Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:343
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:343 → ECLI:NL:PHR:2025:1375
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94a Sv onder klaagster en ander op woning, auto’s, boot, effectenportefeuilles en bankrekeningen in Zwitserland en Nederland t.l.v. klaagster en die ander i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek “Milwaukee” t.z.v. verdenking van illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan criminele organisatie, met het oog op ontneming van w.v.v. Proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting van beslag. 1. Kon Rb (economische raadkamer) - in het licht van aangevoerde over wanverhouding tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en te verwachten hoogte van mogelijk op te leggen betalingsverplichting - oordelen dat beslag niet in strijd is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat zij niet kan vaststellen dat sprake is van ‘overbeslag’? Belang bij cassatie nu door raadslieden geschatte waarde van inbeslaggenomen voorwerpen lager is dan hoogte van geschat w.v.v.? 2. Kon Rb - in het licht van aangevoerde over persoonlijke belangen van klaagster bij opheffing van beslag - oordelen dat voortzetting van beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat zij niet kan vaststellen dat klaagster a.g.v. beslag in zodanig nijpende financiële situatie verkeert dat voortduring van beslag in strijd zou zijn met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 25/00320 B, 25/00322 B, 25/00326 B, 25/00328 B, 25/00330 B, 25/00331 B, 25/00332 B, 25/00333 B, 25/00334 B en 25/00335 B.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.851 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 25/00321 B
Datum 10 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/020112, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] N.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] (Curaçao),
hierna: de klaagster.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026.