Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2026:1479
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2026:1479 → ECLI:NL:GHAMS:2024:188
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:1479 → ECLI:NL:PHR:2026:621
Inhoudsindicatie
Strafrechtelijk onderzoek Tandem IV. (Medeplegen) valsheid in geschrift (art. 225.1 Sr), feitelijk leiding geven aan medeplegen valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.2 Sr), medeplegen gewoontewitwassen van verschillende geldbedragen (art. 420ter.1 jo. 420bis.1.a en 420bis.1.b Sr) en medeplegen witwassen van appartement (art. 420bis.1.b Sr). Vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. medeplegen gewoontewitwassen van aantal geldbedragen. 1. Bewijsklacht feitelijk leiding geven aan medeplegen valsheid in geschrift t.a.v. valsheid van facturen. 2. Bewijsklachten medeplegen gewoontewitwassen t.a.v. “afkomstig uit enig misdrijf”. 3. Strafmotivering (gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk). Is strafoplegging toereikend gemotiveerd in het licht van straftoemetingsverweer van verdediging? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/00272 en 24/00454.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.974 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 24/00337
Datum 22 september 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2024, nummer 23-002776-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte 2] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B.Th. Nooitgedagt bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.T.C. van Kampen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het derde cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
2.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit alles brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 16 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
3Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren R. Kuiper en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 september 2026.