Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:1507
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:1507 → ECLI:NL:GHAMS:2024:2344
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:1507 → ECLI:NL:PHR:2026:759
Inhoudsindicatie
Feitelijke aanranding van eerbaarheid van jonge buurvrouw op straat, art. 246 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vinden verklaringen van aangeefster voldoende steun in andere bewijsmiddelen? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft niet onbegrijpelijk geoordeeld dat verklaringen van aangeefster mede steun vinden in verklaringen van vriendin van aangeefster. Hof heeft bij dat oordeel niet enkel betrokken dat vriendin naar aangeefster is toegerend, aangeefster verward aantrof, dat aangeefster overstuur was en hard moest huilen en dat aangeefster daarna bij vriendin en moeder van vriendin huilend op bank vertelde wat er was voorgevallen. Bij dat oordeel heeft hof eveneens betrokken dat aangeefster bij vriendin thuis is geweest, dat zij zonder iets te zeggen is vertrokken, dat aangeefster haar vriendin om 00:20 uur appte, dat vriendin de aangeefster daarop om 00:25 uur heeft gebeld om uitleg te vragen, dat tijdstip van dit telefoongesprek overeenstemt met tijdstip waarop verdachte al bezig was aangeefster aan te randen, en dat vriendin heeft verklaard “dat zij het vreemd vond hoe aangeefster tijdens hun telefoongesprek herhaaldelijk en indringend aan haar vroeg om haar achtergelaten jas te komen brengen en dat zij daardoor opeens soort angst voelde en voelde dat er iets aan de hand was”. Opvatting dat getuige, om voldoende steun te kunnen bieden aan verklaringen van aangeefster, bewezenverklaarde gedraging zelf moet hebben waargenomen, vindt geen steun in recht. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.186 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 24/03402
Datum 22 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 augustus 2024, nummer 23-003404-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.L.A.M. Pluijmakers bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof in strijd met artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op de verklaringen van één getuige.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.