Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:683

2026-04-21 Strafrecht 23/04258
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-04-21
Publicatiedatum
2026-04-17
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
23/04258
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2026/588

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Mishandeling van buurvrouw, art. 300.1 Sr. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt m.b.t. betrouwbaarheid van verklaring van aangeefster, art. 359.2 Sv. HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (2.286 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 23/04258

Datum 21 april 2026




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2023, nummer 22-002348-22, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.




2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 300 volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.



4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.



Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 april 2026.