Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2014:1672
2014-07-01
Strafrecht
12/03336
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:2915 → ECLI:NL:PHR:2014:1672 gevolgd
Inhoudsindicatie
Aanwenden rechtsmiddel door NN-verdachte. De HR ziet geen aanleiding terug te komen op het oordeel dat uit de art. 449-452 Sv, welke bepalingen de wijze regelen waarop rechtsmiddelen dienen te worden aangewend, moet worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens. Blijkens de akte van cassatie heeft verdachte het beroep ingesteld onder “NN1290320071650”. Nu verdachte heeft nagelaten het rechtsmiddel aan te wenden onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens, kan zij niet in het cassatieberoep worden ontvangen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2012:BX4153 Hoge Raad 04-09-2012
- ECLI:NL:HR:2013:CA3293 Hoge Raad 18-06-2013
- ECLI:NL:HR:2013:886 Hoge Raad 08-10-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.264 tekens)
Nr. 12/03336
Mr. Machielse
Zitting 1 juli 2014
Conclusie inzake:
NN1290320071650
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 26 juni 2012 voor feit 2 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen en medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen. Voorts heeft het hof beslist op vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest is vermeld.
2. Mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3. De steller van het middel gaat in op de vraag of het cassatieberoep wel ontvankelijk is gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over het aanwenden van een rechtsmiddel door een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid. De schriftuur put zich uit in het aanreiken van argumenten, ontleend aan het nationale en internationale recht, om de Hoge Raad ertoe te bewegen zijn vaste rechtspraak, die een aanvang neemt in HR 27 februari 2001, NJ 2001, 499 m.nt. Schalken, te verlaten.
4. De afgelopen jaren heeft de Hoge Raad er blijk van gegeven het in 2001 ingenomen standpunt te willen handhaven. In de uitvoerige schriftuur in de onderhavige zaak kan ik geen elementen onderscheiden die de Hoge Raad niet al eerder bij zijn beschouwingen had kunnen betrekken. Ik zie geen reden voor een wijziging van de huidige koers.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Deze zaak hangt samen met nrs. 12/03337 ([medeverdachte 1]), 12/03339 ([medeverdachte 2]) en 12/03341 ([medeverdachte 3]) in welke zaken ik ook vandaag concludeer.
Zie bijvoorbeeld HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153; HR 18 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3293; HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:886; HR 4 maart 2014, nr. 13/00709 (niet gepubliceerd).
Mr. Machielse
Zitting 1 juli 2014
Conclusie inzake:
NN1290320071650
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 26 juni 2012 voor feit 2 primair: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen en medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen. Voorts heeft het hof beslist op vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest is vermeld.
2. Mr. J.W. Soeteman, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3. De steller van het middel gaat in op de vraag of het cassatieberoep wel ontvankelijk is gelet op de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over het aanwenden van een rechtsmiddel door een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid. De schriftuur put zich uit in het aanreiken van argumenten, ontleend aan het nationale en internationale recht, om de Hoge Raad ertoe te bewegen zijn vaste rechtspraak, die een aanvang neemt in HR 27 februari 2001, NJ 2001, 499 m.nt. Schalken, te verlaten.
4. De afgelopen jaren heeft de Hoge Raad er blijk van gegeven het in 2001 ingenomen standpunt te willen handhaven. In de uitvoerige schriftuur in de onderhavige zaak kan ik geen elementen onderscheiden die de Hoge Raad niet al eerder bij zijn beschouwingen had kunnen betrekken. Ik zie geen reden voor een wijziging van de huidige koers.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Deze zaak hangt samen met nrs. 12/03337 ([medeverdachte 1]), 12/03339 ([medeverdachte 2]) en 12/03341 ([medeverdachte 3]) in welke zaken ik ook vandaag concludeer.
Zie bijvoorbeeld HR 4 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4153; HR 18 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3293; HR 8 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:886; HR 4 maart 2014, nr. 13/00709 (niet gepubliceerd).