Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:618
2026-04-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/04274
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:618 → ECLI:NL:GHAMS:2025:1956
Inhoudsindicatie
HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2024:1182 Hoge Raad 13-09-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2026 Gerechtshof Den Haag 04-10-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1956 Gerechtshof Amsterdam 15-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.311 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 25/04274
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
vertegenwoordigd door [P],
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 juli 2025, nrs. 25/260, 25/261 en 25/262, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 tot en met 2019 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Het eerste geding in cassatie
Bij arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1182, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 oktober 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2026, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.
2Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
3Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
ECLI:NL:GHAMS:2025:1956.
BELASTINGKAMER
Nummer 25/04274
Datum 10 april 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
vertegenwoordigd door [P],
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 15 juli 2025, nrs. 25/260, 25/261 en 25/262, betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2017 tot en met 2019 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1Het eerste geding in cassatie
Bij arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1182, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 oktober 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2026, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.
2Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
3Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
ECLI:NL:GHAMS:2025:1956.