Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:1935:5
1935-12-16
Civiel recht
1486
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1936:2 → ECLI:NL:PHR:1935:5
Inhoudsindicatie
Vordering tot verwijdering van de woorden „J. Blitz", althans „en Co" uit den handelsnaam „J. Blitz en Co". Wie belanghebbende is ln den zin van art. 6 H.n vt et. Handeling in strijd met art. 3 H.n wet. In welk geval deze handeling niet onrechtmatig is. Toestemming van den drager van den naam. Overleden zijn van dien drager. Door beide partijen handelen in strijd met art. 4 H.n wet.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.978 tekens)
De Procureur-generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden;
Gezien het verzoekschrift van [requestrant] strekkende tot vernietiging van een beschikking der Arr. Rechtbank te Amsterdam van 25 October 1935 en waarbij hij in een tegen [gerequestreerde] gericht verzoek tot wijziging van den naam, waaronder deze zijn zaak voert, niet-ontvankelijk is verklaard, bij welk verzoekschrift tegen deze beschikking vijf grieven worden aangevoerd;
Overwegende, dat de grief onder a gegrond schijnt, daar art.6 der Handelsnaamwet, S. 1921, No.842, het recht om wijziging te vragen van een in strijd met de wet door een ander gevoerden handelsnaam, aan iederen belanghebbende toekent, zonder een uitzondering te maken voor een belanghebbende, die zelf een verboden handelsnaam voert, en dat daargelaten kan worden, of die ander wellicht zich met een dergelijk tegen den verzoeker gericht verzoek tot den Kantonrechter zou kunnen wenden;
Overwegende, dat ook de grief onder b gegrond voorkomt, omdat inderdaad door het te 's Gravenhage vestigen van het filiaal door [betrokkene 1] in het jaar 1925, toen aldaar de zaak van verzoeker al of niet rechtmatig onder den naam [A] (en Co) reeds gedreven werd, en door de voortzetting van dit filiaal onder den naam van [betrokkene 1] of [A] door [gerequestreerde] verwarring bij het publiek te duchten is;
Overwegende, dat ook de grief onder C juist schijnt, daar de omstandigheid, dat de door [betrokkene 2] met zijn broeder [betrokkene 1] vroeger te Rotterdam gedreven zaak bij de ontbinding der tusschen hen bestaande vennootschap op 31 December 1911 niet aan eerstgenoemde zou zijn overgegaan, dezen niet-gelijk de Rechtbank meent-kon beletten om eenige jaren later onder zijn eigen naam te 's Gravenhage een zaak te beginnen, die later met den naam op anderen en ten slotte op verzoeker zou zijn overgedragen;
Overwegende, dat hetzelfde geldt van de grief onder d, welke welke in overeenstemming is met het in art. 3, lid 3, der Handelsnaamwet bepaalde, aangenomen, dat bedoelde zaak met den naam van [betrokkene 2] is overgedragen eerst aan diens weduwe, daarna aan [betrokkene 3] , die een en ander inracht in zijn vennootschap met verzoeker en eindelijk op verzoeker alleen;
Overwegende, dat echter de grief onder e ongegrond schijnt, daar het reeds in 1923 overleden zijn van [betrokkene 2] niets kan afdoen aan den verkeerden indruk, die het hiermede niet noodzakelijkerwijs bekende publiek uit het bezigen van den naam [A] door den verzoeker kon krijgen, dat diens zaak geheel of gedeeltelijk aan zekeren [betrokkene 2] toebehoorde ;
Overwegende, dat dit laatste echter, nu de overige grieven gegrond zijn, niet van invloed kan zijn op den uitslag van het ingesteld beroep;
Concludeert tot vernietiging der bestreden beschikking en tot verwijzing der zaak naar de Arrondissements-Rechtbank om met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest te worden berecht en beslist.
Parket, 16 December 1935.
Gezien het verzoekschrift van [requestrant] strekkende tot vernietiging van een beschikking der Arr. Rechtbank te Amsterdam van 25 October 1935 en waarbij hij in een tegen [gerequestreerde] gericht verzoek tot wijziging van den naam, waaronder deze zijn zaak voert, niet-ontvankelijk is verklaard, bij welk verzoekschrift tegen deze beschikking vijf grieven worden aangevoerd;
Overwegende, dat de grief onder a gegrond schijnt, daar art.6 der Handelsnaamwet, S. 1921, No.842, het recht om wijziging te vragen van een in strijd met de wet door een ander gevoerden handelsnaam, aan iederen belanghebbende toekent, zonder een uitzondering te maken voor een belanghebbende, die zelf een verboden handelsnaam voert, en dat daargelaten kan worden, of die ander wellicht zich met een dergelijk tegen den verzoeker gericht verzoek tot den Kantonrechter zou kunnen wenden;
Overwegende, dat ook de grief onder b gegrond voorkomt, omdat inderdaad door het te 's Gravenhage vestigen van het filiaal door [betrokkene 1] in het jaar 1925, toen aldaar de zaak van verzoeker al of niet rechtmatig onder den naam [A] (en Co) reeds gedreven werd, en door de voortzetting van dit filiaal onder den naam van [betrokkene 1] of [A] door [gerequestreerde] verwarring bij het publiek te duchten is;
Overwegende, dat ook de grief onder C juist schijnt, daar de omstandigheid, dat de door [betrokkene 2] met zijn broeder [betrokkene 1] vroeger te Rotterdam gedreven zaak bij de ontbinding der tusschen hen bestaande vennootschap op 31 December 1911 niet aan eerstgenoemde zou zijn overgegaan, dezen niet-gelijk de Rechtbank meent-kon beletten om eenige jaren later onder zijn eigen naam te 's Gravenhage een zaak te beginnen, die later met den naam op anderen en ten slotte op verzoeker zou zijn overgedragen;
Overwegende, dat hetzelfde geldt van de grief onder d, welke welke in overeenstemming is met het in art. 3, lid 3, der Handelsnaamwet bepaalde, aangenomen, dat bedoelde zaak met den naam van [betrokkene 2] is overgedragen eerst aan diens weduwe, daarna aan [betrokkene 3] , die een en ander inracht in zijn vennootschap met verzoeker en eindelijk op verzoeker alleen;
Overwegende, dat echter de grief onder e ongegrond schijnt, daar het reeds in 1923 overleden zijn van [betrokkene 2] niets kan afdoen aan den verkeerden indruk, die het hiermede niet noodzakelijkerwijs bekende publiek uit het bezigen van den naam [A] door den verzoeker kon krijgen, dat diens zaak geheel of gedeeltelijk aan zekeren [betrokkene 2] toebehoorde ;
Overwegende, dat dit laatste echter, nu de overige grieven gegrond zijn, niet van invloed kan zijn op den uitslag van het ingesteld beroep;
Concludeert tot vernietiging der bestreden beschikking en tot verwijzing der zaak naar de Arrondissements-Rechtbank om met inachtneming van het door den Hoogen Raad te wijzen arrest te worden berecht en beslist.
Parket, 16 December 1935.