Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:755
2026-08-07
Civiel recht; Personen- en familierecht
26/01321
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging. Overschrijding beslistermijn van art. 6:2 lid 1 onder a BW. Strijd met art. 5 lid 1 EVRM?
Citeert (14)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:3859 Rechtbank Gelderland 09-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2024:803 Parket bij de Hoge Raad 01-08-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2020:3962 Rechtbank Midden-Nederland 27-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5403 Rechtbank Den Haag 03-06-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:5406 Rechtbank Rotterdam 14-05-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6540 Rechtbank Noord-Holland 21-08-2020
- ECLI:NL:PHR:2024:803 Parket bij de Hoge Raad 01-08-2024
- ECLI:NL:HR:2025:1530 Hoge Raad 10-10-2025
- ECLI:NL:HR:2023:501 Hoge Raad 31-03-2023
- ECLI:NL:HR:2020:1806 Hoge Raad 20-11-2020
- ECLI:NL:HR:2015:926 Hoge Raad 10-04-2015
- ECLI:NL:HR:2014:736 Hoge Raad 28-03-2014
- ECLI:NL:HR:1996:ZC2229 Hoge Raad 13-12-1996
- ECLI:NL:HR:2014:736 Hoge Raad 28-03-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (29.061 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/01321
Zitting 7 augustus 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene]
,
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. J. de Jong van Lier,
tegen
De Officier van Justitie in het arrondissementsparket Oost-Nederland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van drie weken genoemd in art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz beslist op het verzoek van de officier van justitie voor een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden. Het middel bestrijdt het verlenen van de zorgmachtiging niet op inhoudelijke gronden, maar betoogt enkel dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met art. 5 lid 1 EVRM, omdat volgens die bepaling vrijheidsontneming slechts kan worden toegestaan “overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure”. In geval van een termijnoverschrijding zou de wettelijk voorgeschreven procedure niet zijn gevolgd en daarom konden in de zorgmachtiging niet de maatregelen ‘opnemen in een accommodatie’ en ‘beperking van de bewegingsvrijheid’ worden opgenomen.
1.2
Waar art. 5 EVRM in cassatieberoepen in Wvggz-zaken met enige regelmaat wordt genoemd in het kader van een gestelde schending van een voorschrift uit de Wvggz, wordt schending van art. 5 lid EVRM hier aangevoerd als enige grondslag voor het verzoek de beschikking van de rechtbank te vernietigen. De zaak biedt daarom gelegenheid nader te onderzoeken hoe ver de bescherming van art. 5 lid 1 EVRM reikt. Ik meen dat deze verdragsbepaling niet eraan in de weg staat dat na het verstrijken van een nationale beslistermijn een (eerste) zorgmachtiging wordt verleend. Die termijnoverschrijding leidt als zodanig niet tot vrijheidsontneming. Ik meen dat het beroep daarom niet slaagt.
2Feiten en procesverloop
2.1
Bij verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 5 december 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden te verlenen voor diverse vormen van verplichte zorg, waaronder ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’.
2.2
Het verzoek is op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Tijdens de zitting zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat
- [behandelaar], als behandelaar verbonden aan GGNet (via een Teams-verbinding)
- de ouders van betrokkene (via een Teams-verbinding).
2.3
De behandelaar heeft onder meer verklaard:
“Wij hebben grote zorgen over betrokkene, maar zij wil niet in contact met ons komen. Zij wil ook niet opgenomen worden om haar te kunnen instellen op medicatie. Zonder contact kunnen wij niet toezien hoe het in de thuissituatie gaat. De huidige situatie blijft dan in stand. Betrokkene heeft geen zelfinzicht in wat er met haar aan de hand is.”
En:
“Wij hebben ons ingespannen om ambulant met betrokkene in contact te komen, maar dat wil zij niet. Een opname is daarom nu echt noodzakelijk.”
2.4
De ouders van betrokkene, bij wie zij in huis woont, hebben onder meer verklaard:
“Wij hebben weinig contact met betrokkene. Zij wil niet samen met ons eten, omdat zij bang is dat wij haar vergiftigen. (…) Zij heeft ook geen sociale contacten meer. Ze is eerder opgenomen geweest. Daarna ging het beter met haar.”
En:
“Wij vinden het belangrijk dat onze dochter weer een toekomst krijgt en weer medicatie krijgt. Zij is heel intelligent en vrolijk, maar nu is ze niet meer wie zij was. Ik zie ook geen lichtpuntje aan het einde van de tunnel. Dit is de enige manier om haar op de rit te krijgen. Bij GGNet in [plaats] ging het goed met haar.”
2.5
Betrokkene is bij aanvang de zitting gehoord, maar heeft daarna vrijwillig de zittingszaal verlaten.
2.6
De advocaat heeft verklaard dat het hem niet lukt met betrokkene in contact te komen.
2.7
Op 9 januari 2026 heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan, welke uitspraak op 19 januari 2026 op schift is gesteld.
2.8
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis en aan een stoornis in het gebruik van cannabis (rov. 3.2). Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel (rov. 3.3). Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en te herstellen heeft betrokkene zorg nodig (rov. 3.4). De rechtbank overweegt vervolgens:
“3.5 Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene wijst alle hulp af en vermijdt het contact met de hulpverlening. Betrokkene heeft geen ziekte-inzicht en heeft in het verleden in de thuissituatie de noodzakelijke medicatie gestaakt. Sinds 2023 neemt zij geen depotmedicatie meer. Daarom is verplichte zorg nodig.
3.6.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, de visie van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- (…)
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- opnemen in een accommodatie.”
2.9
De rechtbank heeft ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 9 juli 2026.
2.10
Op 9 april 2026 is namens betrokkene (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van 9 januari 2026. De officier van justitie is niet verschenen.
3Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
3.1
Het middel voert één rechtsklacht aan. De in art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz opgenomen driewekentermijn om te beslissen op een verzoek om een zorgmachtiging als bedoeld in art. 5:17 lid 1 Wvggz is gaan lopen op 5 december 2025 en liep af op maandag 29 december 2025. Op 9 januari 2026 was die termijn al verstreken. Doordat op het verzoek van 5 december 2025 niet is beschikt binnen de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz, is de beslissing van de rechtbank niet gegeven in accordance with a procedure prescribed by law. Daarom kan die beslissing niet in stand blijven.
3.2
Art. 5 EVRM lid 1, aanhef en onder (e), luidt in de originele Engelse taalversie als volgt:
“Everyone has the right to liberty and security of person. No one shall be deprived of this liberty save in the following cases and in accordance with a procedure prescribed by law:
(…)
(e) the lawful detention of persons for the prevention of the spreading of infectious diseases, of persons of unsound mind, alcoholics or drug addicts or vagrants.”
En in de Nederlandse vertaling (mijn onderstreping):
“Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:
(…)
(e) in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;”
3.3
Het middel beperkt de discussie tot de zorgvormen beperking van de bewegingsvrijheid en opnemen in een accommodatie.
Juridisch kader
Overschrijding beslistermijn bij een voor zes maanden verzochte zorgmachtiging
3.4
Er wordt algemeen van uitgegaan dat in geval van een verzoek voor een ‘eerste’ (en dus niet een opvolgende) zorgmachtiging de Wvggz geen sanctie stelt op overschrijding door de rechter van de toepasselijke beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz. De rechter verliest daardoor niet zijn bevoegdheid om een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden. De Wvggz bevat geen bepalingen die nopen tot een ander oordeel en daarvoor zijn in de parlementaire geschiedenis ook geen aanknopingspunten te vinden.
3.5
In de literatuur bestaat er een grote mate van eenstemmigheid dat de rechter op een verzoek om een zorgmachtiging ook kan beslissen als de voorgeschreven beslistermijn is verstreken. Ik citeer het Sdu Commentaar Gedwongen Zorg:
“Hoezeer ook de wet strikte beslistermijnen geeft, zal het kunnen voorkomen dat de rechter een termijn overschrijdt. Onder de Wet Bopz heeft de Hoge Raad consequent uitgesproken dat zo’n overschrijding geen niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg heeft, maar slechts dat de rechter ‘aftrek’ kon (in geval van een tijdig ingediend verzoek) c.q. moest (in geval van een te laat ingediend verzoek) toepassen, dat wil zeggen dat hij bij het bepalen van de geldigheidsduur van de machtiging rekening diende te houden met het extra tijdsverloop door de einddatum te bepalen op de laatste datum die mogelijk was geweest bij een tijdig genomen beslissing. (…) In de lagere jurisprudentie onder de Wvggz wordt gewoonlijk geoordeeld dat de eigen termijnoverschrijding geen consequenties heeft, omdat de wet geen sanctie vermeldt of omdat de termijnoverschrijding gerechtvaardigd was. In geval van een beperkte termijnoverschrijding met navenant beperkt nadeel voor betrokkene is ook wel beslist ‘ter compensatie van het nadeel en ter (zelf)disciplinering’ om de duur van de machtiging te bekorten met het aantal dagen waarmee de beslistermijn was over schreden.
3.6
Er is wél een sanctie als op een verzoek om een opvolgende zorgmachtiging niet tijdig is beslist en er van een aansluitende zorgmachtiging geen sprake. De opvolgende zorgmachtiging kan dan niet voor maximaal twaalf maanden, maar voor maximaal zes maanden worden verleend. Dit is recent meerdere malen in de rechtspraak van uw Raad bevestigd. Toch sluit ik mij aan bij de opvatting dat overschrijding van de wettelijke beslistermijn van drie weken in art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz niet ertoe leidt dat het verzoek om een (eerste) zorgmachtiging niet kan worden toegewezen.
3.7
Ten eerste zie ik in de rechtspraak dat in geval van het niet-aansluiten van een opvolgende zorgmachtiging de maximale termijn zes in plaats van twaalf maanden is, een bevestiging dat een overschrijding van een beslistermijn als zodanig niet tot gevolg heeft dat geen rechtsgeldige zorgmachtiging kan worden verleend. Indien dat anders was, dan zou aan de minder vergaande sanctie van de kortere maximum geldigheidsduur van de zorgmachtiging niet worden toegekomen, omdat geen zorgmachtiging zou kunnen worden verleend.
3.8
Ten tweede moet rekening worden gehouden met de verscheidenheid van de praktijk. De Wvggz voorziet niet in de mogelijkheid voor de rechter om de beslistermijn te verlengen, ook niet als daar wel een objectieve reden voor bestaat. Bijvoorbeeld omdat op (medische) informatie moet worden gewacht, zoals een contra-expertise (zeker indien dat op verzoek van de betrokkene wordt ingewonnen), of omdat de betrokkene door ziekte of andere persoonlijke omstandigheden niet in staat is ter zitting te verschijnen maar wel heeft aangegeven te willen worden gehoord, en de zitting daarom wordt uitgesteld.
3.9
Ten derde mag worden aangenomen dat bij een (beperkte) termijnoverschrijding de rechtszekerheid en de rechtsbescherming van de betrokkene in de regel niet in het geding zijn. Overschrijding van de beslistermijn heeft tot gevolg dat bij de tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging de vrijheidsontneming later ingaat dan mogelijk was geweest indien de beslistermijn niet was overschreden, terwijl de duur van de zorgmachtiging in beide gevallen maximaal zes maanden is.
3.10
Eventueel zou het aantal dagen van de termijnoverschrijding ‘aan de achterkant’ in aftrek kunnen worden gebracht (zie reeds het citaat hiervoor, in 3.5). Als de zorgmachtiging bijvoorbeeld tien dagen na het verstrijken van de beslistermijn is verleend, zou de duur ervan zes maanden minus tien dagen kunnen bedragen. Daartoe is de rechter echter niet verplicht. Een eerste verzoek om een zorgmachtiging kan ook niet ‘te laat’ zijn ingediend, anders dan het geval is bij een opvolgende machtiging. Overigens past de Hoge Raad zo’n aftrek ook niet toe in gevallen waarin een aansluitende machtiging voor twaalf maanden was verzocht maar de beslistermijn is overschreden. De Hoge Raad pleegt dan de beslissing van de rechtbank te vernietigen en de zaak zelf af te doen door de duur van de machtiging te bekorten tot een half jaar. In dat geval heeft de betrokkene – anders dan in het geval van een eerste machtiging – intussen mogelijk wel gedwongen zorg ondergaan.
3.11
Ten vierde kan de betrokkene, indien hij of zij meent door de laattijdigheid van de beslissing van de rechter materiële of immateriële schade te hebben geleden, op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz een ‘zelfstandig’ verzoek om schadevergoeding indienen ten laste van de Staat. Indien zo’n verzoek gegrond is, kent de rechter een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe. Ik verwijs naar een beschikking van 31 maart 2023 waarin de Hoge Raad het volgende overweegt:
“3.1.5 Indien door de rechter of de officier van justitie een uit de Wvggz voortvloeiende beslistermijn is overschreden en de betrokkene verzoekt om schadevergoeding voor nadeel dat hij als gevolg daarvan heeft ondervonden, is uitgangspunt, behoudens bijzondere omstandigheden, dat de betrokkene nadeel heeft ondervonden in de vorm van spanning en frustratie over het uitblijven van een beslissing binnen de beslistermijn. De betrokkene heeft in een zodanig geval op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz recht op schadevergoeding. De rechter dient de omvang van deze schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen en is daarbij niet gebonden aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW.
Indien slechts sprake is van een geringe overschrijding van de beslistermijn en de rechter van oordeel is dat in de vaststelling dat de beslistermijn is overschreden afdoende genoegdoening is gelegen voor het nadeel dat de betrokkene door de termijnoverschrijding heeft ondervonden, kan de rechter met deze vaststelling volstaan.
3.12
Benadeling van de betrokkene kan dus in beginsel worden gecompenseerd door schadevergoeding. Ik voeg er wel aan toe dat in een geval als het onderhavige, waarin de rechtbank tien dagen na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op een verzoek om een eerste zorgmachtiging heeft beslist, vrijheidsontneming van de betrokkene als gezegd daardoor wordt uitgesteld. Dat dit uitstel schade veroorzaakt ligt niet erg voor de hand.
Relevante rechtspraak van het EHRM over art. 5 lid 1, en onder (e), EVRM
3.13
De meeste EHRM-rechtspraak over art. 5 EVRM ziet op strafzaken. Uit de rechtspraak, die samengevat staat weergegeven in de Guide on Article 5 of the European Convention of Human Rights, volgt onder meer dat nationale gerechten verplicht zijn te oordelen in overeenstemming met de materiële en procedurele regels van hun nationale recht. Indien schending van een nationale procedurele bepaling naar nationaal recht niet leidt tot een onrechtmatige vrijheidsontneming, zal er in beginsel ook geen schending van art. 5 lid 1 EVRM zijn. Het toepasselijke nationale recht mag (uiteraard) zelf niet in strijd zijn met die bepaling. Verder mag de beslissing tot toepassing van de vrijheidsontneming (of de duur daarvan) niet arbitrair zijn. Ik citeer uit EHRM 17 april 2018, Paci/België:
“64. Il est bien établi dans la jurisprudence de la Cour relative à l’article 5 § 1 de la Convention que toute privation de liberté doit non seulement relever de l’une des exceptions énoncées aux alinéas a) à f) mais aussi être « régulière ». En matière de « régularité » d’une détention, y compris l’observation des « voies légales », la Convention renvoie pour l’essentiel à la législation nationale (…). Dans tous les cas, elle consacre l’obligation d’en observer les normes de fond comme de procédure (…). Le titre de détention justifiant le maintien en détention doit donc être valable, au regard du droit interne, pendant toute la période de détention (…).
65. La Cour doit également s’assurer que le droit interne est luimême conforme à la Convention, y compris aux principes généraux qui s’y trouvent contenus de manière explicite ou implicite, notamment le principe de sécurité juridique (Mooren c. Allemagne [GC], no 11364/03, §§ 72 et 76, 9 juillet 2009). Dans ce contexte, la qualité de la loi implique que lorsqu’une loi nationale autorise une privation de liberté, elle doit être suffisamment accessible, précise et prévisible dans son application (Mooren, précité, § 76 (…)).
66. Enfin, la « régularité » de la détention au regard du droit interne n’est pas suffisante : l’article 5 § 1 exige de surcroît la conformité de toute privation de liberté au but de l’article 5 § 1, qui est de protéger l’individu contre une privation de liberté arbitraire (Mooren, précité, § 72 (…)).
3.14
Een inbreuk op art. 5 lid 1 EVRM werd onder meer geconstateerd in het arrest van 6 juni 2024, Cramesterter/Italië.De betrokkene werd in een psychiatrische inrichting vastgehouden nadat de daarvoor op grond van het nationale recht geldende termijn verstreken was, zoals ook een nationale rechter in die zaak had geoordeeld.
3.15
In par. 33 van deze handzame gids staat onder meer het volgende over het belang van het beginsel van rechtszekerheid:
“33. Where deprivation of liberty is concerned it is particularly important that the general principle of legal certainty be satisfied. It is therefore essential that the conditions for deprivation of liberty under domestic law be clearly defined and that the law itself be foreseeable in its application, so that it meets the standard of “lawfulness” set by the Convention, a standard which requires that all law be sufficiently precise to allow the person – if need be, with appropriate advice – to foresee, to a degree that is reasonable in the circumstances, the consequences which a given action may entail (…).”
3.16
In par. 44 en 45 wordt ingegaan op situaties waarin een beslissing van een gerecht de mogelijke oorzaak is van een schending van art. 5 lid 1 EVRM:
“44. A period of detention is, in principle, “lawful” if it is based on a court order. (…). Detention may remain in accordance with “a procedure prescribed by law” even though the domestic courts have admitted that there had been flaws in the detention proceedings but held the detention to be lawful nevertheless (Erkalo v. the Netherlands, 1998, §§ 55-56). Thus, even flaws in the detention order do not necessarily render the underlying period of detention unlawful within the meaning of Article 5 § 1 (…). Detention orders have been found to be ex facie invalid in cases where the interested party did not have proper notice of the hearing (…), the domestic courts had failed to conduct the means inquiry required by the national legislation (…), or the lower courts had failed properly to consider alternatives to imprisonment (…). On the other hand, where there was no evidence that the national courts’ conduct amounted to a “gross or obvious irregularity”, the Court held that the detention was lawful (ibid., § 114).”
3.17
In par. 118 e.v. worden zaken genoemd over vrijheidsontneming van ‘persons of unsound mind’ als bedoeld in art. 5 lid 1, onder (e), EVRM. Naast materiële vereisten, zoals het belang van een medische verklaring door een deskundige en de vereisten waaraan een instelling moet voldoen, worden ook waarborgen genoemd waaraan de procedure die leidt tot onvrijwillige plaatsing in een psychiatrische inrichting moet voldoen. Ik citeer:
“133. Article 5 § 1(e) of the Convention also affords procedural safeguards related to the judicial decisions authorising a person’s involuntary hospitalisation (M.S. v. Croatia (no. 2), 2015, § 114). The notion of “lawfulness” requires a fair and proper procedure offering the person concerned sufficient protection against arbitrary deprivation of liberty (…) concerning the lack of adequate safeguards in respect of the continuation of the applicant’s involuntary confinement.
134. The proceedings leading to the involuntary placement of an individual in a psychiatric facility must thus provide effective guarantees against arbitrariness given the vulnerability of individuals suffering from mental disorders and the need to adduce very weighty reasons to justify any restriction of their rights (M.S. v. Croatia (no. 2), 2015, § 147).
135. It is essential that the person concerned should have access to a court and the opportunity to be heard either in person or, where necessary, through some form of representation. This implies that an individual confined in a psychiatric institution should, unless there are special circumstances, receive legal assistance in the proceedings relating to the continuation, suspension or termination of his confinement (…).”
3.18
Hier worden dus enkele essentiële procedurele waarborgen voor de betrokkene genoemd, die ook in de Wvggz zijn opgenomen. Een (beperkte) overschrijding van een beslistermijn, waardoor een (eerste) vrijheidsontneming later ingaat, lijkt mij van een andere orde en als zodanig geen reden om aan te nemen dat een ‘arbitraire beslissing’ is genomen.
Bespreking van de klacht
3.19
Het middel tracht in art. 5 lid 1 EVRM een remedie te vinden voor het ontbreken van een sanctie in de Wvggz voor overschrijding van de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz. Het middel wil ingang doen vinden dat de niet-inachtneming van genoemde beslistermijn, kennelijk ongeacht de mate van overschrijding en het bestaan van een eventuele rechtvaardiging, in strijd is met de hogere verbindende norm van het EVRM.
3.20
De klacht wordt, onder 5.1 e.v. van de procesinleiding, allereerst toegelicht aan de hand van een algemene beschouwing: het belang van vrijheid en dus van bescherming tegen vrijheidsontneming (onder 5.1), de materiële voorwaarden voor het verlenen van een zorgmachtiging (onder 5.2) (die hier niet aan de orde zijn), en een gesteld onderscheid tussen ‘strenge normen’ en ‘milde normen’ (onder 5.3 e.v.). In 5.4 staat:
“Voor verzoekster is het belang van deze procedure (…) gelegen in de vaststelling van de onrechtmatigheid, en de rechtsgevolgen daarvan.
Voor de samenleving als geheel is het belang erin gelegen, dat uw rechtsoordeel bijdraagt aam de rechtszekerheid, ten aanzien van de al dan niet toelaatbaarheid van een mensenrechteninbreuk.”
3.21
Onder 6.1 e.v. betoogt het middel meer concreet waarom de bestreden beschikking niet voldoet aan de eis dat de vrijheidsontneming in accordance with a procedure prescribed by national law is. Het wezen van die eis is volgens het middel de rechtszekerheid. Die is geschonden als de wettelijke termijn niet wordt nageleefd. Met de schending van de wettelijke beslistermijn is er daarom geen sprake meer “van een procedure according to law in de zin van artikel 5 EVRM”, aldus het middel (onder 6.3). Deze zaak zou zich onderscheiden van eerdere zaken omdat het gaat (a) om een fout van de rechter en (b) de verzochte machtiging niet een verzoek is tot voortzetting van verplichte zorg.
3.22
Ik meen dat het betoog faalt. Het middel voert niet aan dat in dit geval gelet op het toestandsbeeld van betrokkene de opgelegde vrijheidsbeperkende zorgvormen medisch niet noodzakelijk zouden zijn. Bovendien is de overschrijding van de beslistermijn in deze zaak niet alleen betrekkelijk gering, maar heeft bovenal niet als zodanig geleid tot vrijheidsontneming (zie hiervoor, 3.9). Het praktische gevolg van de termijnoverschrijding is dat de op grond van de zorgmachtiging verleende toelating om betrokkene op te nemen in een accommodatie en haar bewegingsvrijheid te beperken later is ingegaan dan het geval zou zijn geweest als een identieke zorgmachtiging binnen de beslistermijn van drie weken was afgegeven.
3.23
De rechtspraak van het EHRM over art. 5 lid 1 EVRM dwingt niet tot een andere beoordeling. Ik verwijs naar wat ik hiervoor heb opgemerkt in 3.13-3.18.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Proces-verbaal van de zitting, p. 2.
Proces-verbaal van de zitting, p. 3.
Proces-verbaal van de zitting, p. 2.
Proces-verbaal van de zitting, p. 2/3.
Proces-verbaal van de zitting, p. 2.
De uitspraak is op 19 mei 2026 gepubliceerd; zie ECLI:NL:RBGEL:2026:3859.
Drie weken na vrijdag 5 december 2025 was vrijdag 26 december 2025, wat een feestdag is. De twee dagen daarna waren weekenddagen. De beslistermijn liep daarom af op de eerste werkdag daarna, 29 december 2025.
Zie onder meer: W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. 1.5.2, onder f; W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:2 Wvggz, aant. 3.1; S. McFedries, T&C PFR, art. 6:2 Wvggz, aant. 2 (onder jurisprudentie); C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg, 2023, par. 2.6.2; en R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke zorg. Handleiding voor de praktijk, Den Haag, Sdu 2023, p. 88. In haar conclusie ECLI:NL:PHR:2024:803 sluit A-G Coenraad, onder verwijzing naar Dijkers en Keurentjes, zich bij dit standpunt aan.
Noot in het origineel: Beginnend in HR 28 oktober 1994 (r.o. 3.5), NJ 1995/125, m.nt. JdB.
Noot in het origineel: Rb. Midden-Nederland 27 augustus 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3962; Rb. Den Haag 3 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5403.
Noot in het origineel: Rb. Rotterdam 14 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:5406,
Noot in het origineel: Rb. Noord-Holland 21 augustus 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:6540.
Zie de in voetnoot 8 genoemde conclusie van A-G Coenraad, ECLI:NL:PHR:2024:803, nr. 3.14
Zie W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:5 Wvggz, aant. 3 en art. 6:6 Wvggz, aant. 2.3 en Reijntjes-Wendenburg, par. 2.6.2.4.
Zie bijv. HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1530 en mijn conclusie van vandaag in zaak 26/01369.
ECLI:NL:HR:2023:501, NJ 2023/188, m.nt. J. Legemaate, JGZ 2024/2, m.nt. J.F. Groen.
Voetnoot 7 in het origineel: Vgl. HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, rov. 4.4; HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, rov. 3.4.2; HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, rov. 3.11.
Voetnoot 8 in het origineel: Vgl. HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, rov. 3.3; HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, rov. 3.16.3.
