Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
ECLI:NL:OGEABES:2025:172
2025-04-03
Strafrecht
400.00076-23 & 420.00379-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vrijspraak van het bezit van cocaïne, omdat het aangetroffen witte poeder niet officieel is getest. Veroordeling voor het aanwezig hebben van hasjiesj en hennep, en voor rijden onder invloed.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.290 tekens)
Parketnummers: 400.00076/23 & 420.00379/23
Uitspraak: 3 april 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
wonende op Bonaire, [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek op de openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2025. De verdachte is, zonder bijstand van een advocaat, ter terechtzitting verschenen.
De officier van justitie, mr. A. Rienhart-Martis, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot de volgende straffen:
Voor de feiten 1 en 2: een geldboete van $ 300,-;
Voor feit 3: een geldboete van $ 450,-.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:
Feit 1:
op of omstreeks 25 februari 2023 op het eiland Bonaire, al dan niet opzettelijk in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 2,3 gram, althans een hoeveelheid cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES.
Feit 2:
op of omstreeks 25 februari 2023 op het eiland Bonaire, al dan niet opzettelijk in zijn bezit en /of aanwezig heeft gehad ongeveer 2,9 gram hasjiesj, althans een hoeveelheid hasjiesj en/of ongeveer 30,2 gram hennep, althans een hoeveelheid hennep, telkens zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES.
Feit 3:
op of omstreeks 3 december 2023 op het eiland Bonaire, als bestuurder van een voertuig (een personenauto met kenteken B-789), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van feit 1
Het Gerecht is van oordeel dat voor het onder feit 1 ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Bij de verdachte zijn op 25 februari 2023 onder andere zakjes met wit poeder aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevinden onderzoek verdovende middelen volgt dat het gaat om zes zakjes wit kleurige substantie, met een totaal gewicht van 2,3 gram. De voorlopige MMC veldtest gaf een positieve indicatie voor de stof cocaïne.
Van de witte substantie is een monster genomen. Volgens het proces-verbaal zou dit monster worden verzonden naar het NFI. De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat het niet verzonden is naar het NFI omdat verdachte in eerste instantie een bekennende verklaring had afgelegd. Het dossier bevat dus geen uitkomsten van het NFI onderzoek. Het dossier bevat ook geen ander stuk waaruit volgt dat de witte substantie daadwerkelijk cocaïne bevatte.
De verdachte heeft in zijn 1e verhoor verklaard dat hij ‘marihuana en cocaïne’ bij zich had. Maar hij heeft niet verklaard of hij en zo ja hoe, hij wist dat het cocaïne was (doordat hij het bijvoorbeeld deels had gebruikt). Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij geen cocaïne bij zich had.
Al met al kan het Gerecht niet met voldoende zekerheid vaststellen dat het witte poeder c.q. de witte substantie daadwerkelijk cocaïne bevatte.
De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 1.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat.
Verder merkt het Gerecht op dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn op Bonaire.
Ten aanzien van feit 2:
1. Proces-verbaal van aanhouding d.d. 26 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende:
“Op 25 februari 2023 hadden wij een melding gekregen. Wij fouilleerden de man [verdachte]. Tijdens de fouillering heeft verbalisant [verbalisant 3] vermoedelijk marihuana [gevonden]. Tijdens het doorzoeken van het voertuig van verdachte hebben verbalisanten hoeveelheden opium op verschillende plekken in de auto aangetroffen.”
2. Proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen d.d. 1 maart 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4], voor zover inhoudende:
“Verdachte: [verdachte]. Deze partij verdovende middelen werd op 25 februari 2023 in beslag genomen door de agent [verbalisant 3].
De aangeboden partij bestond uit:
2 zakjes donkerbruin kleurig op hasj gelijkende substantie.
Het nettogewicht bedroeg 2.9 gram
18 zakjes op marihuana gelijkende kruid.”
“Het nettogewicht bedroeg 30.2 gram.
De bovengenoemde zakjes bruinkleurige op hasj gelijkend substantie, werd door mij getest met behulp van de indicatieve verdovende middelen veldtest “MMC”. Ik zag dat de verkleuring van de test een betrouwbare positieve indicatie van de stof hasj gaf, zijnde een stof die vermeld is in de Opiumwet.
De bovengenoemde op Marihuana Kruiden, werden door mij getest met behulp van de indicatieve verdovende middelen veldtest “MMC” Ik zag dat de verkleuring van de test een betrouwbare positieve indicatie van de stof marihuana gaf, zijnde een stof die vermeld is in de Opiumwet.”
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 april 2025, voor zover inhoudende:
“Op 25 februari 2023 had ik verdovende middelen bij mij. Het klopt dat het marihuana en hennep was.”
Ten aanzien van feit 3:
4. Proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 december 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 5], voor zover inhoudende:
“Op 3 december 2023 kregen wij een melding van een hit and run op de Malekon. Ter plaatse aangekomen zagen wij dat het voertuig schade had. De bestuurder bleek te zijn [verdachte]. Wij hadden waargenomen dat de bestuurders adem naar alcohol rook, bloeddoorlopen ogen had, sprak met dubbele tong en de man was onvast ter been. Op dat moment werd [verdachte] aangehouden ter zake rijden onder invloed.”
5. Proces-verbaal van bevindingen (bij voorgeleiding) d.d. 4 december 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6], voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
“Naam verdachte: [verdachte].
Aanhouding: 3 december 2023.
De verdachte verklaarde het volgende: ik heb zes bier gedronken. Ik was aan het rijden op de Malekon. Ik kreeg een aanrijding.”
Bewezenverklaring
Het Gerecht vindt - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
Feit 2:
op 25 februari 2023 op het eiland Bonaire opzettelijk aanwezig heeft gehad 2,9 gram
hasjiesj en 30,2 gram hennep.
Feit 3:
op 3 december 2023 op het eiland Bonaire, als bestuurder van een voertuig (een personenauto met kenteken [kenteken]), dit voertuig heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Het Gerecht vindt niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij/zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 4 juncto 11 Opiumwet BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid onder B, van de Opiumwet 1960 BES.
Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 28 juncto 131 Wegenverkeersverordening Bonaire. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Handelen in strijd met artikel, 28, eerste lid, van de Wegenverkeersverordening Bonaire.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de hoogte op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Daarbij heeft het Gerecht rekening gehouden de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dit geval heeft de verdachte hennep en hasjiesj aanwezig gehad en dronken gereden.
Het Gerecht stelt vast dat er ten aanzien van feit 2 sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Die redelijke termijn heeft een aanvang genomen op 25 februari 2023, toen de verdachte werd aangehouden. Dat is meer dan twee jaar geleden. Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. Het Gerecht is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval tot strafvermindering moet leiden, in die zin dat het Gerecht de geldboete van $ 200,- geheel voorwaardelijk zal opleggen, met een proeftijd van 1 jaar.
Feit 3 betreft een overtreding. Het Gerecht zal om die reden hiervoor een afzonderlijke straf opleggen. Vanwege het tijdsverloop volstaat het Gerecht voor feit 3 met een geldboete van $ 300,-. Deze geldboete mag in 6 termijnen worden betaald.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 27, 27b, 28 en 64 van het
Wetboek van Strafrecht BES.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte voor feit 2 tot een geldboete van $ 200,- (tweehonderd Amerikaanse dollar), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis;
bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (een) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
veroordeelt de verdachte voor feit 3 tot een geldboete van $ 300,- (driehonderd Amerikaanse dollar), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis;
bepaalt dat de veroordeelde deze boete mag betalen in 6 (zes) maandelijkse termijnen van USD 50,- (vijftig Amerikaanse dollar).
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en op 3 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Caribisch Nederland met de onderzoeksnaam “Black”, bij het OM binnengekomen op 22 maart 2023 (ten aanzien van feit 2), en het proces-verbaal van het Korps Politie Caribisch Nederland, bij het OM binnengekomen op 4 december 2023.
Uitspraak: 3 april 2025 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],
wonende op Bonaire, [adres].
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek op de openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2025. De verdachte is, zonder bijstand van een advocaat, ter terechtzitting verschenen.
De officier van justitie, mr. A. Rienhart-Martis, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot de volgende straffen:
Voor de feiten 1 en 2: een geldboete van $ 300,-;
Voor feit 3: een geldboete van $ 450,-.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:
Feit 1:
op of omstreeks 25 februari 2023 op het eiland Bonaire, al dan niet opzettelijk in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad ongeveer 2,3 gram, althans een hoeveelheid cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES.
Feit 2:
op of omstreeks 25 februari 2023 op het eiland Bonaire, al dan niet opzettelijk in zijn bezit en /of aanwezig heeft gehad ongeveer 2,9 gram hasjiesj, althans een hoeveelheid hasjiesj en/of ongeveer 30,2 gram hennep, althans een hoeveelheid hennep, telkens zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES.
Feit 3:
op of omstreeks 3 december 2023 op het eiland Bonaire, als bestuurder van een voertuig (een personenauto met kenteken B-789), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Vrijspraak van feit 1
Het Gerecht is van oordeel dat voor het onder feit 1 ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
Bij de verdachte zijn op 25 februari 2023 onder andere zakjes met wit poeder aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevinden onderzoek verdovende middelen volgt dat het gaat om zes zakjes wit kleurige substantie, met een totaal gewicht van 2,3 gram. De voorlopige MMC veldtest gaf een positieve indicatie voor de stof cocaïne.
Van de witte substantie is een monster genomen. Volgens het proces-verbaal zou dit monster worden verzonden naar het NFI. De officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat het niet verzonden is naar het NFI omdat verdachte in eerste instantie een bekennende verklaring had afgelegd. Het dossier bevat dus geen uitkomsten van het NFI onderzoek. Het dossier bevat ook geen ander stuk waaruit volgt dat de witte substantie daadwerkelijk cocaïne bevatte.
De verdachte heeft in zijn 1e verhoor verklaard dat hij ‘marihuana en cocaïne’ bij zich had. Maar hij heeft niet verklaard of hij en zo ja hoe, hij wist dat het cocaïne was (doordat hij het bijvoorbeeld deels had gebruikt). Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij geen cocaïne bij zich had.
Al met al kan het Gerecht niet met voldoende zekerheid vaststellen dat het witte poeder c.q. de witte substantie daadwerkelijk cocaïne bevatte.
De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 1.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat.
Verder merkt het Gerecht op dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn op Bonaire.
Ten aanzien van feit 2:
1. Proces-verbaal van aanhouding d.d. 26 februari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende:
“Op 25 februari 2023 hadden wij een melding gekregen. Wij fouilleerden de man [verdachte]. Tijdens de fouillering heeft verbalisant [verbalisant 3] vermoedelijk marihuana [gevonden]. Tijdens het doorzoeken van het voertuig van verdachte hebben verbalisanten hoeveelheden opium op verschillende plekken in de auto aangetroffen.”
2. Proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen d.d. 1 maart 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 4], voor zover inhoudende:
“Verdachte: [verdachte]. Deze partij verdovende middelen werd op 25 februari 2023 in beslag genomen door de agent [verbalisant 3].
De aangeboden partij bestond uit:
2 zakjes donkerbruin kleurig op hasj gelijkende substantie.
Het nettogewicht bedroeg 2.9 gram
18 zakjes op marihuana gelijkende kruid.”
“Het nettogewicht bedroeg 30.2 gram.
De bovengenoemde zakjes bruinkleurige op hasj gelijkend substantie, werd door mij getest met behulp van de indicatieve verdovende middelen veldtest “MMC”. Ik zag dat de verkleuring van de test een betrouwbare positieve indicatie van de stof hasj gaf, zijnde een stof die vermeld is in de Opiumwet.
