Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2021:884
2021-06-29
Strafrecht
20/00621
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2021:1394 → ECLI:NL:PHR:2021:884
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit hennepteelt. Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Samenhang met 20/00480, 20/00622 P en 20/00623.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.737 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/00621 P
Zitting 29 juni 2021
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de betrokkene.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 11 februari 2020 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 18.828,82 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De zaak hangt samen met de zaken met zaaknummers 20/00480, 20/00623 en 20/00622. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de betrokkene is op 18 februari 2020 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 7 september 2020 aan de betrokkene in persoon betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/00621 P
Zitting 29 juni 2021
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de betrokkene.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 11 februari 2020 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 18.828,82 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De zaak hangt samen met de zaken met zaaknummers 20/00480, 20/00623 en 20/00622. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de betrokkene is op 18 februari 2020 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 7 september 2020 aan de betrokkene in persoon betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG