Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2017:1034
2017-08-29
Strafrecht
16/03180
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:2584 → ECLI:NL:PHR:2017:1034 gevolgd
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Geen middelen ingediend, betrokkene n-o. Samenhang met 15/05959, 16/03832 en 16/03833.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.661 tekens)
Nr. 16/03180 P
Zitting: 29 augustus 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 13 juni 2016 waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 90.172,00 en aan de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel.
Er bestaat samenhang met de zaken 15/05959, 16/03832 P en 16/03833 P. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
De betrokkene heeft tijdig beroep in cassatie doen instellen. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens hem geen middelen van cassatie voorgesteld.
Art. 511h Sv schrijft in verbinding met art. 437, tweede lid, Sv, voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie moet zijn ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, dient de betrokkene in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de betrokkene in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zitting: 29 augustus 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 13 juni 2016 waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op € 90.172,00 en aan de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel.
Er bestaat samenhang met de zaken 15/05959, 16/03832 P en 16/03833 P. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
De betrokkene heeft tijdig beroep in cassatie doen instellen. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens hem geen middelen van cassatie voorgesteld.
Art. 511h Sv schrijft in verbinding met art. 437, tweede lid, Sv, voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie moet zijn ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, dient de betrokkene in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van de betrokkene in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG