Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:707
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:707 → ECLI:NL:GHAMS:2024:974
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:707 → ECLI:NL:PHR:2026:310
Inhoudsindicatie
Ontucht met jonge vrouw die t.g.v. alcoholgebruik in staat van verminderd bewustzijn verkeert door beveiliger van campus, art. 247 (oud) Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Grondslagverlating, nu hof niet alleen “verminderd bewustzijn” heeft bewezenverklaard maar ook “niet of onvolkomen in staat zijn haar wil te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden”? 2. Bewijsklacht verminderd bewustzijn. 3. Bewijsklacht opzet op verminderd bewustzijn. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft (ook blijkens zijn bewijsoverwegingen) niet onjuiste betekenis toegekend aan onderdeel van tll. Feit dat is bewezenverklaard betreft (ook) geen ander feit dan hetgeen ten laste is gelegd. Van grondslagverlating is daarom geen sprake. Ad 2. Uit wetsgeschiedenis van art. 247 (oud) Sr blijkt dat wetgever met dit bestanddeel (mede) het oog heeft gehad op situatie waarin iemand zich in roes bevindt t.g.v. innemen van alcohol. ’s Hofs oordeel dat aangeefster voorafgaand en tijdens seksuele handeling met verdachte in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 3. ’s Hofs oordeel dat verdachte wist dat aangeefster in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat hof heeft vastgesteld dat aangeefster om 5:35 uur is aangekomen bij receptie van campus waar verdachte achter balie zat, dat verdachte haar ondersteunt met lopen en dat hij haar omhoog heeft moeten hijsen kennelijk omdat zij door haar benen is gezakt, en dat collega van verdachte heeft verklaard dat aangeefster “ver heen” was. Volgt verwerping.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3786 Rechtbank Midden-Nederland 30-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:3788 Rechtbank Midden-Nederland 30-06-2026
Volledige tekst
Volledige tekst (1.693 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 24/01577
Datum 21 april 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 april 2024, nummer 23-000616-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en S.J. van der Woude bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring.
2.2
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.3 tot en met 2.5.
2.3
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3 en 4.
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.