Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2020:400
2020-01-21
Strafrecht
18/04345
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:576 → ECLI:NL:PHR:2020:400
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit valsheid in geschrift en deelnemen aan criminele organisatie. Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Samenhang met 18/03558, 18/04339, 18/04341, 18/04342 P, 18/04344, 18/04967, 18/04968, 18/04971 P, 18/04972 en 18/04974.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.041 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/04345 P
Zitting 21 januari 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de betrokkene.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 6 juni 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 316.272,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De zaak hangt samen met de zaken met nummers 18/03558, 18/04339, 18/04341, 18/04342, 18/04344, 18/04967, 18/04968, 18/04971, 18/04972 en 18/04974. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Tegen de uitspraak is namens de betrokkene beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 26 februari 2019 betekend. Mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft zich in cassatie als raadsman van de betrokkene gesteld en is tijdig, bij brief van 4 maart 2019, van de aanzegging aan zijn cliënt in kennis gesteld. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 29 april 2019. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan zij ingevolge art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, niet in haar cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/04345 P
Zitting 21 januari 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[betrokkene] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de betrokkene.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 6 juni 2018 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 316.272,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De zaak hangt samen met de zaken met nummers 18/03558, 18/04339, 18/04341, 18/04342, 18/04344, 18/04967, 18/04968, 18/04971, 18/04972 en 18/04974. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Tegen de uitspraak is namens de betrokkene beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 26 februari 2019 betekend. Mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft zich in cassatie als raadsman van de betrokkene gesteld en is tijdig, bij brief van 4 maart 2019, van de aanzegging aan zijn cliënt in kennis gesteld. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 29 april 2019. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan zij ingevolge art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, niet in haar cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG