Hoge Raad
ECLI:NL:HR:1951:AG1976
1951-05-11
Civiel recht
8336
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1951:AG1976 → ECLI:NL:PHR:1951:AG1976
Inhoudsindicatie
Vermogensrecht. Overeenkomst in strijd met prijsvoorschriften (art. 3 Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939). Is slechts sprake van nietigheid indien beide partijen bij aangaan overeenkomst van deze strijdigheid zouden hebben geweten? Mogelijkheid dat overtreding van voorschrift geen nietigheid meebrengt.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:HR:2026:1159 Hoge Raad 03-07-2026
- ECLI:NL:PHR:2020:466 Parket bij de Hoge Raad 08-05-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (10.431 tekens)
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
in de zaak no. 8336 van:
1. de vennootschap onder de firma Firma Nijverheidsatelier "Flora", gevestigd te Groningen,
2. hare vennoten [vennoot 1], [vennoot 2] en [vennoot 3], allen wonende te [woonplaats]
eisers tot cassatie van een op 27 Juni 1950 door het Gerechtshof te Arnhem tussen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. Th. Bakker, advocaat bij den Hogen Raad,
tegen:
1. [verweerster 1], weduwe van […], thans gehuwd met [verweerder 2], wonende te [woonplaats], handel drijvende onder den naam "Technisch Handels- en Installatiebureau "[A]" te [plaats],
2. [verweerder 2], wonende te [woonplaats] tot bijstand en machtiging van zijn sub 1° genoemde echtgenote,
verweerders, vertegenwoordigd door Mr. N.J. Nanning-Groenemeyer, mede advocaat bij den Hogen Raad,
Gehoord partijen;
Gehoord den Advocaat-Generaal Eggens, namens den Procureur Generaal concluderende tot verwerping van het beroep met veroordeling van eisers tot cassatie in de kosten daarop gevallen;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat [verweerster 1] omstreeks September 1947 aan Flora heeft verkocht en geleverd 500 platen siliciumijzer van een gewicht van omstreeks 1 kilogram per plaat voor den totaalprijs van f. 1500 .- , welke som door Flora aan [verweerster 1] is betaald;
dat Flora [verweerster 1] heeft gedaagd voor de Rechtbank te Zutphen en heeft gevorderd, primair, de nietigverklaring van evengenoemde koopovereenkomst op grond dat, hoewel [verweerster 1] haar vóór het totstandkomen van de koop uitdrukkelijk heeft verzekerd, dat de prijs van f. 3 .- per kilogram de toegestane handelsprijs voor siliciumplaatijzer was, haar (Flora) enige tijd na het sluiten der overeenkomst is gebleken, dat de koopprijs aanzienlijk te hoog en in strijd met de prijsvoorschriften was, subsidiair, de vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling, althans bedrog;
dat [verweerster 1] deze vorderingen heeft bestreden;
dat de Rechtbank bij vonnis van 12 Mei 1949 ten aanzien van de primaire vordering heeft overwogen:
"dat, ook al zoude de koopprijs hoger geweest zijn dan krachtens de geldende prijsvoorschriften toegelaten - hetgeen gedaagde ontkende -, zulks de overeenkomst nog niet maakt tot een met een ongeoorloofde oorzaak vermits uit hetgeen partijen over en weer hebben geponeerd blijkt dat de causa van de overeenkomst, dit is datgene wat partijen met het aangaan ervan beoogden te bereiken, was: aan gedaagde den eigendom te verschaffen van de partij ijzeren platen; dat dit laatste nu noch bij de wet verboden, noch in strijd met de goede zeden of de openbare orde is, weshalve de gestelde overeenkomst niet had een causa illicita en deswege niet nietig was; dat thans de vraag rijst of een overeenkomst van koop en verkoop tegen een hogeren dan wettelijk als hoogst toelaatbaar aangeduiden prijs nietig is, welke nietigheid dan, gelijk uit het bovenstaande volgt, niet raakt de causa der overeenkomst doch rechtstreeks het gevolg zoude zijn van het wettelijk voorschrift waarbij verboden wordt tegen hogere dan in dat voorschrift als hoogst-toelaatbaar gestelde prijzen te kopen of te verkopen, doch de beantwoording van deze vraag eerst aan de orde komt, nadat de prealabele vraag óf er van een prijsovertreding sprake is, bevestigend zal zijn beantwoord;"
dat de Rechtbank, na voorts de hebben overwogen, dat overtreding van prijsvoorschriften te dezen niet vaststaat, en dat van dwaling of bedrog geen sprake is, zowel de primaire als de subsidiaire vordering heeft ontzegd;
dat Flora van dit vonnis in beroep is gekomen;
Overwegende dat het Hof ten aanzien van de primaire vordering heeft overwogen:
"dat appellanten in hun eerste drie grieven opkomen tegen de afwijzing van hun primaire vordering, waarbij zij als eerste grief hebben aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen en beslist, dat ook al zou de ten processe bedoelde koopprijs hoger zijn geweest dan krachtens de geldende prijsvoorschriften toegelaten, zulks de overeenkomst toch niet zou maken tot een overeenkomst met een ongeoorloofde oorzaak, daar naar de mening van de Rechtbank de causa der overeenkomst is het aan appellanten de eigendom te verschaffen van de partij ijzeren platen en dit laatste noch bij de wet verboden noch in strijd met de goede zeden of de openbare orde is, waarbij appellanten hebben naar voren gebracht, dat in casu de oorzaak der overeenkomst niet eigendomsoverdracht zonder meer is, doch eigendomsoverdracht tegen betaling van een bepaalde koopprijs en nu deze koopprijs hoger is dan toegelaten krachtens de geldende prijsvoorschriften en deze in strijd is met de wet, hieruit volgt, dat de overeenkomst geen geoorloofde oorzaak heeft;
Dat het Hof anders dan de rechtbank van oordeel is, dat de oorzaak ener overeenkomst is haar strekking nl. datgene, wat partijen gemeenschappelijk met beider wilsovereenstemming willen bereiken, dus in casu de eigendomsoverdracht van de partij ijzeren platen tegen de bepaalde koopprijs;
dat hieruit volgt, dat een overeenkomst eerst dan geacht kan worden de strekking te hebben om iets te willen bereiken, dat in strijd met de wet is, en daardoor een ongeoorloofde oorzaak te hebben, wanneer beide partijen bij het aangaan der overeenkomst van die omstandigheid op de hoogte waren en desniettemin dit bij de wet verboden resultaat willen bereiken;
dat, nu in het onderhavige geval appellanten hebben ontkend bij het aangaan der koopovereenkomst te hebben geweten, dat de bepaalde koopprijs hoger was dan krachtens de geldende prijsvoorschriften toegelaten, en volgens appellanten alleen geintimeerde hiervan op de hoogte was, uit de eigen stellingen van appellanten volgt, dat niet beide partijen bij het aangaan der koopovereenkomst een bij de wet verboden toestand wilden bereiken, zodat de koopovereenkomst geen ongeoorloofde oorzaak had, en de grief ongegrond is;
dat uit deze beslissing voortvloeit, dat de tweede en derde grieven, waarbij appellanten bezwaar maken te- gen de beslissing van de Rechtbank, dat geintimeerde heeft ontkend, dat de koopprijs hoger was dan krachtens de geldende prijsvoorschriften toegelaten, en dat overtreding der geldende prijsvoorschriften niet is komen vast te staan, en voorts dat de Rechtbank hen niet heeft toegelaten om de strijdigheid van de koopprijs met de geldende prijsvoorschriften te bewijzen, verder geen belang meer hebben en dus onbesproken kunnen blijven; "
dat het Hof, na ook de vierde grief te hebben verworpen, welke gericht was tegen de afwijzing van de subsidiaire vordering, het vonnis waarvan beroep heeft bekrachtigd;
Overwegende dat Flora 's Hofs arrest bestrijdt met het navolgende middel van cassatie:
Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 168 Grondwet, 20 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie, 48, 59, 103, 199, 200, 332, 347, en 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1356, 1371, 1373, 1493, 1501, 1902 en 1932 van het Burgerlijk Wetboek, 2 en 14 van de Wet van 15 Mei 1829 (Staatsblad no. 28) houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving van het Koninkrijk, 3, 11, 12 en 15 van de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939 en 1 tot en met 8 van de Prijzenbeschikking Invoergoederen 1947,
doordat het Hof het vonnis van de Rechtbank, waarbij de vorderingen van appellanten waren ontzegd, heeft bekrachtigd,
zulks ten onrechte:
a) omdat de wet voor de nietigheid van een overeenkomst wegens een ongeoorloofde oorzaak niet den eis stelt, dat beide partijen bij het aangaan der overeenkomst op de hoogte waren van de omstandigheid, dat hetgeen zij willen bereiken in strijd met de wet is, en zulks ook niet volgt uit de vaststelling van het Hof, dat de oorzaak ener overeenkomst is, datgene wat partijen gemeenschappelijk met beider wilsovereenstemming willen bereiken;
b) omdat een overeenkomst een ongeoorloofde oorzaak heeft en derhalve nietig is, wanneer bij het aangaan der overeenkomst de ene partij op de hoogte was van de omstandigheid, dat hetgeen zij willen bereiken in strijd met de wet is, zoals door appellanten ten aanzien van geintimeerde was gesteld, en de andere partij zich hiervan op de hoogte had moeten en kunnen stellen, zoals door het Hof ten aanzien van appellanten is vastgesteld;
c) omdat krachtens de ten deze geldende prijsvoorschriften - de Prijzenbeschikking Invoergoederen 1947 en de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939, waarop deze beschikking berust - een overeenkomst, waarbij een hogere prijs overeengekomen wordt dan bij deze voorschriften is geoorloofd, nietig is, althans nietig is, voorzover een hogere prijs is overeengekomen dan ingevolge deze voorschriften is geoorloofd;
zodat het Hof de tweede en derde grief van appellanten niet onbesproken had mogen laten.
Overwegende daaromtrent:
dat Flora haar vordering tot vaststelling van de nietigheid van de onderhavige koopovereenkomst hierop heeft doen steunen, dat deze overeenkomst zou zijn aangegaan in strijd met de prijsvoorschriften, gegeven krachtens artikel 3 van de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939;
dat het Hof heeft geoordeeld, dat de overeenkomst slechts dan nietig zou zijn, indien beide partijen bij het aangaan daarvan zouden hebben geweten, dat de bedongen koopprijs hoger was dan bedoelde prijsvoorschriften toelieten;
dat het middel deze opvatting terecht bestrijdt;
dat immers de overtreding van een wettelijk voorschrift, Waarbij het sluiten van bepaalde overeenkomsten wordt verboden, nietigheid meebrengt, behalve in het zich te dezen niet voordoende geval, dat uit het voorschrift zelf of uit de strekking daarvan volgt, dat aan de overtreding dit gevolg niet is verbonden;
Vernietigt het bestreden arrest;
Verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde met inachtneming van dit arrest verder te worden behandeld en afgedaan;
Veroordeelt verweerders in de kosten, tot aan de uitspraak van dit arrest aan de zijde van eisers begroot op vier en vijftig gulden en negentig cent aan verschot ten en Vijfhonderd gulden voor salaris.
Gedaan bij de Heren Donner, President, van der Meulen, Hijink, Smits en de Jong, Raden, en door den oudsten Raadsheer van der Meulen uitgesproken ter openbare terechtzitting van den elfden Mei 1900 Een en Vijftig, in tegenwoordigheid van den Advocaat-Generaal Langemeijer.
in de zaak no. 8336 van:
1. de vennootschap onder de firma Firma Nijverheidsatelier "Flora", gevestigd te Groningen,
2. hare vennoten [vennoot 1], [vennoot 2] en [vennoot 3], allen wonende te [woonplaats]
eisers tot cassatie van een op 27 Juni 1950 door het Gerechtshof te Arnhem tussen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. Th. Bakker, advocaat bij den Hogen Raad,
tegen:
1. [verweerster 1], weduwe van […], thans gehuwd met [verweerder 2], wonende te [woonplaats], handel drijvende onder den naam "Technisch Handels- en Installatiebureau "[A]" te [plaats],
2. [verweerder 2], wonende te [woonplaats] tot bijstand en machtiging van zijn sub 1° genoemde echtgenote,
verweerders, vertegenwoordigd door Mr. N.J. Nanning-Groenemeyer, mede advocaat bij den Hogen Raad,
Gehoord partijen;
Gehoord den Advocaat-Generaal Eggens, namens den Procureur Generaal concluderende tot verwerping van het beroep met veroordeling van eisers tot cassatie in de kosten daarop gevallen;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest blijkt: dat [verweerster 1] omstreeks September 1947 aan Flora heeft verkocht en geleverd 500 platen siliciumijzer van een gewicht van omstreeks 1 kilogram per plaat voor den totaalprijs van f. 1500 .- , welke som door Flora aan [verweerster 1] is betaald;
dat Flora [verweerster 1] heeft gedaagd voor de Rechtbank te Zutphen en heeft gevorderd, primair, de nietigverklaring van evengenoemde koopovereenkomst op grond dat, hoewel [verweerster 1] haar vóór het totstandkomen van de koop uitdrukkelijk heeft verzekerd, dat de prijs van f. 3 .- per kilogram de toegestane handelsprijs voor siliciumplaatijzer was, haar (Flora) enige tijd na het sluiten der overeenkomst is gebleken, dat de koopprijs aanzienlijk te hoog en in strijd met de prijsvoorschriften was, subsidiair, de vernietiging van de overeenkomst op grond van dwaling, althans bedrog;
dat [verweerster 1] deze vorderingen heeft bestreden;
dat de Rechtbank bij vonnis van 12 Mei 1949 ten aanzien van de primaire vordering heeft overwogen:
"dat, ook al zoude de koopprijs hoger geweest zijn dan krachtens de geldende prijsvoorschriften toegelaten - hetgeen gedaagde ontkende -, zulks de overeenkomst nog niet maakt tot een met een ongeoorloofde oorzaak vermits uit hetgeen partijen over en weer hebben geponeerd blijkt dat de causa van de overeenkomst, dit is datgene wat partijen met het aangaan ervan beoogden te bereiken, was: aan gedaagde den eigendom te verschaffen van de partij ijzeren platen; dat dit laatste nu noch bij de wet verboden, noch in strijd met de goede zeden of de openbare orde is, weshalve de gestelde overeenkomst niet had een causa illicita en deswege niet nietig was; dat thans de vraag rijst of een overeenkomst van koop en verkoop tegen een hogeren dan wettelijk als hoogst toelaatbaar aangeduiden prijs nietig is, welke nietigheid dan, gelijk uit het bovenstaande volgt, niet raakt de causa der overeenkomst doch rechtstreeks het gevolg zoude zijn van het wettelijk voorschrift waarbij verboden wordt tegen hogere dan in dat voorschrift als hoogst-toelaatbaar gestelde prijzen te kopen of te verkopen, doch de beantwoording van deze vraag eerst aan de orde komt, nadat de prealabele vraag óf er van een prijsovertreding sprake is, bevestigend zal zijn beantwoord;"
dat de Rechtbank, na voorts de hebben overwogen, dat overtreding van prijsvoorschriften te dezen niet vaststaat, en dat van dwaling of bedrog geen sprake is, zowel de primaire als de subsidiaire vordering heeft ontzegd;
dat Flora van dit vonnis in beroep is gekomen;
Overwegende dat het Hof ten aanzien van de primaire vordering heeft overwogen:
"dat appellanten in hun eerste drie grieven opkomen tegen de afwijzing van hun primaire vordering, waarbij zij als eerste grief hebben aangevoerd, dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen en beslist, dat ook al zou de ten processe bedoelde koopprijs hoger zijn geweest dan krachtens de geldende prijsvoorschriften toegelaten, zulks de overeenkomst toch niet zou maken tot een overeenkomst met een ongeoorloofde oorzaak, daar naar de mening van de Rechtbank de causa der overeenkomst is het aan appellanten de eigendom te verschaffen van de partij ijzeren platen en dit laatste noch bij de wet verboden noch in strijd met de goede zeden of de openbare orde is, waarbij appellanten hebben naar voren gebracht, dat in casu de oorzaak der overeenkomst niet eigendomsoverdracht zonder meer is, doch eigendomsoverdracht tegen betaling van een bepaalde koopprijs en nu deze koopprijs hoger is dan toegelaten krachtens de geldende prijsvoorschriften en deze in strijd is met de wet, hieruit volgt, dat de overeenkomst geen geoorloofde oorzaak heeft;
Dat het Hof anders dan de rechtbank van oordeel is, dat de oorzaak ener overeenkomst is haar strekking nl. datgene, wat partijen gemeenschappelijk met beider wilsovereenstemming willen bereiken, dus in casu de eigendomsoverdracht van de partij ijzeren platen tegen de bepaalde koopprijs;
dat hieruit volgt, dat een overeenkomst eerst dan geacht kan worden de strekking te hebben om iets te willen bereiken, dat in strijd met de wet is, en daardoor een ongeoorloofde oorzaak te hebben, wanneer beide partijen bij het aangaan der overeenkomst van die omstandigheid op de hoogte waren en desniettemin dit bij de wet verboden resultaat willen bereiken;
dat, nu in het onderhavige geval appellanten hebben ontkend bij het aangaan der koopovereenkomst te hebben geweten, dat de bepaalde koopprijs hoger was dan krachtens de geldende prijsvoorschriften toegelaten, en volgens appellanten alleen geintimeerde hiervan op de hoogte was, uit de eigen stellingen van appellanten volgt, dat niet beide partijen bij het aangaan der koopovereenkomst een bij de wet verboden toestand wilden bereiken, zodat de koopovereenkomst geen ongeoorloofde oorzaak had, en de grief ongegrond is;
dat uit deze beslissing voortvloeit, dat de tweede en derde grieven, waarbij appellanten bezwaar maken te- gen de beslissing van de Rechtbank, dat geintimeerde heeft ontkend, dat de koopprijs hoger was dan krachtens de geldende prijsvoorschriften toegelaten, en dat overtreding der geldende prijsvoorschriften niet is komen vast te staan, en voorts dat de Rechtbank hen niet heeft toegelaten om de strijdigheid van de koopprijs met de geldende prijsvoorschriften te bewijzen, verder geen belang meer hebben en dus onbesproken kunnen blijven; "
dat het Hof, na ook de vierde grief te hebben verworpen, welke gericht was tegen de afwijzing van de subsidiaire vordering, het vonnis waarvan beroep heeft bekrachtigd;
Overwegende dat Flora 's Hofs arrest bestrijdt met het navolgende middel van cassatie:
Schending en/of verkeerde toepassing van de artikelen 168 Grondwet, 20 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en het Beleid der Justitie, 48, 59, 103, 199, 200, 332, 347, en 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 1356, 1371, 1373, 1493, 1501, 1902 en 1932 van het Burgerlijk Wetboek, 2 en 14 van de Wet van 15 Mei 1829 (Staatsblad no. 28) houdende Algemene Bepalingen der Wetgeving van het Koninkrijk, 3, 11, 12 en 15 van de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939 en 1 tot en met 8 van de Prijzenbeschikking Invoergoederen 1947,
doordat het Hof het vonnis van de Rechtbank, waarbij de vorderingen van appellanten waren ontzegd, heeft bekrachtigd,
zulks ten onrechte:
a) omdat de wet voor de nietigheid van een overeenkomst wegens een ongeoorloofde oorzaak niet den eis stelt, dat beide partijen bij het aangaan der overeenkomst op de hoogte waren van de omstandigheid, dat hetgeen zij willen bereiken in strijd met de wet is, en zulks ook niet volgt uit de vaststelling van het Hof, dat de oorzaak ener overeenkomst is, datgene wat partijen gemeenschappelijk met beider wilsovereenstemming willen bereiken;
b) omdat een overeenkomst een ongeoorloofde oorzaak heeft en derhalve nietig is, wanneer bij het aangaan der overeenkomst de ene partij op de hoogte was van de omstandigheid, dat hetgeen zij willen bereiken in strijd met de wet is, zoals door appellanten ten aanzien van geintimeerde was gesteld, en de andere partij zich hiervan op de hoogte had moeten en kunnen stellen, zoals door het Hof ten aanzien van appellanten is vastgesteld;
c) omdat krachtens de ten deze geldende prijsvoorschriften - de Prijzenbeschikking Invoergoederen 1947 en de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939, waarop deze beschikking berust - een overeenkomst, waarbij een hogere prijs overeengekomen wordt dan bij deze voorschriften is geoorloofd, nietig is, althans nietig is, voorzover een hogere prijs is overeengekomen dan ingevolge deze voorschriften is geoorloofd;
zodat het Hof de tweede en derde grief van appellanten niet onbesproken had mogen laten.
Overwegende daaromtrent:
dat Flora haar vordering tot vaststelling van de nietigheid van de onderhavige koopovereenkomst hierop heeft doen steunen, dat deze overeenkomst zou zijn aangegaan in strijd met de prijsvoorschriften, gegeven krachtens artikel 3 van de Prijsopdrijvings- en Hamsterwet 1939;
dat het Hof heeft geoordeeld, dat de overeenkomst slechts dan nietig zou zijn, indien beide partijen bij het aangaan daarvan zouden hebben geweten, dat de bedongen koopprijs hoger was dan bedoelde prijsvoorschriften toelieten;
dat het middel deze opvatting terecht bestrijdt;
dat immers de overtreding van een wettelijk voorschrift, Waarbij het sluiten van bepaalde overeenkomsten wordt verboden, nietigheid meebrengt, behalve in het zich te dezen niet voordoende geval, dat uit het voorschrift zelf of uit de strekking daarvan volgt, dat aan de overtreding dit gevolg niet is verbonden;
Vernietigt het bestreden arrest;
Verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde met inachtneming van dit arrest verder te worden behandeld en afgedaan;
Veroordeelt verweerders in de kosten, tot aan de uitspraak van dit arrest aan de zijde van eisers begroot op vier en vijftig gulden en negentig cent aan verschot ten en Vijfhonderd gulden voor salaris.
Gedaan bij de Heren Donner, President, van der Meulen, Hijink, Smits en de Jong, Raden, en door den oudsten Raadsheer van der Meulen uitgesproken ter openbare terechtzitting van den elfden Mei 1900 Een en Vijftig, in tegenwoordigheid van den Advocaat-Generaal Langemeijer.