Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2002:AD5568

2002-01-29 Strafrecht 03688/00
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2002-01-29
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
03688/00
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | JOL 2002, 57

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Nu de strafverzwarende omstandigheid (recidive) van art. 453 (oud) Sr niet is tenlastegelegd, kon ter zake van de bewezenverklaarde openbare dronkenschap geen hechtenis worden opgelegd.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.360 tekens)
Nr. 03688/00
Mr Wortel
Zitting: 6 november 2001



Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]



1. Verzoeker is door de Arrondissementsrechtbank te Almelo bij vonnis van 22 februari 2000, op tegenspraak gewezen, wegens diverse strafbare feiten veroordeeld, onder meer wegens 'zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden', voor welk feit de Rechtbank verzoeker één week hechtenis heeft opgelegd.
Tegen het vonnis heeft verzoeker onbeperkt hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 27 oktober 2000 heeft het Gerechtshof te Arnhem verstaan dat verzoeker ter zake van bovengenoemd feit, dat een overtreding oplevert, het voor hem openstaande rechtsmiddel van cassatie heeft willen aanwenden, en bepaald dat de stukken aan de Hoge Raad toegezonden dienden te worden.


2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld. Ambtshalve wijs ik op het volgende.


3. Het bewezenverklaarde feit (als feit 2 tenlastegelegd bij de onder parketnummer 08/015401-99 uitgebrachte inleidende dagvaarding) is begaan op 3 juli 1999.
Ten tijde van het begaan van deze overtreding was daarop in art. 435 Sr alleen geldboete gesteld. De opgelegde hechtenisstraf vindt derhalve niet haar grond in de toepasselijke strafbepaling zoals die ten tijde van het begaan van het feit luidde.


4. Het komt mij voor dat het zonder nader onderzoek van feitelijke aard, waarvoor het geding in cassatie zich niet leent, niet mogelijk is om te bepalen of ter zake van de bewezen verklaarde overtreding een geldstraf opgelegd dient te worden, overeenkomstig art. 435 (OUD) Sr, en welk bedrag die geldstraf dient te belopen, op de voet van art. 63 Sr mede in aanmerking genomen de straf en de maatregel die het Hof ter zake van de overige, aan verzoeker tenlastegelegde, feiten inmiddels heeft opgelegd.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging, tot verwijzing van de zaak ter verdere afdoening naar het Hof te Arnhem teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.


De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,