Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2016:1151
2016-10-04
Strafrecht
14/05238
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:2649 → ECLI:NL:PHR:2016:1151 contrair
Inhoudsindicatie
Verklaring raadsman medeverdachte geen wettig bewijsmiddel. Art. 339.1 Sv. Gegronde klacht dat het hof t.t.z. gedane mededeling van raadsman van medeverdachte niet als bewijsmiddel in zaak verdachte had mogen aanmerken. Dat de medeverdachte geen afstand heeft genomen van de verklaring van zijn gemachtigd raadsman, maakt dat niet anders. De klacht dat niet de inhoud van een bewijsmiddel is weergegeven slaagt o.g.v. art. 359.3 Sv eveneens. CAG: anders.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:1005 Hoge Raad 07-06-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.623 tekens)
Nr. 14/05238
Zitting: 4 oktober 2016
Mr. E.J. Hofstee
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2014.
Tegen deze uitspraak is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld.
Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft tijdig twee middelen van cassatie namens de verdachte voorgesteld.
Er bestaat samenhang met de zaken 14/05232P, 15/00780 en 15/00784P. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.
Onder verwijzing naar HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 meen ik dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en/of de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Wat betreft het eerste middel merk ik nog op dat het feitelijke grondslag mist; niet de ‘verklaring’ van de raadsman wordt voor het bewijs gebruikt, maar de verklaring van de medeverdachte, die iets heeft gezegd op een vraag van de advocaat-generaal bij het hof (zie arrest, blad 7). Bovendien is dit aspect van ondergeschikt belang, gelet op de bewijsconstructie voor het overige.
Ik stel mij daarom op het standpunt dat het beroep in cassatie met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zitting: 4 oktober 2016
Mr. E.J. Hofstee
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
Het cassatieberoep richt zich tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 6 oktober 2014.
Tegen deze uitspraak is namens de verdachte cassatieberoep ingesteld.
Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft tijdig twee middelen van cassatie namens de verdachte voorgesteld.
Er bestaat samenhang met de zaken 14/05232P, 15/00780 en 15/00784P. Ook in deze zaken zal ik vandaag concluderen.
Onder verwijzing naar HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005 meen ik dat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden en/of de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. Wat betreft het eerste middel merk ik nog op dat het feitelijke grondslag mist; niet de ‘verklaring’ van de raadsman wordt voor het bewijs gebruikt, maar de verklaring van de medeverdachte, die iets heeft gezegd op een vraag van de advocaat-generaal bij het hof (zie arrest, blad 7). Bovendien is dit aspect van ondergeschikt belang, gelet op de bewijsconstructie voor het overige.
Ik stel mij daarom op het standpunt dat het beroep in cassatie met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG