Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:1951:AG1976

1951-05-11 Civiel recht 8336
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
1951-05-11
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
—
Zaaknummer
8336
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 1952, 127

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Overeenkomst in strijd met prijsvoorschriften (art. 3 Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939). Is slechts sprake van nietigheid indien beide partijen bij aangaan overeenkomst van deze strijdigheid zouden hebben geweten? Mogelijkheid dat overtreding van voorschrift geen nietigheid meebrengt. A.d.h.v. NJ 1952, 127 uitgetypte tekst van de HR-conclusie in de civiele zaak met HR-zaaknummer 8336. De originele HR-conclusie is niet meer voorhanden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.859 tekens)
Conclusie Adv .- Gen. Mr Eggens



Het middel gaat er sub a, mede blijkens het bij pleidooi voor eisers opgemerkte, van uit dat ingevolge art. 1373 B.W. een bij de wet verboden overeenkomst een ongeoorloofde oorzaak heeft en daarom nietig is. De vraag naar de betekenis van het woord "oorzaak" in dat artikel is dan eigenlijk, wat deze overeenkomsten betreft, irrelevant, want een bij de wet verboden overeenkomst heeft dan een ongeoorloofde oorzaak ingevolge deze bepaling welke dus te dezen aanzien beter zou hebben kunnen luiden: een bij de wet verboden overeenkomst is nietig.
Maar mag men dit als de strekking van de - niet duidelijke - tekst van art. 1373 lezen? Naar mijn oordeel niet, want de gevolgen van een wettelijk verbod tot het aangaan van een overeenkomst van een bepaalde inhoud behoren - voorzover de wet zulks niet uitdrukkelijk aangeeft - bepaald te worden in overeenstemming met de strekking van dit verbod, en deze strekking behoeft niet altijd nietigheid mede te brengen. Met name kan het zijn dat deze strekking allereerst is de bescherming van een publiek belang, en dat in verband daarmede de gevolgen van de overtreding van het verbod beperkt blijven tot de publiekrechtelijke sfeer, met name tot een sanctie van strafrechtelijke (ev. disciplinaire) aard.
Zo besliste Uw Raad in zijn arrest van 13 Januari 1938, N.J. 1938, no. 600, dat een borgtocht door een notaris in strijd met het verbod van art. 73b der Wet op het Notarisambt aangegaan (en op overtreding waarvan deze wet - slechts - een disciplinaire sanctie stelt), ondanks dat verbod geldig is omdat dit artikel "wat de woorden betreft niet noopt de nietigheid of vernietigbaarheid van een overeenkomst als de onderhavige aan te nemen en de geschiedenis van het artikel ... doet zien, dat het de bedoeling van den wetgever was de geldigheid van dergelijke overeenkomsten te handhaven".
Ten volle verenig ik mij met de opmerking van Meijers in zijn noot onder dit arrest: "Wat nu in een bepaald geval, waarin een wet zich niet duidelijk heeft uitgesproken, het gevolg van de overtreding van het verbod zal zijn, moet op grond van inhoud en strekking der betreffende wetsbepaling vastgesteld worden".
Maar als dit zo is, dan is dus ook niet juist de stelling, opgesloten in het middel sub a, dat art. 1373 B.W. zou betekenen: een bij de wet verboden overeenkomst is nietig.
Dat zegt dit artikel dan ook niet. Het verklaart een oorzaak voor ongeoorloofd, wanneer dezelve (d.i. die oorzaak) bij de wet verboden is. Het spreekt dus niet van een bij de wet verboden overeenkomst, maar van een overeenkomst met bij de wet verboden oorzaak. En dat is niet hetzelfde: een overeenkomst kan bij de wet verboden zijn, zonder een bij de wet verboden oorzaak te hebben.
Zo overwoog Uw Raad in zijn vermelde arrest van 13 Januari 1938: "dat, al is het verbod van art. 73b gegeven in het belang in het middel genoemd, het uitgesloten is, dat de overeenkomst, welke geen andere strekking had, dan dat K. ten behoeve van verweerster voor F. borg bleef, derhalve om rechtsgevolgen te doen intreden, welke blijkens het bovenstaande de wet niet wil wraken, een ongeoorloofde oorzaak zou hebben".
Een overeenkomst met door de wet verboden oorzaak is aldus een overeenkomst met door de wet verboden strekking of doel. Alleen wanneer partijen met hun overeenkomst een doel beogen dat hun door de wet verboden wordt te beogen, is er - behoudens de verdere inhoud van art. 1373- sprake van een overeenkomst met ongeoorloofde oorzaak. En indien de wet dit niet uitdrukkelijk zegt wanneer zij een bepaalde overeenkomst verbiedt, zal dus naar de strekking dier wetsbepaling beoordeeld moeten worden of en in hoeverre het wettelijk verbod gegeven werd al of niet op grond van veroordeling van der partijen doel.
De onderhavige overeenkomst betrof naar de posita van eisers tot cassatie 500 platen silicium ijzer hun door verweerders tot cassatie verkocht voor f 1500 in strijd met de Prijzenbeschikking Invoergoederen 1947 en daarmede met art. 3 van de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939, terwijl verweerders ten tijde van de verkoop deze strijd met de wet zouden hebben gekend, doch eisers niet.
Deze wet, geheel gedacht in de publiekrechtelijke sfeer, zegt omtrent de privaatrechtelijke gevolgen van een overeenkomst in strijd met haar voorschriften gesloten, niets. Uit hare strafsancties - i.c. die van art. 12- mag echter naar mijn oordeel worden afgeleid dat het aangaan van een overeenkomst als de litigieuse, met opzettelijke schending van art. 3 dier wet, de overeenkomst stempelt tot een overeenkomst met ongeoorloofde oorzaak, als hebbende kennelijk een door deze wet (aan partijen) verboden doel. Maar dit is dan, gelijk uit het vorenbetoogde volgt, alleen het geval wanneer beide partijen deze opzet hadden (Verg. aldus van Brakel "Een paar causavragen" in W.P.N.R. 3483). Is echter deze opzet bij beide partijen of - gelijk i.c. door eisers gesteld - bij een van hen afwezig, dan is deze overeenkomst, wel verboden door de wet, maar dan is zij niet een overeenkomst met door de wet verboden oorzaak.
Maakt dit verbod haar dan toch nietig? Waar de wet hieromtrent niets bepaalt en hare strekking - op dit punt - is dat de aangewezen goederen voor geen hogere prijs dan de vastgestelde zullen mogen worden verkocht, acht ik het het meest in overeenstemming met deze strekking te aanvaarden dat de verkoper voor het door hem verkochte niet meer mag bedingen en ontvangen dan de maximumprijs, en dat, met geldigheid van de overige inhoud der overeenkomst, de prijs alleen voor dat meerdere nietig is.
Hierbij valt er op te letten dat art. 3 der bedoelde wet niet alleen van verkopen, maar ook van verhuren spreekt, en dat het Huurprijsbesluit 1940 - dat krachtens zijn art. 7 "wordt aangemerkt als een voorschrift, gegeven krachtens art. 3 van de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939" - in zijn art. 5 uitdrukkelijk bepaalt: "Indien een hoogere huurprijs dan de hoogsttoelaatbare is overeengekomen geldt tusschen partijen de hoogst toelaatbare huurprijs". Er lijkt mij geen enkele reden om hetgeen voor verhuur is bepaald, niet toe te passen voor verkoop, waar de strekking der wet voor beide overeenkomsten dezelfde is, en waar deze solutie praktisch de meest bevredigende is. Want de aanvaarding van volstrekte nietigheid (of vernietigbaarheid) van overeenkomsten als de onderhavige, zal in de praktijk (b.v. bij verwerking, verbruik, doorverkoop van het gekochte) herhaaldelijk tot hoogst ongewenste gevolgen leiden. Voor de rechtspraak in analoge gevallen moge ik verwijzen naar het artikel van Houwing "Verboden Overeenkomsten" in W.P.N.R. 4067, die terecht opmerkt dat de rechtspraak in deze gevallen de nietigheid van deze overeenkomsten dikwijls ten onrechte op de ongeoorloofdheid van haar oorzaak baseert (onder 5). Hemzelf lijkt het t.a.p. "niet twijfelachtig, dat de prijs- en distributievoorschriften, die iedere verkoop van zekere goederen verbieden, of verkoop zonder vergunning, of verkoop boven een zekere prijs, of verkoop zonder gelijktijdige afgifte van bonnen, of zonder dat een waardebewijs aanwezig is e.t.q., ook al verklaren zij de in strijd met het verbod aangegane overeenkomst niet uitdrukkelijk nietig, de nietigheid toch beogen". Hoe dit moge zijn voor de overige door hem vermelde figuren, voor verkoop boven een maximum prijs lijkt mij dit, blijkens het hiervóór overwogene, geenszins geboden.
Aanvaardt men de aangegeven resultaten, dan is hiermede het middel sub a veroordeeld. Want dan heeft het Hof terecht overwogen dat het "anders dan de Rechtbank van oordeel is, dat de oorzaak ener overeenkomst is haar strekking n.l. datgene, wat pp. gemeenschappelijk met beider wilsovereenkomst willen bereiken", om dan daaruit kennelijk niet alleen af te leiden dat die oorzaak - anders dan de Rechtbank wilde - i.c. was "de eigendomsoverdracht van de partij ijzeren platen tegen de bepaalde koopprijs", maar óók dat, wil strijd met de wet een ongeoorloofde oorzaak opleveren, het daartoe nodig is dat beide partijen bij het aangaan der overeenkomst het bij de wet verboden resultaat hebben willen bereiken.
Ook het sub b van het middel gestelde is naar mijn oordeel niet juist: de omstandigheid dat eisers tot cassatie zich op de hoogte hadden behoren te stellen van de strijdigheid van de prijs met de wet, moge hun toegerekend kunnen worden tegenover hun beroep op dwaling of bedrog, dit maakt hen nog niet tot willens en wetens deelnemers aan een door de wet verboden overeenkomst: tot dit laatste geldt een strengere maatstaf - ongeoorloofdheid van wil en doel - dan hun door het Hof is aangelegd voor de geldigheid van hun beroep op dwaling of bedrog.
Onder c stelt het middel zakelijk dat eisers er belang bij hadden dat kwam vast te staan dat de koopprijs hoger was dan krachtens de geldende prijsvoorschriften was toegelaten, aangezien dit de overeenkomst nietig maakte, of althans nietig, "voorzover een hogere prijs is overeengekomen dan ingevolge deze voorschriften is geoorloofd".
Naar het hiervóór ad sub a van het middel overwogene, maakt deze omstandigheid de overeenkomst niet nietig, dan alleen voor het bedrag dat de maximum-prijs overschrijdt. Als dat zo is, dan hadden eisers op deze grond dus alleen kunnen vorderen teruggave van dit bedrag. Zij hebben echter iets anders geëist, en wel nietigverklaring der (gehele) overeenkomst, met teruggave over en weer van het door ieder der partijen gepresteerde. Deze eis had hun dus niet kunnen volgen, al ware gebleken hetgeen zij naar dit onderdeel van het middel vastgesteld willen zien, zodat zij bij deze vaststelling geen belang hebben.
Ook dit onderdeel van het middel acht ik dus ongegrond.
Ik concludeer dan ook tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eisers tot cassatie in de kosten daarop gevallen.