever heeft besloten;
(v) tijdens de bijeenkomst in het clubhuis, nadat [betrokkene 3] met veel kracht het hesje van aangever uittrekt en de verdachte de situatie “(verder) ziet escaleren” blijft de verdachte actief deelnemen en onttrekt zich niet aan of distantieert zich niet van de situatie en aan medeverdachte [betrokkene 5] geeft hij tijdens de bad standing een het paspoort en bankpassen op naam van de aangever gegeven met de opdracht deze zich bij te houden;
(vi) uit het dossier blijkt niet dat de verdachte zich tegen de “bad standing” heeft verzet.
4.6
Het hof overweegt dat de verdachte zelf de “bewuste keuze” heeft gemaakt om [B] in te schakelen en “daarmee redelijkerwijs kon voorzien” dat [B] bij zijn conflict met aangever betrokken zou raken en dat gelet op het door de verdachte bevestigde feit dat er binnen [B] een angstcultuur heerste en geweld en intimidatie niet werd geschuwd, met het inschakelen van [B] “een bad standing of een vergelijkbaar andere harde sanctie” jegens aangever “voorzienbaar” was. Het hof overweegt ook dat het de verklaring van de verdachte dat hij niets van de “bad standing” afwist en niet kon vermoeden dat het daarop zou uitlopen niet geloofwaardig acht, gelet op zijn eigen verklaring over onder meer de “degradatie” van aangever en de omstandigheid dat voorafgaand tussen de verdachte en andere betrokkenen is gesproken over de voorgenomen “bad standing”.
4.7
Het hof overweegt dat de “bad standing of een vergelijkbaar andere harde sanctie” voor de verdachte voorzienbaar was. Hoewel voorzienbaarheid ook wel kan worden gebruikt in de zin van het bestaan van slechts een mogelijkheid, volgt uit het geheel van de bewijsvoering dat het hof hiermee kennelijk heeft bedoeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de “bad standing” voorzag en daarvan dus wist. In lijn daarmee liggen onder meer de overwegingen van het hof dat op initiatief van de verdachte de bijeenkomst heeft plaatsgevonden, dat de verdachte de bijeenkomst heeft georganiseerd en (in ieder geval) een dag van tevoren wist wat een “bad standing” was, dat in een gesprek tussen [betrokkene 6] en [betrokkene 3] is gezegd dat verdachte heeft gezegd dat aangever zijn “colors” moest inleveren en moest “opflikkeren” en het door het hof gebezigde bewijsmiddel 10 waaruit blijkt dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij iedereen had gebeld van de [A] dat ze die zaterdag naar [plaats] moesten komen, dat er een degradatie van aangever zou zijn en dat “ [betrokkene 3] […] [betrokkene 1] toen een Bad Standing [heeft] gegeven en gezegd dat hij zijn colours in moest leveren”, dat iedereen zijn colours aan had tijdens de bijeenkomst in [plaats] in verband met de “bad standing” van aangever en dat “dit zo hoorde binnen de club”. Dat het hof uit het geheel van deze feiten en omstandigheden tot het oordeel is gekomen dat de verdachte wist van de “bad standing” getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. In de bewijsvoering van het hof ligt bovendien besloten dat de verdachte ook wist dat dat de aangever bij zo’n “bad standing” spullen moest inleveren en dat dit − gelet op de cultuur binnen [B] − gepaard zou kunnen gaan met geweld en dat hij desondanks [B] heeft ingeschakeld.
4.8
Voor zover het middel klaagt dat niet-distantiëren gelet op de interne rechtspleging niet mogelijk was faalt het eveneens. Ten eerste volgt uit de onder 4.5 en 4.7 genoemde omstandigheden dat de verdachte de bijeenkomst met een flink aantal aanwezigen zelf heeft georganiseerd, dat deze bijeenkomst erop was gericht de aangever ter verantwoording te roepen en dat de verdachte moet hebben voorzien dat het daarbij zou gaan om toepassing van een “bad standing of een vergelijkbaar andere harde sanctie”. Verder zijn hier de vaststellingen van belang die het hof heeft gedaan over niet alleen de rol van de verdachte in het ontlokken en het organiseren van de “bad standing” maar ook zijn rol ten tijde van het plegen van het delict, in aanmerking genomen dat de verdachte tijdens de “bad standing” tegenover de aangever zat, dat hij naar eigen zeggen het woord heeft genomen, dat hij het paspoort en de bankpassen aan medeverdachte [betrokkene 5] heeft gegeven met de opdracht deze bij zich te houden en dat de verdachte aan de zich verder escalerende situatie niet heeft onttrokken of zich daarvan heeft gedistantieerd. Hieruit volgt dat de rol van de verdachte volgens het hof niet alleen bestond uit het veroorzaken, organiseren en bijwonen van de bijeenkomst maar dat hij ook actieve gedragingen heeft verricht. Daartegenover staat in feite niets: terwijl de verdachte toch “Sergeant at Arms” van [A] was, initiator van het contact met [B] over het gedrag van de aangever en bovendien organisator van de bijeenkomst, heeft hij zelfs niet getracht om op een meer gematigde reactie aan te dringen, noch tijdens de bijeenkomst noch daaraan voorafgaand.
4.9
Het in reactie op het opzetverweer van de verdediging gegeven oordeel van het hof dat de verdachte opzet had op diefstal met geweld en bedreiging met geweld getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
4.10
Ten overvloede merk ik op dat noch in hoger beroep noch in cassatie er uitdrukkelijk specifiek over wordt geklaagd dat bij de verdachte oogmerk op de diefstal en/of afpersing ontbreekt. Ook een klacht daarover had echter niet kunnen slagen. Uit de bewijsvoering door het hof blijkt in voldoende mate dat de verdachte de bedoeling had om de aangever in een situatie te plaatsen waarvan de verdachte wist dat daarin een bad standing of een vergelijkbaar andere harde sanctie jegens de verdachte zou worden toegepast, terwijl de verdachte actief is blijven deelnemen bij het uitvoeren van die sancties c.q. de wederrechtelijke toe-eigening/bevoordeling.
4.11
Het tweede middel faalt.
5Het vierde middel
5.1
Het middel verzet zich tegen de hoofdelijke betalingsverplichting die is opgelegd bij de toegewezen vordering benadeelde partij en de daaraan verbonden schadevergoedingsmaatregel, op de grond dat die betalingsverplichting niet aan een of meer mededader(s) is opgelegd waardoor de verdachte zijn regresrecht niet kan uitoefenen.
5.2
Het bestreden arrest houdt voor zover van belang het volgende in:
“Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.432,32. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 293,33. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gevorderd om deze toe te wijzen conform de beslissing van de rechtbank. Dat houdt in dat een bedrag van € 293,33 hoofdelijk kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, mede gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren, dan wel de vordering af te wijzen.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is - hoofdelijk - tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Materiële schade
Anders dan de rechtbank, overweegt het hof ten aanzien van de gevorderde materiële schade dat verdachte als medepleger van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde verantwoordelijk kan worden gehouden voor de daaruit voortgekomen en geleden schade. Verdachte heeft deze schade - samen met zijn medeverdachten - veroorzaakt. Dat het geld en de motor vervolgens niet ten gunste van verdachte zou zijn gekomen, hoeft op zichzelf genomen geen reden te zijn om de vordering af te wijzen.
