Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2012:BU4000
2012-01-17
Strafrecht
11/01356
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2012:BU4000 → ECLI:NL:PHR:2012:BU4000
- conclusieVoorCassatie ECLI:NL:PHR:2012:BU4000 → ECLI:NL:GHSGR:2010:BO1553
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend. De HR verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.114 tekens)
Nr. 11/01356
Mr. Vellinga
Zitting: 8 november 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft - behoudens ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan - bij arrest van 25 oktober 2010, onder aanvulling van gronden ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1], bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Dordrecht - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - waarbij verdachte wegens "1. Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" is veroordeeld, het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en de motivering daarvan vernietigd en verdachte de straf opgelegd van vijf jaren en negen maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 7.157,85 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Voor het toegewezen bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/01356, 11/01054 en 11/01358. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Mr. Vellinga
Zitting: 8 november 2011
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft - behoudens ten aanzien van de strafoplegging en de motivering daarvan - bij arrest van 25 oktober 2010, onder aanvulling van gronden ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1], bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Dordrecht - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - waarbij verdachte wegens "1. Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" is veroordeeld, het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en de motivering daarvan vernietigd en verdachte de straf opgelegd van vijf jaren en negen maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 7.157,85 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Voor het toegewezen bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/01356, 11/01054 en 11/01358. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
4. Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG