Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2020:969
2020-09-08
Strafrecht
19/02236
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:1676 → ECLI:NL:PHR:2020:969
Inhoudsindicatie
Gebruik maken van valse geschriften (art. 225 Sr, meermalen gepleegd). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast (vgl. ECLI:NL:HR:2020:914).
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2020:914 Hoge Raad 26-05-2020
- ECLI:NL:HR:2018:544 Hoge Raad 10-04-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.644 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/02236
Zitting 8 september 2020 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
1. Bij arrest van 1 mei 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, het onder 6 tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als “opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts zijn 16 schadevergoedingsmaatregelen te vervangen door hechtenis opgelegd als nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In een aanvullende schriftuur is het belang van verdachte bij cassatie toegelicht.
3. Het eerste middel klaagt dat het hof bij de schadevergoedingsmaatregelen ten onrechte vervangende hechtenis heeft opgelegd.
4. Het hof heeft de verdachte verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de in het arrest genoemde aantallen dagen hechtenis.
5. Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.
6. Het tweede middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke (inzend)termijn is overschreden.
7. “Vooropgesteld moet worden dat onder overschrijding van de redelijke termijn mede is begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat beroep in cassatie is ingesteld. Die inzendingstermijn is gesteld op acht maanden”, aldus r.o. 3.3. uit HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:BD2578, NJ 2008/358 m.nt P. Mevis.
8. Verdachte heeft op 3 mei 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 31 januari 2020 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De onder randnummer 7 bedoelde termijn voor het inzenden van stukken is daarmee overschreden.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend (1) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast alsmede (2) wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Na verwijzing als beslist in HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:544.
Voor zover aftrek als bedoeld in art. 27a Sr is bevolen, is thans art. 6.2.7 Sv van toepassing.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/02236
Zitting 8 september 2020 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
1. Bij arrest van 1 mei 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, het onder 6 tenlastegelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als “opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts zijn 16 schadevergoedingsmaatregelen te vervangen door hechtenis opgelegd als nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en mr. A.C. Huisman, advocaat te Deventer, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In een aanvullende schriftuur is het belang van verdachte bij cassatie toegelicht.
3. Het eerste middel klaagt dat het hof bij de schadevergoedingsmaatregelen ten onrechte vervangende hechtenis heeft opgelegd.
4. Het hof heeft de verdachte verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door de in het arrest genoemde aantallen dagen hechtenis.
5. Het middel slaagt. De Hoge Raad kan de uitspraak van het hof vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.
6. Het tweede middel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke (inzend)termijn is overschreden.
7. “Vooropgesteld moet worden dat onder overschrijding van de redelijke termijn mede is begrepen de overschrijding van de termijn voor het inzenden van de stukken naar de Hoge Raad nadat beroep in cassatie is ingesteld. Die inzendingstermijn is gesteld op acht maanden”, aldus r.o. 3.3. uit HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:BD2578, NJ 2008/358 m.nt P. Mevis.
8. Verdachte heeft op 3 mei 2019 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 31 januari 2020 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. De onder randnummer 7 bedoelde termijn voor het inzenden van stukken is daarmee overschreden.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend (1) voor zover bij de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van het in het arrest genoemde slachtoffers vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast alsmede (2) wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan in de mate die de Hoge Raad gepast acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Na verwijzing als beslist in HR 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:544.
Voor zover aftrek als bedoeld in art. 27a Sr is bevolen, is thans art. 6.2.7 Sv van toepassing.