Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2016:1289
2016-11-08
Strafrecht
15/02283
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:2921 → ECLI:NL:PHR:2016:1289 gevolgd
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Met 15/02282 samenhangende peek (betrokkene n-o in cassatieberoep, geen middelen ingediend).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.625 tekens)
Nr. 15/02283 P
Zitting: 8 november 2016
(bij vervroeging)
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 8 mei 2015 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 105.638,05 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Er bestaat samenhang met de zaak met rolnummer 15/02282. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de betrokkene heeft de waarnemend griffier bij het gerechtshof Amsterdam op 20 mei 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 511h Sv in verbinding met art. 435, eerste lid, Sv is op 2 februari 2016 betekend. Art. 511h Sv in verbinding met art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zitting: 8 november 2016
(bij vervroeging)
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[betrokkene]
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 8 mei 2015 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 105.638,05 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Er bestaat samenhang met de zaak met rolnummer 15/02282. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de betrokkene heeft de waarnemend griffier bij het gerechtshof Amsterdam op 20 mei 2015 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 511h Sv in verbinding met art. 435, eerste lid, Sv is op 2 februari 2016 betekend. Art. 511h Sv in verbinding met art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de betrokkene niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG