Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2021:1267
2021-12-21
Strafrecht
20/01136
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:191 → ECLI:NL:PHR:2021:1267
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 20/01131 en 20/01134.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.142 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01136 P
Zitting 21 december 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de betrokkene.
1Het cassatieberoep
1.1.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 12 maart 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 108.070,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/01131 en 20/01134. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv is op 24 maart 2021 betekend. Namens de betrokkene is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
2De beoordeling
2.1.
Mr. G. Spong, die zich bij brief van 26 maart 2020 als raadsman van de betrokkene heeft gesteld, heeft bij brief van 30 april 2021 aan de Hoge Raad bericht dat geen middelen van cassatie zullen worden ingediend. Er is gedurende de in art. 437 lid 2 Sv in verbinding met art. 511h Sv gestelde termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
2.2.
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
2.3.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01136 P
Zitting 21 december 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de betrokkene.
1Het cassatieberoep
1.1.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 12 maart 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 108.070,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/01131 en 20/01134. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv is op 24 maart 2021 betekend. Namens de betrokkene is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
2De beoordeling
2.1.
Mr. G. Spong, die zich bij brief van 26 maart 2020 als raadsman van de betrokkene heeft gesteld, heeft bij brief van 30 april 2021 aan de Hoge Raad bericht dat geen middelen van cassatie zullen worden ingediend. Er is gedurende de in art. 437 lid 2 Sv in verbinding met art. 511h Sv gestelde termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
2.2.
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
2.3.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG