Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:522
2026-05-26
Strafrecht
25/01732
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:1081 → ECLI:NL:PHR:2026:522
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Verdachte n-o in hoger beroep ex art. 416 lid 2 Sv. Falende klacht over eisen aan schriftuur houdende grieven. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 24/00651.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.984 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01732 P
Zitting 26 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de betrokkene
1. De verdachte is bij arrest van 16 januari 2024 (parketnr. 22-003345-22) door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 24/00651. Dit betreft de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. N. Roos, advocaat in Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep.
4. Het middel is gelijkluidend aan het middel in de samenhangende strafzaak waarin ik vandaag ook concludeer. Bovendien heeft het middel betrekking op dezelfde, door de verdachte opgegeven reden voor het instellen van het hoger beroep en dezelfde motivering van het niet-ontvankelijkheidsoordeel door het hof. In mijn conclusie in deze samenhangende zaak heb ik uiteengezet waarom het middel faalt. In deze zaak volsta ik met een verwijzing naar de inhoud van die conclusie.
5. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende zaak en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Volledigheidshalve merk ik over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep het volgende op. Het bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof dateert van 16 januari 2024. Namens de verdachte is op 6 mei 2025 beroep in cassatie ingesteld. In deze zaak geldt dat ingevolge artikel 432 lid 2 Sv het cassatieberoep moet zijn ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend was. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een betekeningsakte, waaruit blijkt dat het arrest op 2 mei 2025 aan de verdachte is betekend. Het cassatieberoep is dan ook tijdig ingesteld.
De onderhavige zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de samenhangende strafzaak. Van de behandeling van die zaken zijn afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt. De door de verdachte opgegeven reden voor het instellen van het hoger beroep en (de motivering van) het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, zijn in beide zaken echter gelijk aan elkaar.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01732 P
Zitting 26 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,
hierna: de betrokkene
1. De verdachte is bij arrest van 16 januari 2024 (parketnr. 22-003345-22) door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 24/00651. Dit betreft de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. N. Roos, advocaat in Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep.
4. Het middel is gelijkluidend aan het middel in de samenhangende strafzaak waarin ik vandaag ook concludeer. Bovendien heeft het middel betrekking op dezelfde, door de verdachte opgegeven reden voor het instellen van het hoger beroep en dezelfde motivering van het niet-ontvankelijkheidsoordeel door het hof. In mijn conclusie in deze samenhangende zaak heb ik uiteengezet waarom het middel faalt. In deze zaak volsta ik met een verwijzing naar de inhoud van die conclusie.
5. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende zaak en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Volledigheidshalve merk ik over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep het volgende op. Het bij verstek gewezen arrest van het gerechtshof dateert van 16 januari 2024. Namens de verdachte is op 6 mei 2025 beroep in cassatie ingesteld. In deze zaak geldt dat ingevolge artikel 432 lid 2 Sv het cassatieberoep moet zijn ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend was. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een betekeningsakte, waaruit blijkt dat het arrest op 2 mei 2025 aan de verdachte is betekend. Het cassatieberoep is dan ook tijdig ingesteld.
De onderhavige zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de samenhangende strafzaak. Van de behandeling van die zaken zijn afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt. De door de verdachte opgegeven reden voor het instellen van het hoger beroep en (de motivering van) het oordeel van het hof dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, zijn in beide zaken echter gelijk aan elkaar.