Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:1987:AC9968
1987-09-22
Strafrecht
81648
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1987:AC9968 → ECLI:NL:PHR:1987:AC9968
Inhoudsindicatie
Ten verkoop in voorraad hebben van emblemen waarop een adelaar met hakenkruis; geen onjuiste uitleg van ‘voorwerpen’ conform art. 137e Sr.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.196 tekens)
HV.
Nr. 81.648
Zitting 9 juni 1987
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[requirante]
Edelhoogachtbaar College,
In deze zaak waarin het Hof requirante, vervolgd terzake van het ter verspreiding in voorraad hebben van mouwemblemen, voorstellende een (Duitse) adelaar die een hakenkruis in zijn klauwen houdt, derhalve (volgens de telastelegging) voorwerpen waarin een uitlating was vervat die aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen, heeft vrijgesproken, tegen welk arrest Mevrouw de Procureur-Generaal zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn door UEGA middelen van cassatie voorgesteld. Het beroep is tegengesproken door Mr. C.J.W. Veraart, advocaat te Alkmaar. Evenals deze zou ik in de schriftuur twee middelen willen lezen: het eerste gewijd aan de vraag of het Hof niet een onjuiste betekenis heeft toegekend aan het begrip voorwerp, dat in de telastelegging geacht moet worden te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als het wetsartikel (137e Sr. ), waarop de vervolging was afgestemd, en het tweede, inhoudende de klacht, dat het Hof zijn vrijspraak ongenoegzaam, want tegenstrijdig, heeft gemotiveerd.
Wat middel 1 betreft: ik kan accoord gaan met de stelling van Mevrouw de Procureur-Generaal, dat het Hof ten onrechte de interpretatie van wat een voorwerp, waarin een rascistische uiting is vervat, afhankelijk maakt van de omstandigheden waarin het wordt gebezigd. Ik ben van oordeel, dat wanneer de wetgever een dergelijk begrip heeft bedoeld, hij een andere formulering zou hebben gekozen. Blijkens de tekst hanteert hij een echter objectieve maatstaf, en ook de wetsgeschiedenis is hiermee in overeenstemming. Zo noemt de M.v.T. boeken, kranten, tijdschriften, afbeeldingen, films, tv-opnamen en geluidsbanden. Welnu, bevat zo'n voorwerp zo'n uitlating, dan zal het in beginsel onder de bewoordingen van het artikel vallen.
Ook een rationele of functionele uitleg van het artikel pleit voor deze uitleg, want in het andere geval zal het O.M. voor de uiterst moeilijke, zo niet onmogelijke taak worden gesteld om voor elk geval aan te tonen, dat "de omstandigheden" qualificatie als voorwerp in de zin van art. 137 e wettigden. Hetzelfde voorwerp is dan soms wèl, soms niet een voorwerp als bedoeld in art. 137 e. Ik heb uit het door UEGA geciteerde arrest van Uw Raad van 6 december 1983, NJ 1984, 601 begrepen, dat ook hij uitgaat van een objectieve maatstaf. Ik moet bekennen, dat ik onlangs t.a.v. een boek ("Mein Kampf") wellicht een enigszins ander standpunt heb verdedigd, waarin Uw Raad mij (terecht) niet is gevolgd. Vgl. HR 12 mei 1987, nr. 1943. (DD87.418).
Natuurlijk kunnen er redenen zijn om art. 137 e niet toepasselijk te achten: Allereerst is er de (in casu reële) mogelijkheid, dat de verdachte niet gezegd kan worden te hebben geweten of te hebben moeten vermoeden, dat zij met een zodanig voorwerp te maken had. En dan is er nog de restrictie, dat handelingen ten behoeve van zakelijke berichtgeving niet meetellen (zie de aanvang van het artikel). En tenslotte is er dan nog de mogelijkheid, dat de gedraging niet wederrechtelijk geacht kan worden, omdat de verdachte het voorwerp bezigt in een context, die evenmin als het bezigen ten behoeve van zakelijke berichtgeving, geacht kan worden kwetsend te zijn, bijv. wanneer het voorwerp wordt "gebezigd" in muren of in het altaar van een kerk (ik denk aan sommige Noorse Stabkirchen) of in een optocht die juist gericht is tegen rascistische toestanden. Ik meen, dat kennisneming van literatuur en jurisprudentie van par. 86a StGB in dit opzicht nuttige informatie kan verschaffen. Zie bijv. BGH 14 februari 1973, Entsch. in Strafs. 1973, no: 33.
Ik erken, dat deze overheveling van de "context" naar het terrein van de strafuitsluiting kan meebrengen, dat het soms tot een strafbaarverklaring komt, die vragen oproept. Niet alle anti-rascistische verontwaardiging is bovendien oprecht of serieus. Vgl. hierover H. van Galen Last in de NRC van 14 juli 1986 onder de titel "Gevaren van de anti-discriminatie". Maar met name als het gaat om uitingen die kwetsend kunnen zijn voor onze joodse landgenoten is m.i. extra rechtsbescherming geboden*. Ik heb dat al eerder, betoogd in een conclusie voor HR 11 februari 1986, 689, met belangrijke noot van 't Hart, mij beroepend op een tendens die ik meen te ontwaren in de Duitse jurisprudentie. Ik citeer hier nog een passage uit een arrest van het BGH van 28 februari 1958 (in de zoëven genoemde conclusie abusievelijk als van 22 februari 1958 aangeduid), NJW 1958, p. 599: "Das OLG ist der Ansicht, dass man auch die Protestanten, die Katholiken, Akademiker usw. als beleidigungsfähig ansehen müsse, wenn man dies den Juden zubillige. Damit verkennt es ... , dass die Juden (in par. 185 StGB, R.) nicht wegen ihrer Religion oder ihrer Rasse oder ihrer Tätigkeit, sondern wegen des ihnen vom NatSoz auferlegten Schicksahls in der Allgemeinheit als eine eng umgrenzte Gruppe erscheinen. "Die" Protestanten, "die Katholiken, "die" Akademiker usw. sind durch kein vergleichbares Ereignis zur einer Einheit verbunden, die sie aus der Allgemeinheit hervortreten lässt". Zie over ons onderwerp verder nog Frans Vries, NJB 1984, p. 973.
Wat middel 2 betreft: Dit acht ik niet aannemelijk, want ook een foutief gemotiveerde vrijspraak blijft een vrijspraak als bedoeld in art. 430 Sv.
* Aldus ook de Utrechtse officier van justitie Mr. H.W.C. Droesen in een forumdiscussie. Trouw 1 februari 1986: als recht (meningsvrijheid enz. ) tegenover recht (bescherming tegen rascistische uitingen) staat, verdienen joden, gezien het recente verleden, extra bescherming.
Met Mevrouw de Procureur-Generaal van oordeel dat het Hof niet op de grondslag van de telastelegging heeft geoordeeld en mitsdien een
oneigenlijke vrijspraak heeft gegeven concludeer ik, het middel tevens gegrond achtend, dat Uw Raad het arrest waarvan beroep zal vernietigen, en de zaak zal verwijzen naar het Hof te Den Haag teneinde haar op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Nr. 81.648
Zitting 9 juni 1987
Mr. Remmelink
Conclusie inzake:
[requirante]
Edelhoogachtbaar College,
In deze zaak waarin het Hof requirante, vervolgd terzake van het ter verspreiding in voorraad hebben van mouwemblemen, voorstellende een (Duitse) adelaar die een hakenkruis in zijn klauwen houdt, derhalve (volgens de telastelegging) voorwerpen waarin een uitlating was vervat die aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen, heeft vrijgesproken, tegen welk arrest Mevrouw de Procureur-Generaal zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn door UEGA middelen van cassatie voorgesteld. Het beroep is tegengesproken door Mr. C.J.W. Veraart, advocaat te Alkmaar. Evenals deze zou ik in de schriftuur twee middelen willen lezen: het eerste gewijd aan de vraag of het Hof niet een onjuiste betekenis heeft toegekend aan het begrip voorwerp, dat in de telastelegging geacht moet worden te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als het wetsartikel (137e Sr. ), waarop de vervolging was afgestemd, en het tweede, inhoudende de klacht, dat het Hof zijn vrijspraak ongenoegzaam, want tegenstrijdig, heeft gemotiveerd.
Wat middel 1 betreft: ik kan accoord gaan met de stelling van Mevrouw de Procureur-Generaal, dat het Hof ten onrechte de interpretatie van wat een voorwerp, waarin een rascistische uiting is vervat, afhankelijk maakt van de omstandigheden waarin het wordt gebezigd. Ik ben van oordeel, dat wanneer de wetgever een dergelijk begrip heeft bedoeld, hij een andere formulering zou hebben gekozen. Blijkens de tekst hanteert hij een echter objectieve maatstaf, en ook de wetsgeschiedenis is hiermee in overeenstemming. Zo noemt de M.v.T. boeken, kranten, tijdschriften, afbeeldingen, films, tv-opnamen en geluidsbanden. Welnu, bevat zo'n voorwerp zo'n uitlating, dan zal het in beginsel onder de bewoordingen van het artikel vallen.
Ook een rationele of functionele uitleg van het artikel pleit voor deze uitleg, want in het andere geval zal het O.M. voor de uiterst moeilijke, zo niet onmogelijke taak worden gesteld om voor elk geval aan te tonen, dat "de omstandigheden" qualificatie als voorwerp in de zin van art. 137 e wettigden. Hetzelfde voorwerp is dan soms wèl, soms niet een voorwerp als bedoeld in art. 137 e. Ik heb uit het door UEGA geciteerde arrest van Uw Raad van 6 december 1983, NJ 1984, 601 begrepen, dat ook hij uitgaat van een objectieve maatstaf. Ik moet bekennen, dat ik onlangs t.a.v. een boek ("Mein Kampf") wellicht een enigszins ander standpunt heb verdedigd, waarin Uw Raad mij (terecht) niet is gevolgd. Vgl. HR 12 mei 1987, nr. 1943. (DD87.418).
Natuurlijk kunnen er redenen zijn om art. 137 e niet toepasselijk te achten: Allereerst is er de (in casu reële) mogelijkheid, dat de verdachte niet gezegd kan worden te hebben geweten of te hebben moeten vermoeden, dat zij met een zodanig voorwerp te maken had. En dan is er nog de restrictie, dat handelingen ten behoeve van zakelijke berichtgeving niet meetellen (zie de aanvang van het artikel). En tenslotte is er dan nog de mogelijkheid, dat de gedraging niet wederrechtelijk geacht kan worden, omdat de verdachte het voorwerp bezigt in een context, die evenmin als het bezigen ten behoeve van zakelijke berichtgeving, geacht kan worden kwetsend te zijn, bijv. wanneer het voorwerp wordt "gebezigd" in muren of in het altaar van een kerk (ik denk aan sommige Noorse Stabkirchen) of in een optocht die juist gericht is tegen rascistische toestanden. Ik meen, dat kennisneming van literatuur en jurisprudentie van par. 86a StGB in dit opzicht nuttige informatie kan verschaffen. Zie bijv. BGH 14 februari 1973, Entsch. in Strafs. 1973, no: 33.
Ik erken, dat deze overheveling van de "context" naar het terrein van de strafuitsluiting kan meebrengen, dat het soms tot een strafbaarverklaring komt, die vragen oproept. Niet alle anti-rascistische verontwaardiging is bovendien oprecht of serieus. Vgl. hierover H. van Galen Last in de NRC van 14 juli 1986 onder de titel "Gevaren van de anti-discriminatie". Maar met name als het gaat om uitingen die kwetsend kunnen zijn voor onze joodse landgenoten is m.i. extra rechtsbescherming geboden*. Ik heb dat al eerder, betoogd in een conclusie voor HR 11 februari 1986, 689, met belangrijke noot van 't Hart, mij beroepend op een tendens die ik meen te ontwaren in de Duitse jurisprudentie. Ik citeer hier nog een passage uit een arrest van het BGH van 28 februari 1958 (in de zoëven genoemde conclusie abusievelijk als van 22 februari 1958 aangeduid), NJW 1958, p. 599: "Das OLG ist der Ansicht, dass man auch die Protestanten, die Katholiken, Akademiker usw. als beleidigungsfähig ansehen müsse, wenn man dies den Juden zubillige. Damit verkennt es ... , dass die Juden (in par. 185 StGB, R.) nicht wegen ihrer Religion oder ihrer Rasse oder ihrer Tätigkeit, sondern wegen des ihnen vom NatSoz auferlegten Schicksahls in der Allgemeinheit als eine eng umgrenzte Gruppe erscheinen. "Die" Protestanten, "die Katholiken, "die" Akademiker usw. sind durch kein vergleichbares Ereignis zur einer Einheit verbunden, die sie aus der Allgemeinheit hervortreten lässt". Zie over ons onderwerp verder nog Frans Vries, NJB 1984, p. 973.
Wat middel 2 betreft: Dit acht ik niet aannemelijk, want ook een foutief gemotiveerde vrijspraak blijft een vrijspraak als bedoeld in art. 430 Sv.
* Aldus ook de Utrechtse officier van justitie Mr. H.W.C. Droesen in een forumdiscussie. Trouw 1 februari 1986: als recht (meningsvrijheid enz. ) tegenover recht (bescherming tegen rascistische uitingen) staat, verdienen joden, gezien het recente verleden, extra bescherming.
Met Mevrouw de Procureur-Generaal van oordeel dat het Hof niet op de grondslag van de telastelegging heeft geoordeeld en mitsdien een
oneigenlijke vrijspraak heeft gegeven concludeer ik, het middel tevens gegrond achtend, dat Uw Raad het arrest waarvan beroep zal vernietigen, en de zaak zal verwijzen naar het Hof te Den Haag teneinde haar op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,