Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2021:924
2021-06-08
Strafrecht
20/00299
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2021:1412 → ECLI:NL:PHR:2021:924
- conclusieVoorCassatie ECLI:NL:PHR:2021:924 → ECLI:NL:GHARL:2020:761
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend, beroep n-o. Samenhang met 20/00327.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2003:AF4207 Hoge Raad 25-03-2003
- ECLI:NL:HR:2011:BP6052 Hoge Raad 12-04-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.499 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/00299
Zitting 8 juni 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 29 januari 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/00327 en 20/00315. In de eerste zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het in de laatstgenoemde zaak ingestelde beroep in cassatie is ingetrokken vóórdat de zaak voor de eerste keer ter terechtzitting van de Hoge Raad zou worden behandeld.
1.3.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
1.4.
Namens de benadeelde partij heeft mr. C.W. Langereis, advocaat te Arnhem, een ‘middel van cassatie’ voorgesteld.
2Beoordeling
2.1.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
2.2.
Nu de verdachte niet in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen, is de Hoge Raad niet bevoegd tot de beoordeling van de op de voet van art. 437 lid 3 Sv ingediende schriftuur van de benadeelde partij.
2.3.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG
Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207, NJ 2003/329 en HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6052.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/00299
Zitting 8 juni 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 29 januari 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/00327 en 20/00315. In de eerste zaak zal ik vandaag ook concluderen. Het in de laatstgenoemde zaak ingestelde beroep in cassatie is ingetrokken vóórdat de zaak voor de eerste keer ter terechtzitting van de Hoge Raad zou worden behandeld.
1.3.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
1.4.
Namens de benadeelde partij heeft mr. C.W. Langereis, advocaat te Arnhem, een ‘middel van cassatie’ voorgesteld.
2Beoordeling
2.1.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
2.2.
Nu de verdachte niet in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen, is de Hoge Raad niet bevoegd tot de beoordeling van de op de voet van art. 437 lid 3 Sv ingediende schriftuur van de benadeelde partij.
2.3.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG
Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207, NJ 2003/329 en HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6052.