Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2019:913
2019-09-24
Strafrecht
17/05740
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:1643 → ECLI:NL:PHR:2019:913
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Middel bevat enkel de klacht dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Conclusie strekt ertoe dat de verdachte in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard. Samenhang met 15/05643, 17/05745, 18/00234 en 18/04966.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2012:BX0132 Hoge Raad 11-09-2012
- ECLI:NL:HR:2016:1005 Hoge Raad 07-06-2016
- ECLI:NL:HR:2012:BX0146 Hoge Raad 11-09-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.765 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 17/05740
Zitting 24 september 2019
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 1 december 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet alsmede het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. ”medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 5. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
De zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (15/05643), [medeverdachte 2] (17/05745), [medeverdachte 3] (18/00234) en [medeverdachte 4] (18/04966), waarin ik vandaag ook concludeer.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Het middel strekt er slechts toe te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De verdachte heeft kennelijk geen (cassatie)klachten over de bestreden uitspraak en/of over de behandeling van de zaak door het hof. Daarmee betreft het een klacht die onvoldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. Bleichrodt en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, rov. 2.4.2, HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.4.2. en A.J.A. van Dorst, ‘Cassatie in strafzaken’, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 214.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 17/05740
Zitting 24 september 2019
CONCLUSIE
F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 1 december 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet alsmede het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. ”medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 5. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
De zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (15/05643), [medeverdachte 2] (17/05745), [medeverdachte 3] (18/00234) en [medeverdachte 4] (18/04966), waarin ik vandaag ook concludeer.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Het middel strekt er slechts toe te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De verdachte heeft kennelijk geen (cassatie)klachten over de bestreden uitspraak en/of over de behandeling van de zaak door het hof. Daarmee betreft het een klacht die onvoldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zie HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. Bleichrodt en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, rov. 2.4.2, HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.4.2. en A.J.A. van Dorst, ‘Cassatie in strafzaken’, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 214.