Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2015:1013

2015-06-16 Strafrecht 14/02985
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2015-06-16
Publicatiedatum
2015-07-07
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
14/02985
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Verdachte n-o in cassatieberoep, nu niet tijdig door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.900 tekens)
Nr. 14/02985
Zitting: 16 juni 2015




Mr. Aben

Conclusie inzake:


[verdachte]










1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 mei 2014 de verdachte ter zake van “diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.



2. Deze zaak hangt samen met zaaknummer 14/02986. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.



3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld.



4. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 29 januari 2014 aan de verdachte in persoon betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 31 maart 2014. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.



5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.



6. Namens de benadeelde partij heeft mr. W.M. Chung, advocaat te Amsterdam, een ‘middel van cassatie’ voorgesteld.



7. Nu de verdachte niet in zijn beroep in cassatie kan worden ontvangen, is de Hoge Raad niet bevoegd tot de beoordeling van de op de voet van art. 437, derde lid, Sv ingediende schriftuur van de benadeelde partij. Overigens betreft het middel geen klacht- laat staan een stellige en duidelijke klacht - over de schending van een rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift bij het beslissen op de door de benadeelde partij ingediende vordering. Daarom is geen sprake van een cassatiemiddel in de zin van art. 437, derde lid, Sv. Het voorgestelde ‘middel’ dient derhalve ook om die reden onbesproken te blijven.



8. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.




De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,



AG


Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4207, NJ 2003/329 en HR 12 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6052.


Het middel luidt: “Cliënte verzoekt uw College om het arrest zoals in deze zaak op 22 mei 2014 gewezen door het Gerechtshof te Amsterdam te bevestigen”.