Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:1989:AJ5633

1989-02-21 Strafrecht 2316 Besch
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
1989-02-21
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
2316 Besch
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 1989, 704 | VR 1990, 3

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Toereikende motivering van beschikking tot verwerping van bezwaarschrift tegen inhouding van het rijbewijs.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.753 tekens)
AP
Nr. 2316 Rekest
Bezwaarschrift inhouding rijbewijs
Parket, 13 oktober 1988



Mr. Leijten

Conclusie inzake:


[klager]





Edelhoogachtbaar College,



De beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 14 juli 1988, waarbij is afgewezen het verzoek tot teruggave aan de verzoeker van diens op 24 maart 1988 door de gemeentepolitie te Alkmaar ingevorderde rijbewijs, is niet genoegzaam gemotiveerd. Daaruit blijkt immers niet dat het rijbewijs werd ingevorderd ter gelegenheid van een zeer ernstig geval van (verdenking van) overtreding van artikel 26 althans 33a lid 3 van de Wegenverkeerswet, waarbij de veiligheid van het verkeer in hoge mate was betrokken. Wel heeft de rechtbank overwogen dat, indien de verzoeker de beschikking over zijn rijbewijs zou herkrijgen, ook thans nog zodanige bedreiging van de veiligheid op de weg te duchten zou zijn, dat daardoor de verdere inhouding van het ingevorderde rijbewijs zou kunnen worden gerechtvaardigd. Dat zulks noodzakelijk insluit dat er sprake was van "een zeer ernstig geval" lijkt niet onverdedigbaar maar ik zou mij toch kunnen voorstellen dat het anders is. Bijvoorbeeld: het was niet een zeer ernstig geval, maar de persoon in kwestie is inmiddels "aan de drank geraakt".



De conclusie strekt - ambtshalve - tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, teneinde deze opnieuw te berechten en af te doen.



De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,




ALB
Nr. 2316
(verzoekschrift)
Parket, 18 januari 1989




Mr. Leijten

Conclusie inzake:


[klager]





Edelhoogachtbaar College,



Bij beschikking van 14 juli 1988 heeft de rechtbank te Alkmaar afgewezen het verzoek tot teruggave aan verzoeker van diens op 24 maart 1988 ingevorderd rijbewijs.
Tegen de beschikking heeft de verzoeker zich van beroep in cassatie voorzien. Mr. H.G. Kersting, advocaat te Amsterdam heeft bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld, inhoudende dat de rechtbank het bepaalde bij art. 24 en art. 25 Wv. niet heeft nageleefd en artikel 13 van het Verdrag van Rome heeft geschonden.



Ik meen dat de Hoge Raad op het middel niet behoeft in te gaan omdat de beschikking onvoldoende is gemotiveerd. Daaruit blijkt immers niet dat het rijbewijs is ingehouden naar aanleiding van verdenking van overtreding van art. 26 van de Wegenverkeerswet althans van art. 33a van die Wet in een zeer ernstig geval, waarbij de veiligheid van het verkeer in hoge mate was betrokken (HR 28 september 1982, NJ 1983, 256).



Wat het middel betreft:

(a) In de beschikking is kennelijk bij vergissing vermeld, dat de verzoeker op 14 juli 1988 in raadkamer is gehoord "bijgestaan door zijn advocaat".
(b) Bij brief van 22 juni 1988, ingekomen ten griffie van de rechtbank te Alkmaar op 23 juni 1988, heeft Mr. H.G. Kersting voornoemd het klaagschrift in deze zaak aan de griffie toegestuurd en verzocht hem de datum van de behandeling van deze zaak mee te delen.
(c) De griffier heeft Mr. Kersting bij brief van 23 juni 1988 meegedeeld dat ter griffie een akte van indiening van het bezwaarschrift moet worden opgemaakt.
(d) De akte is op 28 juni 1988 opgemaakt.
(e) Aan de verzoeker is op 11 juli 1988 in persoon betekend een oproeping om op 14 juli 1988 te 11.00 uur voor verhoor te verschijnen ter raadkamer van de rechtbank.
(f) Uit de stukken blijkt niet, dat Mr. Kersting voor dit verhoor is opgeroepen.
(g) Ter raadkamer heeft de verschenen verzoeker verklaard:

"Ik zie dat mijn raadsman er niet is. Ik weet niet waarom hij niet is gekomen."


Weliswaar heeft de verzoeker geen uitstel verzocht om de zaak te doen behandelen in aanwezigheid van zijn raadsman, maar dat neemt niet weg dat niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 51 Sv.

- dat ook voor rekestzaken geldt - inhoudende dat de raadsman van alle stukken
- en dus ook van de oproeping van de verzoeker voor verhoor - die ingevolge dat wetboek
- en m.i. ook ingevolge bepalingen van de Wegenverkeerswet (art. 27, lid 5, 3e alinea WVW) -

ter kennis van de verdachte worden gebracht, onverwijld afschrift krijgt. Niet naleving van die bepaling leidt tot nietigheid.
Ik zou het middel daarom, als het aan de orde komt, gegrond achten.



De conclusie strekt ertoe, dat de Hoge Raad ambtshalve de bestreden beschikking zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het hof van het ressort, teneinde deze opnieuw te berechten.



De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,