De bovengenoemde op Marihuana Kruiden, werden door mij getest met behulp van de indicatieve verdovende middelen veldtest “MMC” Ik zag dat de verkleuring van de test een betrouwbare positieve indicatie van de stof marihuana gaf, zijnde een stof die vermeld is in de Opiumwet.”
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 3 april 2025, voor zover inhoudende:
“Op 25 februari 2023 had ik verdovende middelen bij mij. Het klopt dat het marihuana en hennep was.”
Ten aanzien van feit 3:
4. Proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 december 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 5], voor zover inhoudende:
“Op 3 december 2023 kregen wij een melding van een hit and run op de Malekon. Ter plaatse aangekomen zagen wij dat het voertuig schade had. De bestuurder bleek te zijn [verdachte]. Wij hadden waargenomen dat de bestuurders adem naar alcohol rook, bloeddoorlopen ogen had, sprak met dubbele tong en de man was onvast ter been. Op dat moment werd [verdachte] aangehouden ter zake rijden onder invloed.”
5. Proces-verbaal van bevindingen (bij voorgeleiding) d.d. 4 december 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 6], voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
“Naam verdachte: [verdachte].
Aanhouding: 3 december 2023.
De verdachte verklaarde het volgende: ik heb zes bier gedronken. Ik was aan het rijden op de Malekon. Ik kreeg een aanrijding.”
Bewezenverklaring
Het Gerecht vindt - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:
Feit 2:
op 25 februari 2023 op het eiland Bonaire opzettelijk aanwezig heeft gehad 2,9 gram
hasjiesj en 30,2 gram hennep.
Feit 3:
op 3 december 2023 op het eiland Bonaire, als bestuurder van een voertuig (een personenauto met kenteken [kenteken]), dit voertuig heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik daarvan de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
Het Gerecht vindt niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij/zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 4 juncto 11 Opiumwet BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid onder B, van de Opiumwet 1960 BES.
Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 28 juncto 131 Wegenverkeersverordening Bonaire. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Handelen in strijd met artikel, 28, eerste lid, van de Wegenverkeersverordening Bonaire.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Oplegging van straf
Bij de bepaling van de hoogte op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Daarbij heeft het Gerecht rekening gehouden de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dit geval heeft de verdachte hennep en hasjiesj aanwezig gehad en dronken gereden.
Het Gerecht stelt vast dat er ten aanzien van feit 2 sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Die redelijke termijn heeft een aanvang genomen op 25 februari 2023, toen de verdachte werd aangehouden. Dat is meer dan twee jaar geleden. Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen. Het Gerecht is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval tot strafvermindering moet leiden, in die zin dat het Gerecht de geldboete van $ 200,- geheel voorwaardelijk zal opleggen, met een proeftijd van 1 jaar.
Feit 3 betreft een overtreding. Het Gerecht zal om die reden hiervoor een afzonderlijke straf opleggen. Vanwege het tijdsverloop volstaat het Gerecht voor feit 3 met een geldboete van $ 300,-. Deze geldboete mag in 6 termijnen worden betaald.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 27, 27b, 28 en 64 van het
Wetboek van Strafrecht BES.
BESLISSING
Het Gerecht:
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte voor feit 2 tot een geldboete van $ 200,- (tweehonderd Amerikaanse dollar), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis;
bepaalt dat deze geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (een) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
veroordeelt de verdachte voor feit 3 tot een geldboete van $ 300,- (driehonderd Amerikaanse dollar), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis;
bepaalt dat de veroordeelde deze boete mag betalen in 6 (zes) maandelijkse termijnen van USD 50,- (vijftig Amerikaanse dollar).
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. S.D. Rodenboog, griffier, en op 3 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Caribisch Nederland met de onderzoeksnaam “Black”, bij het OM binnengekomen op 22 maart 2023 (ten aanzien van feit 2), en het proces-verbaal van het Korps Politie Caribisch Nederland, bij het OM binnengekomen op 4 december 2023.