Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2023:65
2023-01-17
Strafrecht
21/01109
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:350 → ECLI:NL:PHR:2023:65
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het cassatieberoep. Samenhang met 21/00926, 21/00911, 21/00990, 21/00996, 21/01052, 21/01108, 21/01110 en 21/01191.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.418 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/01109 P
Zitting 17 januari 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 39.692,50 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 30.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 600 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/00926, 21/00911, 21/00990, 21/00996, 21/01052, 21/01108, 21/01110 en 21/01191. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 31 mei 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal. Volgens een akte van uitreiking met invuldatum 25 mei 2022, tijdstip 17.29 uur is de brief aangeboden op het adres [adres], op 9 mei 2022, 17 mei 2022 en 25 mei 2022, maar is zij niet uitgereikt omdat niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen. Uit de BPR-bevragingen van 2 en 31 mei 2022 blijkt dat dit adres het BRP-adres van de betrokkene is.
Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Ingevolge art. 511h Sv zijn deze artikelen ook van toepassing in ontnemingszaken. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de betrokkene niet in het beroep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/01109 P
Zitting 17 januari 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de betrokkene
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 3 maart 2021 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 39.692,50 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 30.000,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 600 dagen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/00926, 21/00911, 21/00990, 21/00996, 21/01052, 21/01108, 21/01110 en 21/01191. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 31 mei 2022 betekend. De gerechtelijke brief is uitgereikt aan een medewerker van het parket van de Procureur-Generaal. Volgens een akte van uitreiking met invuldatum 25 mei 2022, tijdstip 17.29 uur is de brief aangeboden op het adres [adres], op 9 mei 2022, 17 mei 2022 en 25 mei 2022, maar is zij niet uitgereikt omdat niemand aanwezig of bereid was om de brief aan te nemen. Uit de BPR-bevragingen van 2 en 31 mei 2022 blijkt dat dit adres het BRP-adres van de betrokkene is.
Art. 437, tweede lid, Sv bepaalt dat de verdachte door of namens wie beroep in cassatie is ingesteld, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is binnen twee maanden nadat de in art. 435, eerste lid, Sv bedoelde aanzegging is betekend, bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur houdende zijn middelen van cassatie te doen indienen. Ingevolge art. 511h Sv zijn deze artikelen ook van toepassing in ontnemingszaken. Nu dit voorschrift niet in acht is genomen kan de betrokkene niet in het beroep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG