Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2016:269
2016-02-23
Strafrecht
15/01054
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:682 → ECLI:NL:PHR:2016:269 gevolgd
Inhoudsindicatie
Plukze zaak. Geen middelen ingediend. Verdachte n.-o. ex art. 437 lid 2 Sv. Samenhang met 15/01050.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.493 tekens)
Nr. 15/01054
Zitting: 23 februari 2016
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Bij arrest van 30 januari 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, aan betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag € 3.500,00 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/01050 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.
Namens de betrokkene is op 10 februari 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 13 mei 2015 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zitting: 23 februari 2016
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Bij arrest van 30 januari 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, aan betrokkene de verplichting opgelegd om een bedrag € 3.500,00 aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/01050 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.
Namens de betrokkene is op 10 februari 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 13 mei 2015 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na betekening van de aanzegging door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG