Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2016:1311
2016-11-22
Strafrecht
15/02325
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:23 → ECLI:NL:PHR:2016:1311 gevolgd
Inhoudsindicatie
Geen middelen van cassatie ingediend, verdachte n-o ex art. 437.2 Sv. Samenhang met 15/03063.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.920 tekens)
Nr. 15/02325
Zitting: 22 november 2016
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 1 mei 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Het hof heeft in het genoemde arrest daarnaast de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.250,- en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de verdachte die onder nr. 15/03063 bij de Hoge Raad aanhangig is. In deze laatste zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte is tegen het arrest van het hof van 1 mei 2015 beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 9 maart 2016 aan de verdachte betekend. De in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 7 maart 2016. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zitting: 22 november 2016
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 1 mei 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Het hof heeft in het genoemde arrest daarnaast de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.250,- en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Deze zaak hangt samen met de zaak tegen de verdachte die onder nr. 15/03063 bij de Hoge Raad aanhangig is. In deze laatste zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte is tegen het arrest van het hof van 1 mei 2015 beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 9 maart 2016 aan de verdachte betekend. De in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 7 maart 2016. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG