Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:759

2026-09-01 Strafrecht 24/03402
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-01
Publicatiedatum
2026-08-11
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
24/03402
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid (art. 246 Sr) Bewijsklachten onder meer m.b.t. bewijsminimum art. 342 lid 2 Sv (unus testis). Conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Jaddoe.

Citeert (5)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (33.183 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN




Nummer 24/03402

Zitting 1 september 2026




CONCLUSIE



P.H.P.H.M.C. van Kempen



In de zaak




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte





1Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 27 augustus 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-003404-22) wegens “feitelijke aanranding van de eerbaarheid” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken gevangenisstraf, met een proeftijd van 2 jaren, onder de algemene voorwaarde zoals in het arrest vermeld en een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.


1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat in Almere, heeft één middel van cassatie voorgesteld.




2Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is veroordeeld wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Het middel komt met een aantal bewijsklachten op tegen de bewezenverklaarde aanranding, in het bijzonder bevat het middel de klacht dat het hof de bewezenverklaring op de verklaring van één getuige heeft doen steunen.


2.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van het middel.




3Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring in strijd met art. 342 lid 2 Sv op de verklaring van één getuige heeft doen steunen.


3.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:


“hij op 28 augustus 2021 te [plaats] , door een andere feitelijkheid [benadeelde] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit
- het betasten en bevoelen van de met kleding bedekte borsten en buik en
- het geven van een zoen in de nek van die [benadeelde]
en bestaande die feitelijkheid hieruit dat verdachte opzettelijk die [benadeelde] onverhoeds van achteren heeft vastgepakt en heeft vastgehouden”.



3.3
De bewezenverklaring berust op de volgende in een aanvulling op het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):


“1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:



Ik heb [benadeelde] die nacht op 28 augustus 2021 in [plaats] op straat gezien en aangesproken. Ik was op weg naar huis en kwam net aanfietsen. Zij stond voor de voordeur van haar ouders. Ik ben van de fiets gestapt en naar haar toe gelopen.



2. Een proces-verbaal van 16 maart 2022, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als de op genoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte […].



Ik ken [benadeelde] . Ik ben met mijn vriendin naar de dorpskroeg gegaan. We zijn gebleven tot het dichtging. Toen ben ik op de fiets naar huis gegaan. Normaal is dat een paar minuten fietsen. (het hof begrijpt op basis van Google maps: ongeveer 1 kilometer van [A] naar de woning van de verdachte; het dorpsplein [a-straat] ligt daartussen op 130 meter van [A]), maar nu hebben we er wel wat langer over gedaan. Het fietsen viel niet mee.



3. Een proces-verbaal informatief gesprek zeden van 7 september 2021, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven een samenvatting van het op 1 september 2021 [benadeelde] gevoerde gesprek […]



In de loop van de avond is [benadeelde] samen met haar vriendin [getuige 1] naar het huis van [getuige 1] gegaan om daar nog wat te drinken. [benadeelde] besluit dan toch naar huis te gaan omdat ze voelt dat ze genoeg op heeft en ze heeft nog plannen voor de volgende dag. Ze gaat niet meer naar binnen en appt [getuige 1] dat ze weggaat. Als ze bijna thuis is hoort ze haar naam. Ze kijkt half achterom want herkent de stem van de buurman [verdachte] . Dan pakt [verdachte] haar van achteren vast, geeft haar een kus in haar nek om haar armen heen en begint haar borsten en buik te betasten, over haar kleding heen. [benadeelde] heeft haar telefoon in haar kontzak zitten. De telefoon gaat over en [benadeelde] neemt de telefoon snel op. Het is [getuige 1] die haar belt. [getuige 1] vraagt of ze thuis is. [benadeelde] zegt dan dat ze wel thuis is maar niet binnen. [getuige 1] vraagt haar of ze niet naar binnen kan en dan zegt [benadeelde] dat haar jas, welke nog bij [getuige 1] ligt, nodig heeft en vraagt [getuige 1] de jas te brengen. [getuige 1] zegt dat dat wel kan wachten waarop [benadeelde] haar zegt dat het meteen moet. Omdat [getuige 1] het niet vertrouwd loopt zij [benadeelde] tegemoet als die aangeeft dat ze moet komen.



4. Een proces-verbaal van 7 september 2021, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als de op genoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [benadeelde] […].



Op 27 augustus 2021 ben ik naar het Pleinfeest in [plaats] gegaan, op het dorpsplein in [plaats] . Daarna ben ik nog kort in de kroeg geweest en daarna naar een vriendin (het hof begrijpt uit de verklaring hierna: [getuige 1]) die achter mij woont in [plaats] . Ik heb daar even gezeten. Toen ging ik plassen. Om 00.20 uur (het hof begrijpt: inmiddels is het 28 augustus 2021) heb ik haar toen een appje gestuurd dat ik naar huis ging. Ik stond al bij de voordeur en ik dacht als ik weer naar binnen ga dan is het te gezellig en dan blijf ik. Ik was ook best wel moe. Onderweg naar het huis van mijn ouders, wat denk ik een stukje is van 1 à 2 minuten, ben ik ter hoogte van het huis van mijn ouders van achteren gepakt door de buurman. Dat is [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). Hij pakte mij van achteren en raakte over mijn kleding heen mijn borsten aan. Hij had me vast en was me langzaam aan het meenemen richting de steeg naar zijn huis.



Ik ben [verdachte] voor zijn huis tegengekomen. Ongeveer te hoogte van hun voordeur merkt ik dat [verdachte] mij van achteren naderde. Hij kwam uit de richting van de steeg. Hij zei: "he [benadeelde] ." Ik keek half om en toen stond hij al achter mij. Hij stond ineens achter mij. Hij sloeg zijn armen om mij heen, over mijn armen heen. Toen ging hij aan mijn borsten zitten. Hij was aan het wrijven over mijn borsten en over mijn buik met zijn handen. Hij streelde mij over mijn borsten en buik met allebei zijn handen. Voordat hij begon met strelen gaf hij mij een kus in mijn nek. Zijn buik was tegen mijn rug. Ik voelde hem ook tegen mij aan.



Om 00.25 uur werd ik gebeld door mijn vriendin [getuige 1] , waar ik even daarvoor vandaan was gekomen. Op dat moment had [verdachte] mij vast. Ik zei tegen haar dat ze mijn jas moest brengen. Ze vroeg mij: waarom? Dat kan toch ook morgen? Ik zei haar dat ze de jas echt nu moest komen brengen. Ze zei: ik kom er nu aan. Ik zei tot zo. Toen heeft [verdachte] mij losgelaten.



Ik heb [getuige 1] verteld dat de buurman mij had aangeraakt en vastgepakt. Ik was helemaal overstuur. Ik was aan het huilen. Ik heb het shirtje wat ik aan had die nacht mee genomen. Ik heb het niet gewassen. Ik doe afstand van dat shirt, ik wil hem niet meer terug.



5. Een proces-verbaal van 8 oktober 2021, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als de op genoemde datum tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1] […].




[benadeelde] en ik waren in [plaats] op het Pleinfeest, een dorpsfeest. Dat ging om 23.00 uur dicht en toen zijn we naar [A] gegaan. Dat is een bar dancing in [plaats] . Het Pleinfeest was buiten. In [A] was binnen. Toen zijn we naar mijn huis gelopen. Ik weet niet hoe laat, maar opeens dacht ik; waar is [benadeelde] ? Toen stuurde ze om 0.20 uur een appje dat ze naar huis was gegaan. Dat is 2 minuutjes lopen. Ik laat jullie het appje zien: ‘Mops ik ga O lekke naar huis. Is goed voor me’. Ik heb haar gebeld en toen zei ze dat ik haar jas moest komen brengen. Dus ik dacht: hoezo, die kan je toch ook morgen komen halen? [benadeelde] zei: je moet nu echt mijn jas komen brengen. Je moet het echt brengen. Dus ik dacht: what the fuck. Ik voelde opeens een soort van angst. Ik ben naar haar toe gerend. Dat is maar 1 straat verderop.



