Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2017:10
2017-01-13
Civiel recht
16/06133
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:304 → ECLI:NL:PHR:2017:10 gevolgd
Inhoudsindicatie
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad; hersteltermijn.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BI0773 Hoge Raad 10-07-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.976 tekens)
16/06133
Mr. F.F. Langemeijer
13 januari 2017
Conclusie inzake:
[verzoekster]
tegen
[verweerder]
1. [verzoekster] heeft een vordering ingesteld tegen [verweerder] als gedaagde, tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden doordat hij op haar perceel takken van bomen heeft afgezaagd en bomen heeft gekapt. Bij tussenvonnis van 2 juli 2013 heeft de rechtbank Overijssel aan gedaagde bewijs opgedragen. Bij eindvonnis van 22 oktober 2013 heeft de rechtbank de gevorderde vergoeding (in hoofdsom € 7.686,24) toegewezen, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
2. Op het hoger beroep van gedaagde heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 27 september 2016 beide vonnissen vernietigd. Opnieuw recht doende, heeft het hof een vergoeding toegewezen van € 280,- plus € 3.650,-, dit laatste bedrag te vermeerderen met BTW. Het hof heeft de proceskosten in eerste aanleg gecompenseerd en [verzoekster] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de appellant begroot op in totaal € 3.783,44.
3. Bij brief gedateerd 29 november 2016 heeft [verzoekster] zich tot de Hoge Raad gewend met het verzoek het arrest van 27 september 2016 te vernietigen. Dit verzoekschrift in cassatie was in strijd met art. 426a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim is niet binnen twee weken hersteld, hoewel [verzoekster] door de griffie hierop is geattendeerd. Bovendien is een verkeerde rechtsingang gekozen; zie art. 407 lid 1 Rv. Bij brief van 10 december 2016 heeft [verzoekster] in haar verzoek volhard.
4. Om deze reden luidt de conclusie dat [verzoekster] niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv
Vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders.
Mr. F.F. Langemeijer
13 januari 2017
Conclusie inzake:
[verzoekster]
tegen
[verweerder]
1. [verzoekster] heeft een vordering ingesteld tegen [verweerder] als gedaagde, tot vergoeding van schade die zij stelt te hebben geleden doordat hij op haar perceel takken van bomen heeft afgezaagd en bomen heeft gekapt. Bij tussenvonnis van 2 juli 2013 heeft de rechtbank Overijssel aan gedaagde bewijs opgedragen. Bij eindvonnis van 22 oktober 2013 heeft de rechtbank de gevorderde vergoeding (in hoofdsom € 7.686,24) toegewezen, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
2. Op het hoger beroep van gedaagde heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 27 september 2016 beide vonnissen vernietigd. Opnieuw recht doende, heeft het hof een vergoeding toegewezen van € 280,- plus € 3.650,-, dit laatste bedrag te vermeerderen met BTW. Het hof heeft de proceskosten in eerste aanleg gecompenseerd en [verzoekster] veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de appellant begroot op in totaal € 3.783,44.
3. Bij brief gedateerd 29 november 2016 heeft [verzoekster] zich tot de Hoge Raad gewend met het verzoek het arrest van 27 september 2016 te vernietigen. Dit verzoekschrift in cassatie was in strijd met art. 426a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim is niet binnen twee weken hersteld, hoewel [verzoekster] door de griffie hierop is geattendeerd. Bovendien is een verkeerde rechtsingang gekozen; zie art. 407 lid 1 Rv. Bij brief van 10 december 2016 heeft [verzoekster] in haar verzoek volhard.
4. Om deze reden luidt de conclusie dat [verzoekster] niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv
Vgl. HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212 m.nt. H.J. Snijders.