Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2009:BJ1009

2009-10-09 Civiel recht; Personen- en familierecht 09/00874
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2009-10-09
Publicatiedatum
2013-04-05
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
—
Zaaknummer
09/00874
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2009, 1166 | NJB 2009, 1871 | JWB 2009/365 | JPF 2010/33 met annotatie van P. Vlaardingerbroek

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Familierecht. Verlening machtiging uithuisplaatsing minderjarige. Verzoekschrift niet getekend door advocaat bij de Hoge Raad; niet-ontvankelijk cassatieberoep (art. 426a lid 1 Rv). Geen herstel door later ingediend tweede verzoekschrift, omdat dat niet is ingediend binnen 14 dagen na binnenkomst ter griffie van het eerste verzoekschrift.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.920 tekens)
09/00874
Mr. F.F. Langemeijer
Parket, 30 juni 2009


Conclusie inzake:

[Verzoekers]

tegen


1. Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden
2. [Verweerder 2]
3. [Verweerder 3]


1. Deze kinderbeschermingszaak leent zich voor een verkorte conclusie. Bij beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 24 juli 2008 is op verzoek van Bureau Jeugdzorg Haaglanden de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [het kind] (geboren [geboortedatum] 2001) verlengd tot 23 oktober 2008. De rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen, met inbegrip van het zelfstandig verzoek van de pleegouders - thans verzoekers tot cassatie - om dit kind bij hen terug te plaatsen.

2. De pleegouders hebben bij het gerechtshof te 's-Gravenhage hoger beroep ingesteld tegen deze beslissing. Bij beschikking van 3 december 2008 heeft het hof hen niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep, op de grond dat zij daarbij geen belang meer hebben omdat de geldigheidsduur van de machtiging tot uithuisplaatsing inmiddels is verstreken.

3. Bij verzoekschrift d.d. 2 maart 2009, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 3 maart 2009, heeft een advocaat te Rotterdam cassatieberoep ingesteld. Nadat deze erop was geattendeerd dat het verzoekschrift niet was getekend door een advocaat bij de Hoge Raad (art. 426a lid 1 Rv), is eerst op 20 maart 2009 een door mr. J.C. Meijroos, advocaat bij de Hoge Raad, ondertekend cassatieverzoekschrift ontvangen.

4. Het op 3 maart 2009 ingekomen cassatieberoep is niet-ontvankelijk omdat dit niet voldoet aan de vereisten van art. 426a lid 1 Rv. Het op 20 maart 2009 ingekomen cassatieberoep is niet-ontvankelijk omdat het te laat is ingediend: zie art. 426 lid 1 Rv. Anders dan het begeleidend schrijven doet voorkomen, kan het op 20 maart 2009 ontvangen cassatieverzoekschrift niet worden gebracht onder de herstelmogelijkheid die in de rechtspraak van de Hoge Raad is erkend ten aanzien van bij faxcopie ingediende rekesten. Weliswaar kan het gebrek dat een per faxpost ingekomen cassatierekest niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad worden hersteld door indiening ter griffie binnen korte tijd van een naar behoren ondertekend origineel exemplaar van het verzoekschrift, maar daarvan is in dit geval geen sprake, reeds omdat tussen 3 en 20 maart 2009 méér dan een korte tijd is verstreken(1).

5. Om deze reden kan een inhoudelijke bespreking van het cassatiemiddel achterwege blijven. De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.


De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,


1 HR 14 april 2000, NJ 2000, 359; HR 11 juli 2003, NJ 2003, 565, JBPr 2006, 31 m.nt. R.L.M. van Opstal; HR 11 februari 2005, NJ 2005, 143, JBPr 2005, 34 m.nt. M.T..H. de Koning; HR 16 december 2005, NJ 2006, 7.