Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2001:AB2904
2001-10-02
Strafrecht
00153/01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2001:AB2904 → ECLI:NL:PHR:2001:AB2904
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.985 tekens)
Nr. 00153/01
Mr Machielse
Zitting: 19 juni 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij arrest van 28 september 2000 is verzoeker door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld ter zake van het "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod " tot een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden.(1)
2.1. Namens verzoeker heeft mr. S.E.M. Hooijman, advocaat te Amsterdam cassatieberoep ingesteld op 2 oktober 2000.
2.2. De aanzegging als bedoeld in artikel 435 Sv is aan verzoeker in persoon betekend op 12 februari 2001. Nadien is niet door een advocaat namens verzoeker een schriftuur, houdende zijn middelen van cassatie, bij de Hoge Raad ingediend.
2.3. Artikel 437, tweede lid Sv is bij Wet van 28 oktober 1999, Staatsblad 467 gewijzigd. Het gewijzigde artikel is in werking getreden op 1 oktober 2000.
2.4. Eerder genoemde wijzigingswet houdt als artikel VII een bepaling van overgangsrecht in. Kort gezegd houdt die bepaling in dat het gewijzigde artikel 437, tweede lid Sv niet van toepassing is in zaken waarin vóór de datum van inwerkingtreding het cassatieberoep was ingesteld.
2.5. Nu het cassatieberoep is ingesteld ná inwerkingtreding van de Wet van 28 oktober 1999, was verdachte, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen twee maanden na betekening van de aanzegging door zijn raadsman een cassatieschriftuur te doen indienen.
Nu dat niet is gebeurd, moet verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn cassatieberoep.
3. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Deze zaak hangt samen met de zaak, bekend onder griffienummer 00154/01, waarin ik heden eveneens concludeer.
Mr Machielse
Zitting: 19 juni 2001
Conclusie inzake:
[verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij arrest van 28 september 2000 is verzoeker door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld ter zake van het "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod " tot een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden.(1)
2.1. Namens verzoeker heeft mr. S.E.M. Hooijman, advocaat te Amsterdam cassatieberoep ingesteld op 2 oktober 2000.
2.2. De aanzegging als bedoeld in artikel 435 Sv is aan verzoeker in persoon betekend op 12 februari 2001. Nadien is niet door een advocaat namens verzoeker een schriftuur, houdende zijn middelen van cassatie, bij de Hoge Raad ingediend.
2.3. Artikel 437, tweede lid Sv is bij Wet van 28 oktober 1999, Staatsblad 467 gewijzigd. Het gewijzigde artikel is in werking getreden op 1 oktober 2000.
2.4. Eerder genoemde wijzigingswet houdt als artikel VII een bepaling van overgangsrecht in. Kort gezegd houdt die bepaling in dat het gewijzigde artikel 437, tweede lid Sv niet van toepassing is in zaken waarin vóór de datum van inwerkingtreding het cassatieberoep was ingesteld.
2.5. Nu het cassatieberoep is ingesteld ná inwerkingtreding van de Wet van 28 oktober 1999, was verdachte, op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om binnen twee maanden na betekening van de aanzegging door zijn raadsman een cassatieschriftuur te doen indienen.
Nu dat niet is gebeurd, moet verzoeker niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn cassatieberoep.
3. Deze conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
1 Deze zaak hangt samen met de zaak, bekend onder griffienummer 00154/01, waarin ik heden eveneens concludeer.