Een uitgave van de griffie van het EHRM, te vinden op Guide on Article 5 of the Convention – Right to liberty and security (bijgewerkt tot 28 februari 2026).
https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-182232
https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-233996
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/01321
Zitting 7 augustus 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene]
,
verzoekster tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. J. de Jong van Lier,
tegen
De Officier van Justitie in het arrondissementsparket Oost-Nederland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn van drie weken genoemd in art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz beslist op het verzoek van de officier van justitie voor een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden. Het middel bestrijdt het verlenen van de zorgmachtiging niet op inhoudelijke gronden, maar betoogt enkel dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met art. 5 lid 1 EVRM, omdat volgens die bepaling vrijheidsontneming slechts kan worden toegestaan “overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure”. In geval van een termijnoverschrijding zou de wettelijk voorgeschreven procedure niet zijn gevolgd en daarom konden in de zorgmachtiging niet de maatregelen ‘opnemen in een accommodatie’ en ‘beperking van de bewegingsvrijheid’ worden opgenomen.
1.2
Waar art. 5 EVRM in cassatieberoepen in Wvggz-zaken met enige regelmaat wordt genoemd in het kader van een gestelde schending van een voorschrift uit de Wvggz, wordt schending van art. 5 lid EVRM hier aangevoerd als enige grondslag voor het verzoek de beschikking van de rechtbank te vernietigen. De zaak biedt daarom gelegenheid nader te onderzoeken hoe ver de bescherming van art. 5 lid 1 EVRM reikt. Ik meen dat deze verdragsbepaling niet eraan in de weg staat dat na het verstrijken van een nationale beslistermijn een (eerste) zorgmachtiging wordt verleend. Die termijnoverschrijding leidt als zodanig niet tot vrijheidsontneming. Ik meen dat het beroep daarom niet slaagt.
2Feiten en procesverloop
2.1
Bij verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 5 december 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden te verlenen voor diverse vormen van verplichte zorg, waaronder ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ en ‘het opnemen in een accommodatie’.
2.2
Het verzoek is op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Tijdens de zitting zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat
- [behandelaar], als behandelaar verbonden aan GGNet (via een Teams-verbinding)
- de ouders van betrokkene (via een Teams-verbinding).
2.3
De behandelaar heeft onder meer verklaard:
“Wij hebben grote zorgen over betrokkene, maar zij wil niet in contact met ons komen. Zij wil ook niet opgenomen worden om haar te kunnen instellen op medicatie. Zonder contact kunnen wij niet toezien hoe het in de thuissituatie gaat. De huidige situatie blijft dan in stand. Betrokkene heeft geen zelfinzicht in wat er met haar aan de hand is.”
En:
“Wij hebben ons ingespannen om ambulant met betrokkene in contact te komen, maar dat wil zij niet. Een opname is daarom nu echt noodzakelijk.”
2.4
De ouders van betrokkene, bij wie zij in huis woont, hebben onder meer verklaard:
“Wij hebben weinig contact met betrokkene. Zij wil niet samen met ons eten, omdat zij bang is dat wij haar vergiftigen. (…) Zij heeft ook geen sociale contacten meer. Ze is eerder opgenomen geweest. Daarna ging het beter met haar.”
En:
“Wij vinden het belangrijk dat onze dochter weer een toekomst krijgt en weer medicatie krijgt. Zij is heel intelligent en vrolijk, maar nu is ze niet meer wie zij was. Ik zie ook geen lichtpuntje aan het einde van de tunnel. Dit is de enige manier om haar op de rit te krijgen. Bij GGNet in [plaats] ging het goed met haar.”
2.5
Betrokkene is bij aanvang de zitting gehoord, maar heeft daarna vrijwillig de zittingszaal verlaten.
2.6
De advocaat heeft verklaard dat het hem niet lukt met betrokkene in contact te komen.
2.7
Op 9 januari 2026 heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan, welke uitspraak op 19 januari 2026 op schift is gesteld.
2.8
De rechtbank is van oordeel dat betrokkene lijdt aan een psychotische stoornis en aan een stoornis in het gebruik van cannabis (rov. 3.2). Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel (rov. 3.3). Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en te herstellen heeft betrokkene zorg nodig (rov. 3.4). De rechtbank overweegt vervolgens:
“3.5 Er zijn geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene wijst alle hulp af en vermijdt het contact met de hulpverlening. Betrokkene heeft geen ziekte-inzicht en heeft in het verleden in de thuissituatie de noodzakelijke medicatie gestaakt. Sinds 2023 neemt zij geen depotmedicatie meer. Daarom is verplichte zorg nodig.
3.6.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, de visie van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat in ieder geval de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- (…)
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- opnemen in een accommodatie.”
2.9
De rechtbank heeft ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met 9 juli 2026.
2.10
Op 9 april 2026 is namens betrokkene (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de uitspraak van 9 januari 2026. De officier van justitie is niet verschenen.
3Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
3.1
Het middel voert één rechtsklacht aan. De in art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz opgenomen driewekentermijn om te beslissen op een verzoek om een zorgmachtiging als bedoeld in art. 5:17 lid 1 Wvggz is gaan lopen op 5 december 2025 en liep af op maandag 29 december 2025. Op 9 januari 2026 was die termijn al verstreken. Doordat op het verzoek van 5 december 2025 niet is beschikt binnen de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz, is de beslissing van de rechtbank niet gegeven in accordance with a procedure prescribed by law. Daarom kan die beslissing niet in stand blijven.
3.2
Art. 5 EVRM lid 1, aanhef en onder (e), luidt in de originele Engelse taalversie als volgt:
“Everyone has the right to liberty and security of person. No one shall be deprived of this liberty save in the following cases and in accordance with a procedure prescribed by law:
(…)
(e) the lawful detention of persons for the prevention of the spreading of infectious diseases, of persons of unsound mind, alcoholics or drug addicts or vagrants.”
En in de Nederlandse vertaling (mijn onderstreping):
“Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:
(…)
(e) in het geval van rechtmatige detentie van personen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke ziekten, van geesteszieken, van verslaafden aan alcohol of verdovende middelen of van landlopers;”
3.3
Het middel beperkt de discussie tot de zorgvormen beperking van de bewegingsvrijheid en opnemen in een accommodatie.