Het hof zal daarom de volgende materiële schade - hoofdelijk - toewijzen:
Harley Davidson € 6.750,00
Gepind geld € 1.000,00
Mobiele telefoon met beltegoed € 350,00
Club emblemen € 160,00
Leren vest € 45,00
Kentekenbewijs € 31,50
ID-kaart € 56,83
Totale materiële schade € 8.393,33
Voor wat betreft de kosten voor het rijbewijs - betreffende € 38,99 - is onvoldoende gebleken dat de gestelde schade door het bewezenverklaarde handelen van verdachte is veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom voor dat bedrag in de vordering niet worden ontvangen.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft eveneens immateriële schadevergoeding gevorderd, wegens de psychische gevolgen ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen. Het betreft een vordering van € 1.000,00. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering tot immateriële schade voldoende is onderbouwd. Het hof is van oordeel dat voor dit bewezenverklaarde handelen het bedrag, zoals dat is gevorderd, hoofdelijk kan worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze
[…]
BESLISSING
[…]
Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.393,33 (negenduizend driehonderddrieënnegentig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 8.393,33 (achtduizend driehonderddrieënnegentig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.393,33 (negenduizend driehonderddrieënnegentig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 8.393,33 (achtduizend driehonderddrieënnegentig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 81 (eenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 3 september 2014.”
5.3
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wetsartikelen van belang:
- Art. 6:162 lid 1 BW
“Hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.”
- Art. 6:102 lid 1 BW
“Rust op ieder van twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade, dan zijn zij hoofdelijk verbonden. Voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 10 in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, wordt de schade over hen verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 101, tenzij uit de wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit.”
- Art. 36f lid 2 Sr:
“2. De maatregel kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.”
5.4
Daarnaast heeft de Hoge Raad in HR 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:3 het volgende vooropgesteld (met weglating van de voetnoten):
“2.7 In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad het volgende vooropgesteld:
“Hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat indien en voor zover meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade (art. 6:102 BW), hetgeen doorgaans het geval is indien de schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen. (...)
Indien de rechter oordeelt dat sprake is van hoofdelijkheid moet hij dit bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel tevens in het dictum tot uitdrukking brengen. Aldus wordt duidelijk dat de door de wet aan hoofdelijkheid verbonden gevolgen - waaronder de bevrijding van de schuldenaar in geval van betaling door een medeschuldenaar (art. 6:7, tweede lid, BW) - intreden.
(...)
Indien sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid kan ook de schadevergoedingsmaatregel voor het totale schadebedrag worden opgelegd. Zoals hiervoor onder 2.6 is overwogen dient eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel tot uitdrukking te worden gebracht.”
[…]
2.9
Opmerking verdient dat indien en voor zover meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade, hun hoofdelijke aansprakelijkheid en de gevolgen daarvan voortvloeien uit de wet (artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek). Als de rechter in de vordering en de door hem daarover vastgestelde omstandigheden aanleiding vindt die hoofdelijkheid in de beslissing vast te stellen, kan hij op de hiervoor onder 2.7 aangegeven wijze daartoe overgaan. Hij is daartoe echter niet ambtshalve verplicht.”
5.5
Het middel houdt in dat het hof een hoofdelijke betalingsverplichting heeft opgelegd in verband met de toegewezen vordering van de benadeelde partij en de daaraan gekoppelde schadevergoedingsmaatregel, terwijl die betalingsverplichting niet aan een of meer mededader(s) is opgelegd en dus niet gezegd kan worden dat meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade conform art. 6:102 lid 1 BW. De verdachte zou hierdoor zijn regresrecht niet kunnen uitoefenen. Volgens de steller van het middel brengt redelijke wetstoepassing en in het bijzonder art. 6:166 lid 2 BW mee dat het hof slechts een partiële schadevergoeding had moeten toekennen, nu uit dit artikel blijkt dat de daders onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen. De beslissing van het hof dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de volledige schade zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk zijn.
5.6
Het oordeel van het hof dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden en dat om die reden de betalingsverplichting die voortvloeit uit de toegewezen vordering van de benadeelde partij hoofdelijk kan worden opgelegd en de schadevergoedingsmaatregel voor het totale schadebedrag kan worden opgelegd, geeft − mede gelet op de wet en het onder 5.4 vooropgestelde − geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daartoe is het volgende van belang. Volgens het hof heeft de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade geleden. Uit de bewezenverklaring onder 1 primair en 2 primair blijkt dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte de feiten samen met anderen heeft gepleegd. Hieruit volgt dat de geleden schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen die verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade waartoe zij op basis van art. 6:102 BW hoofdelijk verbonden zijn en waarvoor ingevolge art. 36f lid 2 Sr de schadevergoedingsmaatregel voor het totale schadebedrag aan de verdachte kan worden opgelegd. De omstandigheid dat medeverdachten wel of niet strafrechtelijk zijn vervolgd maakt dat niet anders nu de hoofdelijke aansprakelijkheid en de gevolgen daarvan voortvloeien uit de wet en de deelnemers dus, los van het strafproces, in civielrechtelijke zin aansprakelijk zijn voor de geleden schade.
5.7
Voor zover het middel klaagt dat redelijke wetstoepassing meebrengt dat slechts een partiële schadevergoeding aan de verdachte had moeten worden toegekend omdat art. 6:166 lid 2 BW bepaalt dat de deelnemers onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, gaat het eraan voorbij art. 6:166 lid 2 BW het onderlinge regres regelt tussen de groepsleden bij aansprakelijkheid in groepsverband zoals bedoeld in art. 6:166 lid 1 BW. Dit onderlinge regres houdt kort gezegd in dat een via 6:166 lid 1 BW hoofdelijk aangesproken verdachte in een civiele procedure kan eisen dat zijn mede schadeveroorzakers hun deel van de schade aan hem terug te betalen.
5.8
Het middel faalt.
6Afronding
6.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
6.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 15 mei 2024. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase zal worden overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde taakstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het hof legt het begrip in het bestreden arrest onder “Oordeel van het hof” als volgt uit: “een zogenoemde ‘bad standing’, dat houdt – kort gezegd – in dat een lid uit de motorclub wordt gezet, daarvoor dient te betalen en zijn spullen, waaronder de eigendommen van de club, zijn ‘colors’ (clubemblemen) en zijn motor moet inleveren.”
Zie bijv. J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer, p. 218. Volgens de auteurs blijft – ondanks een ogenschijnlijke hoofdlijn van één wederrechtelijkheidsbegrip − een zekere variatie per bijzonder delict zichtbaar en onvermijdelijk, p. 217. Zie ook K. Lindenberg en H.D. Wolswijk, Het materiële strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 103-104, waarbij de auteurs opmerken dat niet zeker is dat de ruime uitleg van de Hoge Raad voor alle delicten geldt. En zie ten slotte C. Kelk en F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 157.
Ter illustratie noemen Kelk en De Jong − naast het Dreigbrief-arrest − HR 29 april 1935, NJ 1936/50 (Medemblikse schoolhoofd) en HR 21 februari 1938, NJ 1938/929 (Hohner muziekinstrumenten); zie C. Kelk en F. de Jong, Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 157, met verwijzing naar T.J. Noyon/G.E. Langemeijer, Het Wetboek van Strafrecht, deel I, zesde druk, Arnhem: Gouda Quint 1954, p. 15 en J.M. van Bemmelen en W.F.C. van Hattum, Hand- en leerboek van het Nederlandse strafrecht, Arnhem: Gouda Quint 1953-1954, p. 226. Ook J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer, p. 219 verwijzen naar deze rechtspraak: “In gevallen zoals die van het Dreigbrief-arrest bestaat de wederrechtelijkheid in gedragingen (hier de bedreiging) die blijkens het strafrecht zelf relevant zijn en dus niet louter op een schending van een niet-strafrechtelijke rechtsregel. Datzelfde geldt voor de oudere rechtspraak in het Medemblikse schoolhoofd, over het verkrijgen van achterstallig salaris door een ‘listige en bedriegelijke wijze’ van handelen en in Hohner muziekinstrumenten, waarin het gaat om een ‘listig’ handelen door aanneming van een ‘valse hoedanigheid’ […].”
Zie bijv. HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0267, NJ 2012/677, r.o. 2.3.
Of “om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren”.
Zie bijv. HR 19 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0325, NJ 1996/304.
Onder 1 primair is “tezamen en in vereniging met anderen” bewezenverklaard en onder 2 primair “tezamen en in vereniging met een ander of anderen”.
Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.6.2 onder A.