Daar kwam ik [benadeelde] op de stoep tegen. Ik was binnen 2 minuten bij [benadeelde] . Ze leek verward. Ze vroeg of ze alsjeblieft met mij mee naar huis mocht. Ze begon hard te huilen. Toen we bij mij thuis waren hebben wij, met mijn moeder op de bank gezeten. Ze vertelde dat ze door de buurman van achteren was gepakt en dat hij aan haar borsten had gezeten. De buurman had haar van achteren vastgepakt. Hij stond achter haar en pakte haar zomaar van achteren vast.



Toen ze het vertelde was ze heel erg overstuur en van streek. We hebben haar kleren ’s nachts nog in aparte zakken gedaan”.



3.4
Het hof heeft inzake het bewezenverklaarde het volgende overwogen:


“De raadsvrouw heeft gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Het dossier zou onvoldoende (steun)bewijs voor de verklaring van de aangeefster bevatten.



Het hof verwerpt het verweer, komt tot een bewezenverklaring en overweegt hiertoe als volgt.



De aangeefster heeft in het informatief gesprek zeden en in de aangifte onder meer verklaard dat zij op 28 augustus 2021 ’s nachts in het donker naar haar ouderlijk huis in [plaats] liep en daar door haar (oudere) buurman van achteren is (vast)gepakt, waarbij hij zich tegen haar aan heeft gedrukt, zijn armen om haar heen heeft geslagen, in haar nek heeft gekust en met zijn handen over haar bovenkleding over haar borsten en buik heeft gewreven. Ze had het gevoel dat hij haar wilde geleiden richting de steeg naast het huis. Het hof acht de verklaringen van de aangeefster dusdanig consistent en specifiek dat het er geloof aan hecht. Het hof heeft geen concrete aanwijzingen om aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen te twijfelen.



De verdachte heeft enkel erkend dat de ontmoeting met aangeefster heeft plaatsgevonden, maar de aanranding overigens ontkend. Voornoemde verklaringen van aangeefster vinden evenwel mede steun in de verklaringen van de getuige [getuige 1] . Aangeefster was die avond bij haar geweest. Zij was echter zonder iets te zeggen naar huis vertrokken, een straat verderop. Dat appte aangeefster om 00.20 uur naar [getuige 1] , waarop [getuige 1] haar om 00.25 uur belde om uitleg te vragen. Aangeefster heeft de telefoon opgenomen. Uit de aangifte volgt dat de verdachte op dat moment al bezig was aangeefster aan te randen. [getuige 1] heeft verklaard dat zij het vreemd vond hoe aangeefster tijdens hun telefoongesprek herhaaldelijk en indringend aan [getuige 1] vroeg om haar achtergelaten jas te komen brengen en dat [getuige 1] daardoor opeens een soort angst voelde en voelde dat er iets aan de hand was.
De omstandigheid dat de telefoonverbinding tussen [getuige 1] en aangeefster volgens de vermelding in de telefoon van [getuige 1] drie minuten heeft geduurd, acht het hof zonder meer niet onverenigbaar met hetgeen aangeefster en [getuige 1] over dat gesprek hebben verklaard.

[getuige 1] heeft voorts verklaard dat zij vervolgens naar aangeefster is toegerend, een straat verderop, en haar verward aantrof, dat de aangeefster overstuur was en hard moest huilen, en daarna bij [getuige 1] en de moeder van [getuige 1] huilend op de bank vertelde wat er was voorgevallen. Er bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat deze emoties een andere oorsprong hebben dan in hetgeen direct daaraan is voorafgegaan. Ook deze waargenomen oprechte emoties geven steun aan de aangifte. Bij de overtuiging van het hof heeft tot slot in enige mate meegespeeld dat de aangeefster en [getuige 1] het shirtje dat de aangeefster op de avond van het incident droeg in een aparte zak hebben gestopt en aan de politie hebben gegeven toen er aangifte is gedaan.



