Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:533
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:533 → ECLI:NL:GHDHA:2022:2790
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:533 → ECLI:NL:PHR:2025:178
Inhoudsindicatie
Eendaadse samenloop van medeplegen invoeren van cocaïne (art. 2.A Opiumwet) en voorbereidingshandelingen t.a.v. vervoeren en invoeren van cocaïne (art. 10a.1.2 Opiumwet) door 754 kilogram cocaïne in container met bananen per schip vanuit Equador naar Rotterdam te vervoeren en vervolgens (nadat grootste deel van cocaïne, afgezien van teruggeplaatst monster van 10 gram, door politie in beslag is genomen) container naar loods in Rozenburg te vervoeren. Strafmotivering (gevangenisstraf van 6 jaren). Kon hof bij strafoplegging rekening houden met verlengde invoer van 750 kilogram cocaïne, nu slechts wettig en overtuigend bewezen is verklaard dat “een hoeveelheid” cocaïne (teruggeplaatst monster) is ingevoerd? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/04383.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.840 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 22/04274
Datum 8 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 november 2022, nummer 22-001124-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad pas uitspraak kan doen nadat meer dan 28 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met zes maanden.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en zes maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2025.