Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2015:2112
2015-09-08
Strafrecht
14/04769
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:3210 → ECLI:NL:PHR:2015:2112 gevolgd
Inhoudsindicatie
Antilliaanse zaak. Ve n-o, geen middelen ingediend.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.665 tekens)
Nr. 14/04769
Zitting: 8 september 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 27 maart 2014 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met een proeftijd van drie jaren en tot een werkstraf van zestig uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaken 14/02040, 14/04768 en 14/04772. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Tegen deze uitspraak is namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 17 oktober 2014 in persoon aan verdachte betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 16 december 2014. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437 lid 2 Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zitting: 8 september 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 27 maart 2014 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met een proeftijd van drie jaren en tot een werkstraf van zestig uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaken 14/02040, 14/04768 en 14/04772. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Tegen deze uitspraak is namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.
De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 17 oktober 2014 in persoon aan verdachte betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 16 december 2014. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437 lid 2 Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG