Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2013:1905
2013-12-06
Civiel recht
13/04908
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:269 → ECLI:NL:PHR:2013:1905 gevolgd
Inhoudsindicatie
Verzoek tot herstel van gezamenlijk ouderlijk gezag. Cassatieberoep niet-ontvankelijk. Cassatieverzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad, art. 426a lid 1 Rv.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BI0773 Hoge Raad 10-07-2009
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.812 tekens)
13/04908
Mr. F.F. Langemeijer
6 december 2013
Conclusie inzake:
[de man]
tegen
[de vrouw]
1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 8 mei 2003 is echtscheiding uitgesproken en is de vrouw belast met het gezag over de op [geboortedatum] 1994 geboren dochter.
2. Bij beschikking van 19 juli 2012 heeft de rechtbank te Rotterdam een verzoek van de man tot herstel van het gezamenlijk gezag van de ouders afgewezen. De dochter was inmiddels meerderjarig. Bij beschikking van 20 februari 2013 heeft het gerechtshof Den Haag de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
3. Bij brief, op 13 mei 2013 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad, heeft de man cassatie van die beschikking verzocht. De man is door de griffie gewezen op het voorschrift dat een cassatieverzoekschrift in burgerlijke zaken moet worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad (art. 426a lid 1 Rv). In een (evenmin door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekend) schrijven, ter griffie ingekomen op 14 oktober 2013, heeft de man verzocht het daarbij gevoegde cassatieverzoek toch in behandeling te nemen. De man stelt dat hij geen advocaat bij de Hoge Raad bereid heeft gevonden in deze kwestie voor hem een cassatieverzoekschrift in te dienen.
4. Art. 426 lid 1 Rv bepaalt de cassatietermijn op drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Die termijn is overschreden. De brief van 13 mei 2013 is niet aan te merken als een door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekend cassatieverzoekschrift. Naar ik uit de overgelegde bescheiden begrijp, heeft de man zich vergeefs gewend tot verscheidene advocaten die deze zaak niet hebben willen aannemen. Op grond van art. 13 Advocatenwet kan in zo’n situatie de Deken van de Orde van Advocaten een advocaat aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn om dit niet te doen. Blijkens de overgelegde documenten, is een aanwijzing door de Deken achterwege gebleven omdat de cassatietermijn al was verstreken toen zij werd verzocht.
5. Voor het subsidiaire verzoek dat de Hoge Raad zelf een advocaat aanwijst om de man te vertegenwoordigen, biedt de wet geen grondslag. Overigens zou dat zinloos zijn geweest, nu de cassatietermijn is verstreken en geen nieuw cassatieverzoek meer kan worden ingediend. Behandeling van alleen het op 13 mei 2013 cassatieverzoek zou m.i. hebben geleid tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
6. Om deze redenen strekt de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
De herstelmogelijkheid van HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212, is niet benut.
Mr. F.F. Langemeijer
6 december 2013
Conclusie inzake:
[de man]
tegen
[de vrouw]
1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 8 mei 2003 is echtscheiding uitgesproken en is de vrouw belast met het gezag over de op [geboortedatum] 1994 geboren dochter.
2. Bij beschikking van 19 juli 2012 heeft de rechtbank te Rotterdam een verzoek van de man tot herstel van het gezamenlijk gezag van de ouders afgewezen. De dochter was inmiddels meerderjarig. Bij beschikking van 20 februari 2013 heeft het gerechtshof Den Haag de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
3. Bij brief, op 13 mei 2013 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad, heeft de man cassatie van die beschikking verzocht. De man is door de griffie gewezen op het voorschrift dat een cassatieverzoekschrift in burgerlijke zaken moet worden ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad (art. 426a lid 1 Rv). In een (evenmin door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekend) schrijven, ter griffie ingekomen op 14 oktober 2013, heeft de man verzocht het daarbij gevoegde cassatieverzoek toch in behandeling te nemen. De man stelt dat hij geen advocaat bij de Hoge Raad bereid heeft gevonden in deze kwestie voor hem een cassatieverzoekschrift in te dienen.
4. Art. 426 lid 1 Rv bepaalt de cassatietermijn op drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Die termijn is overschreden. De brief van 13 mei 2013 is niet aan te merken als een door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekend cassatieverzoekschrift. Naar ik uit de overgelegde bescheiden begrijp, heeft de man zich vergeefs gewend tot verscheidene advocaten die deze zaak niet hebben willen aannemen. Op grond van art. 13 Advocatenwet kan in zo’n situatie de Deken van de Orde van Advocaten een advocaat aanwijzen, tenzij er gegronde redenen zijn om dit niet te doen. Blijkens de overgelegde documenten, is een aanwijzing door de Deken achterwege gebleven omdat de cassatietermijn al was verstreken toen zij werd verzocht.
5. Voor het subsidiaire verzoek dat de Hoge Raad zelf een advocaat aanwijst om de man te vertegenwoordigen, biedt de wet geen grondslag. Overigens zou dat zinloos zijn geweest, nu de cassatietermijn is verstreken en geen nieuw cassatieverzoek meer kan worden ingediend. Behandeling van alleen het op 13 mei 2013 cassatieverzoek zou m.i. hebben geleid tot een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.
6. Om deze redenen strekt de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
De herstelmogelijkheid van HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773, NJ 2010/212, is niet benut.