Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2025:59

2025-01-21 Strafrecht 22/04017
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-01-21
Publicatiedatum
2025-01-14
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
22/04017
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. De pleitnota die in hoger beroep aan het hof is overgelegd is in het ongerede geraakt en kan niet aan de Hoge Raad worden aangeleverd, waardoor in cassatie niet meer valt na te gaan welke verweren daarin zijn gevoerd. Dit onherstelbare verzuim brengt nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak mee. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing naar het hof.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.252 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 22/04017

Zitting 21 januari 2025




CONCLUSIE



T.N.B.M. Spronken




In de zaak




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de verdachte





1Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 20 oktober 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem wegens (1) “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” en (2) “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden. Daarnaast heeft het hof een geldbedrag verbeurd verklaard.


1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R. Zilver, advocaat in Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.




2Het derde middel

2.1
Ik bespreek eerst het derde voorgestelde middel, waarin wordt geklaagd dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak nietig zijn, omdat de pleitnota die op de terechtzitting in hoger beroep door de raadsman aan het hof is overgelegd zich niet bij de stukken van het geding bevindt en daardoor niet valt na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan de in het bestreden arrest genoemde dan wel of aldaar uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht.


2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd. In het proces-verbaal is opgenomen:


“De verdachte en de raadsman voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsman het woord voert overeenkomstig zijn pleitnota, die aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.”



2.3
De in het proces-verbaal vermelde pleitnota ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. De raadsman heeft op 24 februari 2023 (en dus tijdig) via het webportaal op grond van art. 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van een afschrift van deze pleitnota. Op dezelfde datum is namens de griffier van de Hoge Raad aan het hof verzocht om de pleitnota aan de strafadministratie van de Hoge Raad te doen toekomen. Bij brief van 13 maart 2023 is door de griffier bij het hof aan de Hoge Raad bericht dat deze pleitnota kennelijk in het ongerede is geraakt en daarom niet meer kan worden aangeleverd.


2.4
Nu de pleitnota ontbreekt, valt niet na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd dan wel of aldaar meer uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan de in de bestreden uitspraak genoemde. Dit verzuim strijdt zozeer met een behoorlijke procesorde dat het, nu het blijkens bij het hof ingewonnen informatie onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt.


2.5
Het middel slaagt.




3De overige middelen

3.1
Het voorgaande betekent dat het eerste en tweede middel buiten bespreking kunnen blijven.




4Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn

4.1
Ambtshalve wijs ik op het volgende. Namens de verdachte is op 28 oktober 2022 cassatieberoep ingesteld. Dit betekent dat de Hoge Raad niet binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak doet en dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. Na terugwijzing kan dit tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak bij het hof aan de orde worden gesteld.




5Conclusie

5.1
Het derde middel slaagt. De overige middelen behoeven daarom geen bespreking.


5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.


5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.


De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden




AG




Zie onder meer HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1964; HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1248 en HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1156. Zie ook HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:243, waarin de Hoge Raad deze vaste jurisprudentie tevens toepast in het geval dat de steller van het cassatiemiddel in hoger beroep zelf als raadsman is opgetreden en in cassatie niet is geklaagd over een (eventueel) verzuim van het gerechtshof om te reageren op (eventueel) in appel gedane verzoeken, gevoerde verweren en/of ingenomen standpunten waarvan (alleen) de pleitnota blijk geeft.