Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2019:905
2019-07-09
Strafrecht
18/03024
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:1355 → ECLI:NL:PHR:2019:905
Inhoudsindicatie
Te laat ingesteld cassatieberoep, verdachte n-o.
Citeert (1)
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.899 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03024
Zitting 9 juli 2019
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
De verdachte is blijkens het extract-arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 juni 2003 (met rolnummer 23/003278-01) bij verstek wegens “medeplegen van valsheid in geschrift” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van het voorarrest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo, heeft een schriftuur ingediend.
Inleiding
3. Vooropgesteld dient te worden dat volgens HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT57 een ‘extract-arrest’ niet is een arrest dat voldoet aan de ingevolge art. 415 Sv toepasselijke wettelijke eisen, in het bijzonder die van art. 365a in verbinding met art. 138b Sv. Ik meen evenwel dat deze rechtspraak geen consequenties heeft voor het onderhavige geval en licht dit als volgt toe.
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4. Vanaf 14 april 2004 is sprake geweest van een signaleringsdatum ten einde het arrest van het gerechtshof van 6 juni 2003 aan de verdachte te doen betekenen. Uit de stukken van het geding kan worden afgeleid dat het arrest op 26 april 2007 respectievelijk 26 oktober 2007 aan de verdachte is betekend. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat de raadsman van de verdachte op 13 oktober 2008 ter zake van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 juni 2003 met rolnummer 23/003278-01 namens de verdachte een gratieverzoek heeft ingediend bij (de betreffende dienst van) het Ministerie van Justitie en dat de verdachte daartoe een voorstel heeft gedaan aan dit gerechtshof in het adviesformulier. Uit zowel het gratieverzoek (het beslisschema) als het adviesformulier blijkt dat de verdachte toen reeds ermee bekend was dat voormeld arrest van het hof onherroepelijk was (en is). Derhalve heeft zich in de onderhavige zaak een omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat meergenoemd arrest de verdachte reeds op 26 april 2007 respectievelijk 26 oktober 2007 en in ieder geval op 13 oktober 2008 bekend was.
5. Nu het beroep in cassatie pas op 15 mei 2018 is ingesteld, is de verdachte ingevolge art. 432, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk in het beroep.
6. Deze conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het verbaast dan ook dat in de schriftuur te lezen valt dat na het bekend worden van het arrest bij de verdachte tijdig cassatie is ingesteld.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/03024
Zitting 9 juli 2019
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
De verdachte is blijkens het extract-arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 juni 2003 (met rolnummer 23/003278-01) bij verstek wegens “medeplegen van valsheid in geschrift” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van het voorarrest.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo, heeft een schriftuur ingediend.
Inleiding
3. Vooropgesteld dient te worden dat volgens HR 6 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT57 een ‘extract-arrest’ niet is een arrest dat voldoet aan de ingevolge art. 415 Sv toepasselijke wettelijke eisen, in het bijzonder die van art. 365a in verbinding met art. 138b Sv. Ik meen evenwel dat deze rechtspraak geen consequenties heeft voor het onderhavige geval en licht dit als volgt toe.
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4. Vanaf 14 april 2004 is sprake geweest van een signaleringsdatum ten einde het arrest van het gerechtshof van 6 juni 2003 aan de verdachte te doen betekenen. Uit de stukken van het geding kan worden afgeleid dat het arrest op 26 april 2007 respectievelijk 26 oktober 2007 aan de verdachte is betekend. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat de raadsman van de verdachte op 13 oktober 2008 ter zake van het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 juni 2003 met rolnummer 23/003278-01 namens de verdachte een gratieverzoek heeft ingediend bij (de betreffende dienst van) het Ministerie van Justitie en dat de verdachte daartoe een voorstel heeft gedaan aan dit gerechtshof in het adviesformulier. Uit zowel het gratieverzoek (het beslisschema) als het adviesformulier blijkt dat de verdachte toen reeds ermee bekend was dat voormeld arrest van het hof onherroepelijk was (en is). Derhalve heeft zich in de onderhavige zaak een omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat meergenoemd arrest de verdachte reeds op 26 april 2007 respectievelijk 26 oktober 2007 en in ieder geval op 13 oktober 2008 bekend was.
5. Nu het beroep in cassatie pas op 15 mei 2018 is ingesteld, is de verdachte ingevolge art. 432, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk in het beroep.
6. Deze conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Het verbaast dan ook dat in de schriftuur te lezen valt dat na het bekend worden van het arrest bij de verdachte tijdig cassatie is ingesteld.