Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:492

2026-04-10 Bestuursrecht; Belastingrecht 25/01609
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-04-10
Publicatiedatum
2026-03-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
25/01609
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | Viditax (FutD) 2026041014 | V-N Vandaag 2026/698 | FutD 2026-0625 | NDFR Nieuws 2026/564 | V-N 2026/17.23 met annotatie van Redactie | NTFR 2026/689 met annotatie van mr. S. El Oiskhiri | NLF 2026/0706 met annotatie van mr. F.S. de Vos | NJB 2026/927 | Belastingblad 2026/201 met annotatie van L.J. Boone | BNB 2026/75 | FED 2026/67 met annotatie van R.H. Kastelein

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting; art. 7:10 Awb; art. 236, lid 2, en art. 231, lid 1, letter b, van de Gemeentewet; art. 4:18 Awb; beslistermijn heffingsambtenaar bij bezwaar tegen dwangsombeschikking die betrekking heeft op het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

Citeert (1)

Geciteerd door (1)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.379 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



BELASTINGKAMER




Nummer 25/01609

Datum 10 april 2026



ARREST



in de zaak van




[X] (hierna: belanghebbende)



op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 13 maart 2025, nr. 24/275, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 22/4886) betreffende een beschikking op een verzoek om een dwangsom wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op een bezwaar tegen een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.





1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door N.G.A. Voorbach, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.



2Uitgangspunten in cassatie

2.1
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (hierna: de heffingsambtenaar) op 9 augustus 2022 in gebreke gesteld wegens het niet-doen van uitspraak op een volgens belanghebbende op 14 juni 2022 gemaakt bezwaar tegen een dwangsombeschikking die betrekking heeft op niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar tegen een aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting.


2.2
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de termijn om te beslissen op het bezwaar tegen de hiervoor in 2.1 bedoelde dwangsombeschikking op de voet van artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet liep tot 31 december 2022, zodat de ingebrekestelling prematuur is geschied. Daardoor is niet voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar, zodat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, aldus de Rechtbank.




3De oordelen van het Hof

3.1
Voor het Hof was in geschil of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daarbij was in het bijzonder in geschil of de bijzondere beslistermijn van artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet van toepassing is.


3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat die bijzondere beslistermijn blijkens de wetsgeschiedenis weliswaar is opgenomen in de Gemeentewet “met het oog op de piekbelasting als gevolg van de koppeling van de verzending van de gemeentelijke belastingaanslagen aan de beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken”, maar dat die beslistermijn door de wetgever in artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet niet is beperkt tot beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aan die beschikking gerelateerde belastingaanslagen.




4Beoordeling van het middel

4.1
Het middel betoogt dat de verlengde beslistermijn van artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet niet geldt voor dwangsombeschikkingen, maar alleen geldt voor zover sprake is van de heffing van een gemeentelijke belasting.


4.2
Artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet bepaalt dat op een bezwaarschrift dat niet is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar, de in artikel 231, lid 2, letter b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar, in afwijking van artikel 7:10, lid 1, Awb, uitspraak doet in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. In deze bepaling is als hoofdregel vervat dat de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar moet doen in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ingediend.


4.3
De opvatting van het middel dat de hiervoor in 4.2 bedoelde hoofdregel niet geldt in het geval de heffingsambtenaar uitspraak moet doen op een bezwaar dat is gericht tegen een dwangsombeschikking als bedoeld in artikel 4:18 Awb, is onjuist. Volgens de tekst van artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet heeft deze bepaling betrekking op elk bezwaarschrift waarop de in artikel 231, lid 2, letter b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar uitspraak doet. Deze bepaling is dus volgens haar bewoordingen niet beperkt tot bezwaarschriften die zien op de heffing van gemeentelijke belastingen. Aan de wetsgeschiedenis zijn geen argumenten te ontlenen die aanleiding geven tot een andere – van haar bewoordingen afwijkende – uitleg van deze bepaling. Het voorgaande brengt mee dat artikel 236, lid 2, van de Gemeentewet ook van toepassing is indien een gemeenteambtenaar als bedoeld in artikel 231, lid 2, letter b, van de Gemeentewet uitspraak doet op een bezwaarschrift dat is gericht tegen een door hem genomen dwangsombeschikking als bedoeld in artikel 4:18 Awb wegens het niet-tijdig geven door die ambtenaar van een beschikking op aanvraag. Het middel faalt.




5Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.


Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.



ECLI:NL:GHAMS:2025:1481.


Kamerstukken II 2007/08, 31 206, nr. 7, blz. 15-16; Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, blz. 29-31.