Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:1444

2026-09-11 Civiel recht; Personen- en familierecht 25/02787
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-11
Publicatiedatum
2026-09-11
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
25/02787
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NJB 2026/1632

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Wet zorg en dwang (Wzd). Opvolgende machtiging tot voortgezet verblijf in accommodatie op voet van art. 24 Wzd. Moet in dat kader overgelegd zorgplan (art. 26 lid 7 Wzd) alle vormen van onvrijwillige zorg vermelden?

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.449 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



CIVIELE KAMER






Nummer 25/02787

Datum 11 september 2026




BESCHIKKING




In de zaak van




[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,



tegen



CENTRUM INDICATIESTELLING ZORG,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: het CIZ,
advocaat: R. de Graaff.





1Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/684409 / FA RK 25-3213 van de rechtbank Den Haag van 21 mei 2025.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Het CIZ heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot verwerping van het cassatieberoep.





2Uitgangspunten en feiten

2.1
In deze zaak heeft het CIZ de rechtbank verzocht een machtiging als bedoeld in art. 24 lid 1 Wzd te verlenen tot voortzetting van het verblijf van betrokkene in een accommodatie voor de duur van één jaar, in aansluiting op een eerdere machtiging op grond van de Wzd. Bij het verzoekschrift is onder meer een zorgplan overgelegd.



2.2
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene onder meer betoogd dat het verzoek moet worden afgewezen dan wel aangehouden omdat in het zorgplan niet de Wzd-maatregelen zijn opgenomen.



2.3
De rechtbank heeft een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van betrokkene verleend voor de duur van één jaar. Over het zorgplan heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:


“De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek aan te houden of af te wijzen, omdat sprake zou zijn van een incompleet zorgplan. In het geval een rechterlijke machtiging wordt aangevraagd voor een cliënt die al in een accommodatie verblijft, verstrekt het CIZ bij die aanvraag ook het zorgplan. De rechtbank stelt vast dat het zorgplan is verstrekt. Zoals de arts ter zitting heeft toegelicht is het cliëntplan het zorgplan. Dan is het vervolgens de vraag of dit zorgplan dusdanige gebreken vertoont dat de rechtbank geen beslissing kan nemen op het verzoek. De rechtbank is van oordeel dat dit niet aan de orde is. Anders dan in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg is er in de Wzd voor gekozen om de besluitvorming over de vormen van onvrijwillige zorg bij de zorgprofessionals te leggen. Voor zover er daarom een gebrek in het zorgplan zou zijn, vormt dit geen aanleiding voor een aanhouding of afwijzing van het verzoek, omdat de rechtbank de voor haar besluit benodigde informatie heeft.”






3Beoordeling van het middel

3.1
Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel. Volgens het middel is dit oordeel in strijd met art. 26 lid 7 Wzd in verbinding met art. 38 lid 5 en lid 9 Wzd en art 10 Wzd in verbinding met art. 5 lid 1, aanhef en onder e, EVRM en art. 6 lid 1 EVRM, althans is het oordeel onbegrijpelijk. Het middel klaagt dat de rechtbank de behandeling van het verzoek had moeten aanhouden, dan wel het verzoek had moeten afwijzen omdat het zorgplan niet (volledig) de vormen van onvrijwillige zorg vermeldt.



3.2
Het middel faalt. De Wzd brengt niet mee dat de rechter een verzoek om een machtiging als bedoeld in art. 24 lid 1 Wzd tot voortzetting van het verblijf van een betrokkene in een accommodatie moet afwijzen, of de behandeling van dat verzoek moet aanhouden, indien het op grond van art. 26 lid 7 Wzd overgelegde zorgplan niet (volledig) de vormen van onvrijwillige zorg vermeldt.





4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.




Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 11 september 2026.





Rechtbank Den Haag 21 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15893.