Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:365
2025-03-07
Civiel recht; Arbeidsrecht
23/04731
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2025:365 → ECLI:NL:GHAMS:2023:2526
- conclusie ECLI:NL:HR:2025:365 → ECLI:NL:PHR:2025:38
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Transitievergoeding. Art. 7:673 BW. Vaststelling met inachtneming van door hof bepaalde datum waarop arbeidsovereenkomst eindigt.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2024:1666 Hoge Raad 15-11-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2526 Gerechtshof Amsterdam 05-09-2023
- ECLI:NL:HR:2020:1286 Hoge Raad 17-07-2020
Geciteerd door (26)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6304 Rechtbank Midden-Nederland 02-09-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6142 Rechtbank Midden-Nederland 25-08-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4211 Rechtbank Midden-Nederland 02-07-2026
- ECLI:NL:RBLIM:2026:5188 Rechtbank Limburg 11-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5038 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-05-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2593 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-04-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3596 Rechtbank Amsterdam 30-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2571 Rechtbank Noord-Holland 02-03-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:2021 Rechtbank Rotterdam 02-03-2026
- ECLI:NL:RBOBR:2025:8533 Rechtbank Oost-Brabant 23-12-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7035 Rechtbank Midden-Nederland 17-12-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7035 Rechtbank Midden-Nederland 17-12-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7035 Rechtbank Midden-Nederland 17-12-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7035 Rechtbank Midden-Nederland 17-12-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:6708 Rechtbank Midden-Nederland 08-12-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:9122 Rechtbank Amsterdam 25-11-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7829 Rechtbank Midden-Nederland 11-11-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:7853 Rechtbank Amsterdam 24-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8124 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-10-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:8081 Rechtbank Amsterdam 10-09-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:10938 Rechtbank Rotterdam 29-08-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9527 Rechtbank Rotterdam 05-08-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:3639 Rechtbank Midden-Nederland 18-07-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3616 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-06-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:3974 Rechtbank Amsterdam 06-06-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:3972 Rechtbank Amsterdam 05-06-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (5.047 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04731
Datum 7 maart 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de werknemer],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de werknemer,
advocaat: P.A. Fruytier,
tegen
ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: EUR,
advocaat: E.M. Tjon-En-Fa.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot 15 november 2024 verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van die datum, ECLI:NL:HR:2024:1666.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het Hof Amsterdam van 5 september 2023 in zaak 200.319.593, maar uitsluitend voor zover in het dictum de omvang van de transitievergoeding is bepaald op € 33.571,83 (bruto) in hoofdsom, en tot afdoening zoals voorgesteld in 4.32 van de conclusie.De advocaten van beide partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
De werknemer was sinds 1992 in dienst van EUR. In de arbeidsrelatie zijn problemen ontstaan die vanaf eind 2018 zijn toegenomen.
2.2
In deze procedure verzoekt EUR ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de grond dat de arbeidsverhouding ernstig verstoord is.
2.3
De kantonrechter heeft het ontbindingsverzoek van EUR afgewezen.
2.4
Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 oktober 2023. Verder heeft het hof EUR veroordeeld tot betaling aan [de werknemer] van een transitievergoeding van € 33.571,83 bruto en een billijke vergoeding van € 40.000,-- bruto.
3Beoordeling van het middel
3.1.1 Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3, onder g, BW.
3.1.2 De klachten van dit onderdeel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.2.1 Onderdeel 2 heeft betrekking op de hoogte van de door het hof toegewezen transitievergoeding. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof het door de werknemer in eerste aanleg verzochte bedrag heeft toegewezen, dat was gebaseerd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2022, en niet zelfstandig de hoogte van de transitievergoeding heeft bepaald, rekening houdend met de beslissing van het hof dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 oktober 2023.
3.2.2 Deze klacht is gegrond. De wet bevat nauwkeurige regels voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding en die regels houden onder meer in dat de hoogte daarvan afhankelijk is van de duur van het dienstverband (art. 7:673 lid 2 tot en met 6 BW). Het hof had de hoogte van de transitievergoeding ambtshalve moeten berekenen met inachtneming van de door het hof vastgestelde einddatum van de arbeidsovereenkomst.
3.2.3 De klacht kan echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Uit de reacties van partijen op de conclusie van de Advocaat-Generaal blijkt dat partijen na het instellen van het cassatieberoep overeenstemming hebben bereikt over het bedrag waarmee de door het hof vastgestelde transitievergoeding moet worden aangevuld, en dat EUR dit bedrag inmiddels aan de werknemer heeft betaald. De werknemer heeft daarom ook geen belang bij de overige klachten van onderdeel 2.
3.2.4 Omdat de genoemde overstemming pas is bereikt nadat de werknemer het cassatieberoep had ingesteld, zal de Hoge Raad EUR veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt EUR in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de werknemer] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien EUR deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 7 maart 2025.
Gerechtshof Amsterdam 5 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2526.
Vgl. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, rov. 3.3.7.
CIVIELE KAMER
Nummer 23/04731
Datum 7 maart 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de werknemer],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de werknemer,
advocaat: P.A. Fruytier,
tegen
ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: EUR,
advocaat: E.M. Tjon-En-Fa.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot 15 november 2024 verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van die datum, ECLI:NL:HR:2024:1666.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het Hof Amsterdam van 5 september 2023 in zaak 200.319.593, maar uitsluitend voor zover in het dictum de omvang van de transitievergoeding is bepaald op € 33.571,83 (bruto) in hoofdsom, en tot afdoening zoals voorgesteld in 4.32 van de conclusie.De advocaten van beide partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
De werknemer was sinds 1992 in dienst van EUR. In de arbeidsrelatie zijn problemen ontstaan die vanaf eind 2018 zijn toegenomen.
2.2
In deze procedure verzoekt EUR ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de grond dat de arbeidsverhouding ernstig verstoord is.
2.3
De kantonrechter heeft het ontbindingsverzoek van EUR afgewezen.
2.4
Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en bepaald dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 1 oktober 2023. Verder heeft het hof EUR veroordeeld tot betaling aan [de werknemer] van een transitievergoeding van € 33.571,83 bruto en een billijke vergoeding van € 40.000,-- bruto.
3Beoordeling van het middel
3.1.1 Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in art. 7:669 lid 3, onder g, BW.
3.1.2 De klachten van dit onderdeel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
3.2.1 Onderdeel 2 heeft betrekking op de hoogte van de door het hof toegewezen transitievergoeding. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof het door de werknemer in eerste aanleg verzochte bedrag heeft toegewezen, dat was gebaseerd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2022, en niet zelfstandig de hoogte van de transitievergoeding heeft bepaald, rekening houdend met de beslissing van het hof dat de arbeidsovereenkomst eindigt per 1 oktober 2023.
3.2.2 Deze klacht is gegrond. De wet bevat nauwkeurige regels voor de berekening van de hoogte van de transitievergoeding en die regels houden onder meer in dat de hoogte daarvan afhankelijk is van de duur van het dienstverband (art. 7:673 lid 2 tot en met 6 BW). Het hof had de hoogte van de transitievergoeding ambtshalve moeten berekenen met inachtneming van de door het hof vastgestelde einddatum van de arbeidsovereenkomst.
3.2.3 De klacht kan echter bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Uit de reacties van partijen op de conclusie van de Advocaat-Generaal blijkt dat partijen na het instellen van het cassatieberoep overeenstemming hebben bereikt over het bedrag waarmee de door het hof vastgestelde transitievergoeding moet worden aangevuld, en dat EUR dit bedrag inmiddels aan de werknemer heeft betaald. De werknemer heeft daarom ook geen belang bij de overige klachten van onderdeel 2.
3.2.4 Omdat de genoemde overstemming pas is bereikt nadat de werknemer het cassatieberoep had ingesteld, zal de Hoge Raad EUR veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt EUR in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [de werknemer] begroot op € 355,-- aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien EUR deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 7 maart 2025.
Gerechtshof Amsterdam 5 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2526.
Vgl. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, rov. 3.3.7.