Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:75

2026-03-10 Strafrecht 24/02243
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-03-10
Publicatiedatum
2026-01-13
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
24/02243
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Profijtontneming. Het middel, dat inhoudt dat betrokkene onvoldoende in gelegenheid is gesteld aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan, mist feitelijke grondslag: art. 80a RO. De conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Samenhang met 24/02246.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.218 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 24/02243 P

Zitting 10 maart 2026




CONCLUSIE



P.H.P.H.M.C. van Kempen




In de zaak




[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene





1Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 11 juni 2024 (rolnr. 22-002837-23) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 258.710,95 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 242.460,95. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.


1.2
Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene met nummer 24/02246. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.


1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.




2Waar het in cassatie om gaat

2.1
In deze ontnemingszaak heeft het hof geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen zijn dat binnen [A] B.V, onder de feitelijke leiding van de verdachte (tevens betrokkene), in de periode van 1 januari 2014 t/m 3 november 2016 ten aanzien van meerdere werknemers met Oost-Europese namen strafbare feiten zijn gepleegd soortgelijk aan het in de onderliggende strafzaak bewezenverklaarde strafbare feit. Het middel houdt in dat de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid is gesteld aan te (doen) voeren dat er waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.


2.2
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.




3Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid is gesteld aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.


3.2
De in het middel verwoorde eis is neergelegd in HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, NJ 2021/46 m.nt. Reijntjes r.o. 2.4.4. Uit de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak waarin ik vandaag ook concludeer, blijkt zonder meer (zie de conclusie voor die strafzaak onder 3.20 en 4.5) dat de verdachte en zijn raadsman de gelegenheid hebben gehad aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de fraude zich ook tot andere werknemers met Oost-Europese namen heeft uitgestrekt. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag.


3.3
Het middel faalt.




4Afronding

4.1
Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.


De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden




AG