Juridisch kader
Overschrijding beslistermijn bij een voor zes maanden verzochte zorgmachtiging
3.4
Er wordt algemeen van uitgegaan dat in geval van een verzoek voor een ‘eerste’ (en dus niet een opvolgende) zorgmachtiging de Wvggz geen sanctie stelt op overschrijding door de rechter van de toepasselijke beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz. De rechter verliest daardoor niet zijn bevoegdheid om een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden. De Wvggz bevat geen bepalingen die nopen tot een ander oordeel en daarvoor zijn in de parlementaire geschiedenis ook geen aanknopingspunten te vinden.
3.5
In de literatuur bestaat er een grote mate van eenstemmigheid dat de rechter op een verzoek om een zorgmachtiging ook kan beslissen als de voorgeschreven beslistermijn is verstreken. Ik citeer het Sdu Commentaar Gedwongen Zorg:
“Hoezeer ook de wet strikte beslistermijnen geeft, zal het kunnen voorkomen dat de rechter een termijn overschrijdt. Onder de Wet Bopz heeft de Hoge Raad consequent uitgesproken dat zo’n overschrijding geen niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie tot gevolg heeft, maar slechts dat de rechter ‘aftrek’ kon (in geval van een tijdig ingediend verzoek) c.q. moest (in geval van een te laat ingediend verzoek) toepassen, dat wil zeggen dat hij bij het bepalen van de geldigheidsduur van de machtiging rekening diende te houden met het extra tijdsverloop door de einddatum te bepalen op de laatste datum die mogelijk was geweest bij een tijdig genomen beslissing. (…) In de lagere jurisprudentie onder de Wvggz wordt gewoonlijk geoordeeld dat de eigen termijnoverschrijding geen consequenties heeft, omdat de wet geen sanctie vermeldt of omdat de termijnoverschrijding gerechtvaardigd was. In geval van een beperkte termijnoverschrijding met navenant beperkt nadeel voor betrokkene is ook wel beslist ‘ter compensatie van het nadeel en ter (zelf)disciplinering’ om de duur van de machtiging te bekorten met het aantal dagen waarmee de beslistermijn was over schreden.
3.6
Er is wél een sanctie als op een verzoek om een opvolgende zorgmachtiging niet tijdig is beslist en er van een aansluitende zorgmachtiging geen sprake. De opvolgende zorgmachtiging kan dan niet voor maximaal twaalf maanden, maar voor maximaal zes maanden worden verleend. Dit is recent meerdere malen in de rechtspraak van uw Raad bevestigd. Toch sluit ik mij aan bij de opvatting dat overschrijding van de wettelijke beslistermijn van drie weken in art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz niet ertoe leidt dat het verzoek om een (eerste) zorgmachtiging niet kan worden toegewezen.
3.7
Ten eerste zie ik in de rechtspraak dat in geval van het niet-aansluiten van een opvolgende zorgmachtiging de maximale termijn zes in plaats van twaalf maanden is, een bevestiging dat een overschrijding van een beslistermijn als zodanig niet tot gevolg heeft dat geen rechtsgeldige zorgmachtiging kan worden verleend. Indien dat anders was, dan zou aan de minder vergaande sanctie van de kortere maximum geldigheidsduur van de zorgmachtiging niet worden toegekomen, omdat geen zorgmachtiging zou kunnen worden verleend.
3.8
Ten tweede moet rekening worden gehouden met de verscheidenheid van de praktijk. De Wvggz voorziet niet in de mogelijkheid voor de rechter om de beslistermijn te verlengen, ook niet als daar wel een objectieve reden voor bestaat. Bijvoorbeeld omdat op (medische) informatie moet worden gewacht, zoals een contra-expertise (zeker indien dat op verzoek van de betrokkene wordt ingewonnen), of omdat de betrokkene door ziekte of andere persoonlijke omstandigheden niet in staat is ter zitting te verschijnen maar wel heeft aangegeven te willen worden gehoord, en de zitting daarom wordt uitgesteld.
3.9
Ten derde mag worden aangenomen dat bij een (beperkte) termijnoverschrijding de rechtszekerheid en de rechtsbescherming van de betrokkene in de regel niet in het geding zijn. Overschrijding van de beslistermijn heeft tot gevolg dat bij de tenuitvoerlegging van de zorgmachtiging de vrijheidsontneming later ingaat dan mogelijk was geweest indien de beslistermijn niet was overschreden, terwijl de duur van de zorgmachtiging in beide gevallen maximaal zes maanden is.
3.10
Eventueel zou het aantal dagen van de termijnoverschrijding ‘aan de achterkant’ in aftrek kunnen worden gebracht (zie reeds het citaat hiervoor, in 3.5). Als de zorgmachtiging bijvoorbeeld tien dagen na het verstrijken van de beslistermijn is verleend, zou de duur ervan zes maanden minus tien dagen kunnen bedragen. Daartoe is de rechter echter niet verplicht. Een eerste verzoek om een zorgmachtiging kan ook niet ‘te laat’ zijn ingediend, anders dan het geval is bij een opvolgende machtiging. Overigens past de Hoge Raad zo’n aftrek ook niet toe in gevallen waarin een aansluitende machtiging voor twaalf maanden was verzocht maar de beslistermijn is overschreden. De Hoge Raad pleegt dan de beslissing van de rechtbank te vernietigen en de zaak zelf af te doen door de duur van de machtiging te bekorten tot een half jaar. In dat geval heeft de betrokkene – anders dan in het geval van een eerste machtiging – intussen mogelijk wel gedwongen zorg ondergaan.
3.11
Ten vierde kan de betrokkene, indien hij of zij meent door de laattijdigheid van de beslissing van de rechter materiële of immateriële schade te hebben geleden, op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz een ‘zelfstandig’ verzoek om schadevergoeding indienen ten laste van de Staat. Indien zo’n verzoek gegrond is, kent de rechter een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe. Ik verwijs naar een beschikking van 31 maart 2023 waarin de Hoge Raad het volgende overweegt:
“3.1.5 Indien door de rechter of de officier van justitie een uit de Wvggz voortvloeiende beslistermijn is overschreden en de betrokkene verzoekt om schadevergoeding voor nadeel dat hij als gevolg daarvan heeft ondervonden, is uitgangspunt, behoudens bijzondere omstandigheden, dat de betrokkene nadeel heeft ondervonden in de vorm van spanning en frustratie over het uitblijven van een beslissing binnen de beslistermijn. De betrokkene heeft in een zodanig geval op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz recht op schadevergoeding. De rechter dient de omvang van deze schadevergoeding naar billijkheid vast te stellen en is daarbij niet gebonden aan de grenzen voor de toekenning van vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade, vervat in art. 6:106 BW.
Indien slechts sprake is van een geringe overschrijding van de beslistermijn en de rechter van oordeel is dat in de vaststelling dat de beslistermijn is overschreden afdoende genoegdoening is gelegen voor het nadeel dat de betrokkene door de termijnoverschrijding heeft ondervonden, kan de rechter met deze vaststelling volstaan.
3.12
Benadeling van de betrokkene kan dus in beginsel worden gecompenseerd door schadevergoeding. Ik voeg er wel aan toe dat in een geval als het onderhavige, waarin de rechtbank tien dagen na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn op een verzoek om een eerste zorgmachtiging heeft beslist, vrijheidsontneming van de betrokkene als gezegd daardoor wordt uitgesteld. Dat dit uitstel schade veroorzaakt ligt niet erg voor de hand.
Relevante rechtspraak van het EHRM over art. 5 lid 1, en onder (e), EVRM
3.13
De meeste EHRM-rechtspraak over art. 5 EVRM ziet op strafzaken. Uit de rechtspraak, die samengevat staat weergegeven in de Guide on Article 5 of the European Convention of Human Rights, volgt onder meer dat nationale gerechten verplicht zijn te oordelen in overeenstemming met de materiële en procedurele regels van hun nationale recht. Indien schending van een nationale procedurele bepaling naar nationaal recht niet leidt tot een onrechtmatige vrijheidsontneming, zal er in beginsel ook geen schending van art. 5 lid 1 EVRM zijn. Het toepasselijke nationale recht mag (uiteraard) zelf niet in strijd zijn met die bepaling. Verder mag de beslissing tot toepassing van de vrijheidsontneming (of de duur daarvan) niet arbitrair zijn. Ik citeer uit EHRM 17 april 2018, Paci/België:
“64. Il est bien établi dans la jurisprudence de la Cour relative à l’article 5 § 1 de la Convention que toute privation de liberté doit non seulement relever de l’une des exceptions énoncées aux alinéas a) à f) mais aussi être « régulière ». En matière de « régularité » d’une détention, y compris l’observation des « voies légales », la Convention renvoie pour l’essentiel à la législation nationale (…). Dans tous les cas, elle consacre l’obligation d’en observer les normes de fond comme de procédure (…). Le titre de détention justifiant le maintien en détention doit donc être valable, au regard du droit interne, pendant toute la période de détention (…).
65. La Cour doit également s’assurer que le droit interne est luimême conforme à la Convention, y compris aux principes généraux qui s’y trouvent contenus de manière explicite ou implicite, notamment le principe de sécurité juridique (Mooren c. Allemagne [GC], no 11364/03, §§ 72 et 76, 9 juillet 2009). Dans ce contexte, la qualité de la loi implique que lorsqu’une loi nationale autorise une privation de liberté, elle doit être suffisamment accessible, précise et prévisible dans son application (Mooren, précité, § 76 (…)).
66. Enfin, la « régularité » de la détention au regard du droit interne n’est pas suffisante : l’article 5 § 1 exige de surcroît la conformité de toute privation de liberté au but de l’article 5 § 1, qui est de protéger l’individu contre une privation de liberté arbitraire (Mooren, précité, § 72 (…)).
3.14
Een inbreuk op art. 5 lid 1 EVRM werd onder meer geconstateerd in het arrest van 6 juni 2024, Cramesterter/Italië.De betrokkene werd in een psychiatrische inrichting vastgehouden nadat de daarvoor op grond van het nationale recht geldende termijn verstreken was, zoals ook een nationale rechter in die zaak had geoordeeld.
3.15
In par. 33 van deze handzame gids staat onder meer het volgende over het belang van het beginsel van rechtszekerheid:
“33. Where deprivation of liberty is concerned it is particularly important that the general principle of legal certainty be satisfied. It is therefore essential that the conditions for deprivation of liberty under domestic law be clearly defined and that the law itself be foreseeable in its application, so that it meets the standard of “lawfulness” set by the Convention, a standard which requires that all law be sufficiently precise to allow the person – if need be, with appropriate advice – to foresee, to a degree that is reasonable in the circumstances, the consequences which a given action may entail (…).”
3.16
In par. 44 en 45 wordt ingegaan op situaties waarin een beslissing van een gerecht de mogelijke oorzaak is van een schending van art. 5 lid 1 EVRM:
“44. A period of detention is, in principle, “lawful” if it is based on a court order. (…). Detention may remain in accordance with “a procedure prescribed by law” even though the domestic courts have admitted that there had been flaws in the detention proceedings but held the detention to be lawful nevertheless (Erkalo v. the Netherlands, 1998, §§ 55-56). Thus, even flaws in the detention order do not necessarily render the underlying period of detention unlawful within the meaning of Article 5 § 1 (…). Detention orders have been found to be ex facie invalid in cases where the interested party did not have proper notice of the hearing (…), the domestic courts had failed to conduct the means inquiry required by the national legislation (…), or the lower courts had failed properly to consider alternatives to imprisonment (…). On the other hand, where there was no evidence that the national courts’ conduct amounted to a “gross or obvious irregularity”, the Court held that the detention was lawful (ibid., § 114).”
3.17
In par. 118 e.v. worden zaken genoemd over vrijheidsontneming van ‘persons of unsound mind’ als bedoeld in art. 5 lid 1, onder (e), EVRM. Naast materiële vereisten, zoals het belang van een medische verklaring door een deskundige en de vereisten waaraan een instelling moet voldoen, worden ook waarborgen genoemd waaraan de procedure die leidt tot onvrijwillige plaatsing in een psychiatrische inrichting moet voldoen. Ik citeer:
“133. Article 5 § 1(e) of the Convention also affords procedural safeguards related to the judicial decisions authorising a person’s involuntary hospitalisation (M.S. v. Croatia (no. 2), 2015, § 114). The notion of “lawfulness” requires a fair and proper procedure offering the person concerned sufficient protection against arbitrary deprivation of liberty (…) concerning the lack of adequate safeguards in respect of the continuation of the applicant’s involuntary confinement.
134. The proceedings leading to the involuntary placement of an individual in a psychiatric facility must thus provide effective guarantees against arbitrariness given the vulnerability of individuals suffering from mental disorders and the need to adduce very weighty reasons to justify any restriction of their rights (M.S. v. Croatia (no. 2), 2015, § 147).
135. It is essential that the person concerned should have access to a court and the opportunity to be heard either in person or, where necessary, through some form of representation. This implies that an individual confined in a psychiatric institution should, unless there are special circumstances, receive legal assistance in the proceedings relating to the continuation, suspension or termination of his confinement (…).”
3.18
Hier worden dus enkele essentiële procedurele waarborgen voor de betrokkene genoemd, die ook in de Wvggz zijn opgenomen. Een (beperkte) overschrijding van een beslistermijn, waardoor een (eerste) vrijheidsontneming later ingaat, lijkt mij van een andere orde en als zodanig geen reden om aan te nemen dat een ‘arbitraire beslissing’ is genomen.
Bespreking van de klacht
3.19
Het middel tracht in art. 5 lid 1 EVRM een remedie te vinden voor het ontbreken van een sanctie in de Wvggz voor overschrijding van de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz. Het middel wil ingang doen vinden dat de niet-inachtneming van genoemde beslistermijn, kennelijk ongeacht de mate van overschrijding en het bestaan van een eventuele rechtvaardiging, in strijd is met de hogere verbindende norm van het EVRM.
3.20
De klacht wordt, onder 5.1 e.v. van de procesinleiding, allereerst toegelicht aan de hand van een algemene beschouwing: het belang van vrijheid en dus van bescherming tegen vrijheidsontneming (onder 5.1), de materiële voorwaarden voor het verlenen van een zorgmachtiging (onder 5.2) (die hier niet aan de orde zijn), en een gesteld onderscheid tussen ‘strenge normen’ en ‘milde normen’ (onder 5.3 e.v.). In 5.4 staat:
“Voor verzoekster is het belang van deze procedure (…) gelegen in de vaststelling van de onrechtmatigheid, en de rechtsgevolgen daarvan.
Voor de samenleving als geheel is het belang erin gelegen, dat uw rechtsoordeel bijdraagt aam de rechtszekerheid, ten aanzien van de al dan niet toelaatbaarheid van een mensenrechteninbreuk.”
3.21
Onder 6.1 e.v. betoogt het middel meer concreet waarom de bestreden beschikking niet voldoet aan de eis dat de vrijheidsontneming in accordance with a procedure prescribed by national law is. Het wezen van die eis is volgens het middel de rechtszekerheid. Die is geschonden als de wettelijke termijn niet wordt nageleefd. Met de schending van de wettelijke beslistermijn is er daarom geen sprake meer “van een procedure according to law in de zin van artikel 5 EVRM”, aldus het middel (onder 6.3). Deze zaak zou zich onderscheiden van eerdere zaken omdat het gaat (a) om een fout van de rechter en (b) de verzochte machtiging niet een verzoek is tot voortzetting van verplichte zorg.
3.22
Ik meen dat het betoog faalt. Het middel voert niet aan dat in dit geval gelet op het toestandsbeeld van betrokkene de opgelegde vrijheidsbeperkende zorgvormen medisch niet noodzakelijk zouden zijn. Bovendien is de overschrijding van de beslistermijn in deze zaak niet alleen betrekkelijk gering, maar heeft bovenal niet als zodanig geleid tot vrijheidsontneming (zie hiervoor, 3.9). Het praktische gevolg van de termijnoverschrijding is dat de op grond van de zorgmachtiging verleende toelating om betrokkene op te nemen in een accommodatie en haar bewegingsvrijheid te beperken later is ingegaan dan het geval zou zijn geweest als een identieke zorgmachtiging binnen de beslistermijn van drie weken was afgegeven.
3.23
De rechtspraak van het EHRM over art. 5 lid 1 EVRM dwingt niet tot een andere beoordeling. Ik verwijs naar wat ik hiervoor heb opgemerkt in 3.13-3.18.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Proces-verbaal van de zitting, p. 2.
Proces-verbaal van de zitting, p. 3.
Proces-verbaal van de zitting, p. 2.
Proces-verbaal van de zitting, p. 2/3.
Proces-verbaal van de zitting, p. 2.
De uitspraak is op 19 mei 2026 gepubliceerd; zie ECLI:NL:RBGEL:2026:3859.
Drie weken na vrijdag 5 december 2025 was vrijdag 26 december 2025, wat een feestdag is. De twee dagen daarna waren weekenddagen. De beslistermijn liep daarom af op de eerste werkdag daarna, 29 december 2025.
Zie onder meer: W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:1 Wvggz, aant. 1.5.2, onder f; W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:2 Wvggz, aant. 3.1; S. McFedries, T&C PFR, art. 6:2 Wvggz, aant. 2 (onder jurisprudentie); C. Reijntjes-Wendenburg, Gedwongen psychiatrische zorg, 2023, par. 2.6.2; en R.B.M. Keurentjes, De Wet verplichte geestelijke zorg. Handleiding voor de praktijk, Den Haag, Sdu 2023, p. 88. In haar conclusie ECLI:NL:PHR:2024:803 sluit A-G Coenraad, onder verwijzing naar Dijkers en Keurentjes, zich bij dit standpunt aan.
Noot in het origineel: Beginnend in HR 28 oktober 1994 (r.o. 3.5), NJ 1995/125, m.nt. JdB.
Noot in het origineel: Rb. Midden-Nederland 27 augustus 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3962; Rb. Den Haag 3 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:5403.
Noot in het origineel: Rb. Rotterdam 14 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:5406,
Noot in het origineel: Rb. Noord-Holland 21 augustus 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:6540.
Zie de in voetnoot 8 genoemde conclusie van A-G Coenraad, ECLI:NL:PHR:2024:803, nr. 3.14
Zie W.J.A.M. Dijkers, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:5 Wvggz, aant. 3 en art. 6:6 Wvggz, aant. 2.3 en Reijntjes-Wendenburg, par. 2.6.2.4.
Zie bijv. HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1530 en mijn conclusie van vandaag in zaak 26/01369.
ECLI:NL:HR:2023:501, NJ 2023/188, m.nt. J. Legemaate, JGZ 2024/2, m.nt. J.F. Groen.
Voetnoot 7 in het origineel: Vgl. HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1806, rov. 4.4; HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, rov. 3.4.2; HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, rov. 3.11.
Voetnoot 8 in het origineel: Vgl. HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2229, rov. 3.3; HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, rov. 3.16.3.
Een uitgave van de griffie van het EHRM, te vinden op Guide on Article 5 of the Convention – Right to liberty and security (bijgewerkt tot 28 februari 2026).
https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-182232
https://hudoc.echr.coe.int/eng?i=001-233996