Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2020:1051
2020-08-25
Strafrecht
19/02853
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:1755 → ECLI:NL:PHR:2020:1051
Inhoudsindicatie
Medeplegen gewoontewitwassen, hawala-bankieren (art. 420ter Sr) en deelname aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). Geen middelen ingediend, cassatieberoep n-o (art. 437.2 Sv). Samenhang met 18/04416 en 19/02851. Vervolg op ECLI:NL:HR:2014:3046.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2014:3046 Hoge Raad 28-10-2014
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4065 Gerechtshof Amsterdam 05-07-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.580 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/02853
Zitting 25 augustus 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft – nadat de Hoge Raad bij arrest van 28 oktober 2014 de eerdere uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 15 februari 2013 had vernietigd en de zaak had teruggewezen – bij arrest van 5 juli 2018 de verdachte wegens 1. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring uitgesproken van een bestelauto en van een geldbedrag van € 100.000,-. Ten slotte heeft het hof ten aanzien van de in het arrest vermelde in beslag genomen voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast of de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast.
2. De zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] (18/04416) en [medeverdachte 2] (19/02851). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid Sv is op 12 juli 2019 in persoon aan de verdachte betekend. Op 24 juli 2019 is voorts mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam).
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324 m.nt. Borgers
ECLI:NL:GHAMS:2018:4065
Uit de stukken van het geding blijkt dat mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, zich in cassatie als advocaat van de verdachte heeft gesteld. Deze stelbrief is op 23 juli 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/02853
Zitting 25 augustus 2020
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft – nadat de Hoge Raad bij arrest van 28 oktober 2014 de eerdere uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 15 februari 2013 had vernietigd en de zaak had teruggewezen – bij arrest van 5 juli 2018 de verdachte wegens 1. “medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken” en 3. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof de verbeurdverklaring uitgesproken van een bestelauto en van een geldbedrag van € 100.000,-. Ten slotte heeft het hof ten aanzien van de in het arrest vermelde in beslag genomen voorwerpen de teruggave aan de verdachte gelast of de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast.
2. De zaak hangt samen met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] (18/04416) en [medeverdachte 2] (19/02851). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid Sv is op 12 juli 2019 in persoon aan de verdachte betekend. Op 24 juli 2019 is voorts mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam).
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
ECLI:NL:HR:2014:3046, NJ 2015/324 m.nt. Borgers
ECLI:NL:GHAMS:2018:4065
Uit de stukken van het geding blijkt dat mr. B.C. Swier, advocaat te Amsterdam, zich in cassatie als advocaat van de verdachte heeft gesteld. Deze stelbrief is op 23 juli 2019 bij de Hoge Raad binnengekomen.