Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2022:273
2022-02-08
Strafrecht
21/00594
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:407 → ECLI:NL:PHR:2022:273
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Aanhoudingsverzoek niet gemachtigde raadsvrouw ttz in h.b. op de grond dat verdachte mogelijk in het buitenland verblijft door hof afgewezen met overweging dat aangevoerde omstandigheid niet aannemelijk is geworden. Om redenen genoemd in vandaag eveneens genomen conclusie in samenhangende zaak 20/00596 faalt middel wegens gebrek aan belang. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Samenhang met 21/00596.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2020:983 Hoge Raad 02-06-2020
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.763 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00594 P
Zitting 8 februari 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de betrokkene.
1. De betrokkene is bij arrest van 1 februari 2021 door het hof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingesteld beroep.
2. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de verdachte (21/00596). In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel bevat een motiveringsklacht over de afwijzing van het verzoek tot aanhouding dat de raadsvrouw ter terechtzitting heeft gedaan.
5. Het middel is gelijkluidend aan het middel dat is voorgesteld in de samenhangende strafzaak. Het heeft bovendien betrekking op hetzelfde aanhoudingsverzoek en dezelfde (motivering van de) afwijzende beslissing door het hof. In mijn conclusie in de samenhangende strafzaak heb ik uiteengezet waarom het in die zaak ingediende middel faalt wegens gebrek aan belang. In deze zaak volsta ik, gelet op de genoemde overeenkomsten tussen de middelen, met een verwijzing naar de inhoud van die conclusie. Voor de volledigheid merk ik op dat het beoordelingskader ten aanzien van aanhoudingsverzoeken, dat ik noem in overweging 8 van mijn conclusie in de samenhangende strafzaak, in gelijke zin geldt in ontnemingszaken zoals hier aan de orde.
6. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende strafzaak en kan eveneens worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Het verzoek tot aanhouding is gedaan tijdens de gelijktijdige, doch niet gevoegde, behandeling van de (samenhangende) strafzaak en deze ontnemingszaak. Van de behandeling van die zaken zijn afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt. Uit een vergelijking tussen de processen-verbaal blijkt echter dat het verzoek tot aanhouding en de (motivering van de) afwijzende beslissing in beide zaken identiek aan elkaar zijn.
Vgl. HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:983, r.o. 2.3.2.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00594 P
Zitting 8 februari 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de betrokkene.
1. De betrokkene is bij arrest van 1 februari 2021 door het hof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het namens hem ingesteld beroep.
2. Deze ontnemingszaak hangt samen met de strafzaak tegen de verdachte (21/00596). In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. Mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel bevat een motiveringsklacht over de afwijzing van het verzoek tot aanhouding dat de raadsvrouw ter terechtzitting heeft gedaan.
5. Het middel is gelijkluidend aan het middel dat is voorgesteld in de samenhangende strafzaak. Het heeft bovendien betrekking op hetzelfde aanhoudingsverzoek en dezelfde (motivering van de) afwijzende beslissing door het hof. In mijn conclusie in de samenhangende strafzaak heb ik uiteengezet waarom het in die zaak ingediende middel faalt wegens gebrek aan belang. In deze zaak volsta ik, gelet op de genoemde overeenkomsten tussen de middelen, met een verwijzing naar de inhoud van die conclusie. Voor de volledigheid merk ik op dat het beoordelingskader ten aanzien van aanhoudingsverzoeken, dat ik noem in overweging 8 van mijn conclusie in de samenhangende strafzaak, in gelijke zin geldt in ontnemingszaken zoals hier aan de orde.
6. Het middel faalt om de redenen genoemd in mijn conclusie in de samenhangende strafzaak en kan eveneens worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende overweging.
7. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Het verzoek tot aanhouding is gedaan tijdens de gelijktijdige, doch niet gevoegde, behandeling van de (samenhangende) strafzaak en deze ontnemingszaak. Van de behandeling van die zaken zijn afzonderlijke processen-verbaal opgemaakt. Uit een vergelijking tussen de processen-verbaal blijkt echter dat het verzoek tot aanhouding en de (motivering van de) afwijzende beslissing in beide zaken identiek aan elkaar zijn.
Vgl. HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:983, r.o. 2.3.2.