Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:378

2026-03-10 Strafrecht 24/00693
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-03-10
Publicatiedatum
2026-03-08
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
24/00693
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2026/427

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. mishandeling (art. 300.1 Sr) en diefstal (art. 310 Sr). Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e.1.b.2 Sv. Had dagvaarding in h.b. moeten worden betekend op het door verdachte bij het instellen van h.b. opgegeven domicilieadres (kantooradres van zijn raadsvrouw) in akte instellen h.b.? HR: art. 81.1 RO.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (1.630 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER




Nummer 24/00693

Datum 10 maart 2026



ARREST



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 februari 2024, nummer 22-002182-23, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat N. Roos bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.




2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.


Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.