De verdachte ontkent het incident. Hij heeft verklaard dat hij aangeefster op straat ontmoette, dat ze aan het bellen was en dat ze ondertussen een kort gesprek met elkaar hebben gevoerd. De verdachte heeft het hof ondanks herhaaldelijk vragen niet duidelijk kunnen maken waarom en hoe de verdachte een gesprek met aangeefster heeft gevoerd terwijl zij met iemand aan de telefoon was. De verdachte zou vervolgens zijn teruggefietst naar het café om zijn vriendin te zoeken, die op hun gezamenlijke terugweg uit het dorp ergens achter was gebleven. Hij zou zelf geen huissleutel hebben gehad. Nadat hij op het plein bij het café had gehoord dat zijn vriendin al door was gereden naar huis, fietste hij weer terug naar huis. Daar aangekomen zou hij aangeefster nogmaals alleen op straat hebben gezien. Een en ander komt het hof qua tijdspanne ongeloofwaardig voor, waarbij het hof er gelet op de verklaring van [getuige 1] ook vanuit gaat dat zij na het telefoongesprek aangeefster tegemoet is gelopen en binnen twee minuten bij haar was. Het hof acht de verklaringen van de verdachte al met al onvoldoende aannemelijk om te twijfelen aan hetgeen de aangeefster heeft verklaard over wat er is gebeurd.



Aldus acht het hof het tenlastegelegde zowel wettig als overtuigend bewezen”.



3.5
De eerste deelklacht houdt in dat de verklaring van [getuige 1] (bewijsmiddel 5) in de kern een “hervertelling” is van hetgeen de aangeefster aan [getuige 1] heeft gerelateerd en dat de verklaring met uitzondering van de emotionele toestand geen eigen waarnemingen bevat, omdat “ [getuige 1] […] de ten laste en bewezenverklaarde handelingen immers niet zelf [heeft] gezien”. De steller van het middel wijst daarbij specifiek op het volgende onderdeel van de verklaring van [getuige 1] : “Toen we bij mij thuis waren hebben wij, met mijn moeder op de bank gezeten. Ze vertelde dat ze door de buurman van achteren was gepakten dat hij aan haar borsten had gezeten. De buurman had haar van achteren vastgepakt. Hij stond achter haar en pakte haar zomaar van achteren vast”.


3.6
Het gaat in de onderhavige zaak in cassatie, zoals veelal in zedenzaken, om de vraag of de bewijsvoering van het hof voldoet aan het bewijsminimum van art. 342 lid 2 Sv. De Hoge Raad hanteert met betrekking tot dit bewijsminimum de volgende vooropstelling:


“Volgens artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. (Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.)”.



3.7
Het hof heeft geoordeeld dat de verklaringen van de aangeefster mede steun vinden in de verklaringen van [getuige 1] . Het hof heeft bij dat oordeel niet enkel betrokken dat [getuige 1] naar de aangeefster is toegerend, de aangeefster verward aantrof, dat de aangeefster overstuur was en hard moest huilen en dat de aangeefster daarna bij [getuige 1] en de moeder van [getuige 1] huilend op de bank vertelde wat er was voorgevallen. Bij dat oordeel heeft hof eveneens, kort gezegd, betrokken dat aangeefster bij [getuige 1] thuis is geweest, dat zij zonder iets te zeggen is vertrokken, dat aangeefster [getuige 1] om 00.20 uur appte (blijkens bewijsmiddel 5 met de tekst: “Mops ik ga O lekke naar huis. Is goed voor me”), dat [getuige 1] de aangeefster daarop om 00.25 uur heeft gebeld om uitleg te vragen, dat het tijdstip van dit telefoongesprek overeenstemt met het tijdstip waarop de verdachte al bezig was aangeefster aan te randen, en dat [getuige 1] heeft verklaard “dat zij het vreemd vond hoe aangeefster tijdens hun telefoongesprek herhaaldelijk en indringend aan [getuige 1] vroeg om haar achtergelaten jas te komen brengen en dat [getuige 1] daardoor opeens een soort angst voelde en voelde dat er iets aan de hand was”.


3.8
De klacht gaat ervan uit dat een getuige, om voldoende steun te kunnen bieden aan de verklaring van een aangeefster, de bewezenverklaarde gedraging zelf moet hebben waargenomen. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Uit hetgeen is vooropgesteld onder 3.6 blijkt dat de bewijsminimumregel van art. 342 lid 2 Sv betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Dit brengt mee dat de tweede bewijsgrond niet de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit hoeft te bevestigen.


3.9
Uit de bewijsvoering volgt dat de verklaring van [getuige 1] , in het bijzonder over hoe zij aangeefster aantrof en over het daarvoor met de aangeefster gevoerde telefoongesprek, niet een de auditu-verklaring betreft. Niet doet zich het geval voor dat [getuige 1] overbrengt wat zij aangeefster heeft horen verklaren. Het gaat immers om een ontmoeting respectievelijk telefoongesprek tussen hen. In haar verklaring relateert [getuige 1] de door haar tijdens deze ontmoeting en dit gesprek waargenomen feiten en omstandigheden.


3.10
De eerste deelklacht faalt.


3.11
De tweede deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de door getuige [getuige 1] “waargenomen oprechte emoties […] steun aan de aangifte” geven onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. Hetgeen [getuige 1] heeft verklaard zou niet meer behelzen dan “een subjectief oordeel over emoties” nu [getuige 1] enkel heeft verklaard dat de aangeefster verward “leek” en niet dat zij verward “was” en uit [getuige 1] verklaring niet blijkt waarom de aangeefster verward “leek”.


3.12


[getuige 1] heeft verklaard blijkens bewijsmiddel 5 (zie onder 3.3) onder meer verklaard dat de aangeefster:
- verward “leek” toen [getuige 1] haar op de stoep tegenkwam;
- hard begon te huilen toen de aangeefster aan [getuige 1] vroeg of ze met [getuige 1] mee naar huis mocht;
- erg overstuur en van streek was toen de aangeefster hetgeen was voorgevallen vertelde.



3.13
Het hof heeft in de nadere bewijsoverweging (zie onder 3.4) geoordeeld dat de door [getuige 1] waargenomen “oprechte emoties” steun geven aan de aangifte. Het hof heeft daartoe overwogen dat [getuige 1] heeft verklaard dat zij naar de aangeefster is toegerend en “haar verward aantrof”, “dat de aangeefster overstuur was en hard moest huilen” en dat de aangeefster “daarna bij [getuige 1] en de moeder van [getuige 1] huilend op de bank vertelde wat er was voorgevallen”.


3.14
Allereerst merk ik op dat het hof het geheel van de verklaring kon begrijpen als dat [getuige 1] de aangeefster verward heeft aantroffen. Nu [getuige 1] heeft verklaard dat de aangeefster bij het treffen al meteen verward leek, terwijl zij blijkens die verklaring even later begon te huilen en erg overstuur en van streek was, kon het hof hieruit afleiden dat de aangeefster al bij het treffen daadwerkelijk verward was.


3.15
De getuigenverklaring van [getuige 1] is geen “subjectief oordeel”, maar een door [getuige 1] waargenomen emotie van een derde. [getuige 1] heeft kort gezegd verklaard hoe de aangeefster op haar overkwam toen ze de aangeefster tegenkwam, te weten “overstuur”. Dit is in lijn met de aan de getuigenverklaring gestelde eisen van art. 342 lid 1 Sv, namelijk dat het de getuigenverklaring een eigen waarneming of ondervinding moet betreffen en dat de getuigenverklaring geen gissingen dan wel conclusies mag bevatten. Daarbij merk ik op dat inherent aan de getuigenverklaring is dat deze subjectgebonden is.


3.16
Voorts wordt aangevoerd dat uit [getuige 1] verklaring niet zou blijken waarom de aangeefster verward “leek”. Een korte blik op de verklaring wijst erop dat de aanleiding van aangeefsters verwarring is gelegen in de omstandigheid dat “ze door de buurman van achteren was gepakt en dat hij aan haar borsten had gezeten”.


3.17
De tweede deelklacht faalt.


3.18
De derde deelklacht houdt in dat het hof, door te overwegen dat de aangeefster overstuur was op het moment dat [getuige 1] haar aantrof, een “invulling” heeft gegeven aan de verklaring van [getuige 1] , nu dat niet blijkt uit de verklaring van [getuige 1] .


3.19
Het hof heeft overwogen dat [getuige 1] heeft verklaard “dat zij vervolgens [na het telefoongesprek, PHvK] naar aangeefster is toegerend, een straat verderop, en haar verward aantrof, dat de aangeefster overstuur was en hard moest huilen, en daarna bij [getuige 1] en de moeder van [getuige 1] huilend op de bank vertelde wat er was voorgevallen”. Uit de overweging van het hof blijkt niet dat [getuige 1] zou hebben verklaard dat de aangeefster overstuur was op het moment dat [getuige 1] haar aantrof. Daarnaast merk ik op dat de overweging van het hof geen blijk geeft van een eigen invulling. [getuige 1] heeft immers, zo blijkt uit bewijsmiddel 5, verklaard dat de aangeefster heel erg overstuur was “[t]oen ze het vertelde”.


3.20
De derde deelklacht faalt.


3.21
De vierde deelklacht komt op tegen het oordeel dat er geen aanleiding bestaat “om te veronderstellen dat deze emoties een andere oorsprong hebben dan in hetgeen direct daaraan is voorafgegaan”. De klacht betreft de wijze waarop het hof het namens de verdachte geschetst “alternatief scenario” heeft verworpen.


3.22
In HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Buruma, r.o. 2.5 stelde de Hoge Raad het volgende voorop:


“Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.



Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft”.



3.23
Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota is door de raadsvrouw van de verdachte kort gezegd aangevoerd dat de (emotionele) toestand waarin aangeefster zich tijdens het bewezenverklaarde moment bevond al moet zijn begonnen voordat zij de verdachte op straat is tegengekomen. Daartoe is door de raadsvrouw gewezen op aangevers persoonlijke situatie in de periode rondom het bewezenverklaarde feit, haar benevelde toestand op de avond voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit, het bij haar vriendin vertrekken zonder gedag te zeggen en “het gebruik van de grimassende emoji”. Om die reden zou de gemoedstoestand van aangeefster geen ondersteuning kunnen bieden aan de door haar gedane aangifte.


3.24
Het hof heeft vastgesteld dat [getuige 1] heeft verklaard dat zij naar aangeefster is toegerend, een straat verderop, en haar verward aantrof, dat de aangeefster overstuur was en hard moest huilen, en daarna bij [getuige 1] en de moeder van [getuige 1] huilend op de bank vertelde wat er was voorgevallen. Het hof heeft voorts overwogen dat er geen aanleiding bestaat “om te veronderstellen dat deze emoties een andere oorsprong hebben dan in hetgeen direct daaraan is voorafgegaan”. Dientengevolge heeft het hof geoordeeld dat “[o]ok deze waargenomen oprechte emoties […] steun geven aan de aangifte”.


3.25
In de toelichting op de deelklacht wordt aangevoerd dat het hof niet duidelijk heeft gemaakt hoe aannemelijk het is dat de “reactie van de aangeefster wordt verklaard door de gang van zaken en de elementen die de verdediging heeft geschetst in de pleitnota” en dat een expliciete bespreking van het verweer van de verdediging was geboden.


3.26
Het hof heeft overwogen dat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de emoties – verward, overstuur, hard huilen – “een andere oorsprong hebben dan in hetgeen direct daaraan is voorafgegaan”. In die overweging ligt besloten dat het hof het door de raadsvrouw aangedragen alternatief scenario niet aannemelijk heeft geacht. Dat is – indien het door de verdediging aangevoerde al als zodanig valt aan te merken – gelet op de door het hof in bewijsoverweging vastgestelde gang van zaken, in samenhang bezien, niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Daarbij wijs ik erop dat het door de aangeefster nog om 00.20 aan [getuige 1] gestuurde app bericht – inhoudende: “Mops ik ga O lekke naar huis. Is goed voor me” – geenszins op een toestand duidt die even later tot het verward, overstuur en van streek zijn en hard huilen aanleiding zou kunnen geven. Het hof was niet gehouden de aannemelijkheidsgradatie van het alternatief scenario te expliciteren; HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/314 m.nt. Buruma bevat daartoe geenszins een verplichting.


3.27
De vierde deelklacht faalt.


3.28
De vijfde deelklacht houdt in dat de overweging van het hof, dat bij de overtuiging van het hof in enige mate heeft meegespeeld dat “de aangeefster en [getuige 1] het shirtje dat de aangeefster op de avond van het incident droeg in een aparte zak hebben gestopt en aan de politie hebben gegeven toen er aangifte is gedaan”, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit het arrest niet blijkt waarom het voorgaande in enige mate heeft meegespeeld of wat de gedachte was van “aangeefster en [getuige 1] om het shirtje in een aparte zak te stoppen”.


3.29
Het lijkt mij tamelijk vanzelfsprekend dat het hof uit het door de aangeefster en [getuige 1] opbergen van het shirtje in een aparte zak en aan de politie geven daarvan, heeft afgeleid dat mede de aangeefster van oordeel was dat dit shirtje als bewijs van belang zou kunnen zijn nu de aanrander met zijn handen over haar bovenkleding over haar borsten en buik had gewreven. Dat het hof daarin enige mate van ondersteuning voor de overtuiging heeft gezien, is daarom niet onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Maar zelfs als dit anders zou zijn, is hetgeen het hof heeft overwogen over het shirt van de aangeefster van zo ondergeschikte aard dat die omstandigheid aan de toereikendheid van de bewijsmotivering niet zou afdoen. Uit de bewijsvoering blijkt immers dat de verklaringen van aangeefster mede steun vinden in de verklaringen van [getuige 1] en in de waargenomen emoties van de aangeefster, zodat aangifte voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.


3.30
De vijfde deelklacht faalt.


3.31
De zesde deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof de verklaring van de verdachte dat hij de aangeefster heeft aangesproken en naar haar toe is gelopen (bewijsmiddel 1) tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl de verdachte “verder de door aangeefster geschetste gang van zaken ontkent”. Het hof zou daarmee, zo leid ik af, de bewezenverklaring op een niet-redengevend feit hebben doen berusten.


3.32
Blijkens bewijsmiddel 1 (onder 3.3) heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de aangeefster op 28 augustus 2021 in [plaats] op straat heeft gezien en heeft aangesproken, dat hij op weg naar huis was en net kwam aanfietsen, dat de aangeefster voor de voordeur van haar ouders stond en dat de verdachte van zijn fiets is gestapt en naar de aangeefster toe is gelopen.


3.33
Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat hij aanwezig was op de plaats van het delict, namelijk bij het huis van de ouders van de aangeefster. Dit verklaart ook aangeefster. Bovendien blijkt uit de verklaring van [getuige 1] dat aangeefster tijdens hun telefoongesprek heeft gezegd dat ze wel thuis is maar niet binnen en voorts dat de aangeefster tegen haar, [getuige 1] , zegt dat ze meteen moet komen, waarbij [getuige 1] ook verklaart dat ze het niet vertrouwt en daarom meteen aangeefster tegemoet loopt. De verklaring van de verdachte geeft dus steun aan de verklaring van de aangeefster en indirect ook aan die van [getuige 1] , waarmee de redengevendheid van de verklaring van de verdachte is gegeven.


3.34
De zesde deelklacht faalt.


3.35
De zevende deelklacht houdt in dat de overweging dat de “omstandigheid dat de telefoonverbinding tussen [getuige 1] en aangeefster volgens de vermelding in de telefoon van [getuige 1] drie minuten heeft geduurd” door het hof “zonder meer niet onverenigbaar” wordt geacht met hetgeen aangeefster en [getuige 1] over dat gesprek hebben verklaard onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de omschrijving van de inhoud van het gesprek de duur van drie minuten niet te verklaren zou zijn.


3.36
De aangeefster noch [getuige 1] hebben verklaard dat zij de verbinding hebben verbroken nadat aangeefster aan [getuige 1] vroeg om haar achtergelaten jas te komen brengen en daarmee het gesprek is beëindigd. De bestreden overweging van het hof is reeds om die reden niet onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.


3.37
Ook de zevende deelklacht slaagt niet.


3.38
Daarmee faalt het middel.




4Afronding

4.1
Het middel faalt. Ik merk in verband met de afdoening in cassatie op dat de rechtbank de verdachte van het tenlastegelegde heeft vrijgesproken, waardoor toepassing van art. 81 lid 1 RO niet in de rede ligt.


4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.


4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.


De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden



AG




Deze formulering – recent herhaald in HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:182 – wijkt iets af maar volgt inhoudelijk de lijn van de vooropstelling die de Hoge Raad sinds 2010 hanteerde, zie HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452, NJ 2010/515, m.nt. Borgers.


G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 849.